Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-149453-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 2 april 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,
raadsman mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.A.P. van Hees en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte feit 1 en feit 2 heeft gepleegd, omdat het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat. Verdachte dient van die feiten te worden vrijgesproken. Bij feit 3 kan de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) worden bewezen. Verdachte heeft door haar rijgedrag gevaar voor zwaar lichamelijk letsel veroorzaakt, maar geen levensgevaar. Dat zij met een hoge snelheid heeft gereden, kan niet worden bewezen. Feit 4 en feit 5 kunnen wettig en overtuigend worden bewezen, gelet op de bewijsmiddelen in het dossier.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 en 2, omdat het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat. Verdachte dient van die feiten te worden vrijgesproken. De verdediging bepleit ook vrijspraak van feit 3, primair. Er was geen sprake van levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel. De verdediging voert geen verweer over feit 3, subsidiair. Bij feit 4 kan alleen het laatste gedachtestreepje bewezen worden verklaard. De verdediging voert geen verweer over feit 5.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1 en feit 2
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Feit 3
Feitenvaststelling
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 9 februari 2025 in [plaats] bestuurder was van een Opel met [kenteken] en daarmee in de [straat] reed. Zij reed over het trottoir, legde enkele meters af in de auto en heeft de auto toen tot stilstand gebracht. Zij verleende daarbij geen voorrang aan de personen die zich op of nabij het trottoir bevonden en heeft haar snelheid niet zodanig aangepast dat zij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen een afstand waarover deze vrij was. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat een van de personen opzij moest gaan om niet door het voertuig geraakt te worden.
Dat verdachte met hoge snelheid reed, kan de rechtbank op grond van het dossier niet vaststellen. De rechtbank acht ook niet bewezen dat verdachte zich er niet (tijdig) van heeft vergewist dat er voor haar een of meerdere personen stil stonden, omdat zij zich wel bewust leek te zijn van de aanwezige personen. Van die onderdelen van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte vrijspreken.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte zich door haar rijgedrag schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5a WVW of, als dat niet kan worden bewezen, aan overtreding van artikel 5 WVW.
Primair - artikel 5a WVW
Bij de beantwoording van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5a WVW moet de rechtbank beoordelen of verdachte (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of zij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of zij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
Om vast te kunnen stellen dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, moet het gevaar ten tijde van de gedragingen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte met hoge snelheid heeft gereden, zij met het voertuig slechts enkele meters heeft afgelegd en zij het voertuig tot stoppen heeft gebracht nadat een van de personen op of nabij het trottoir opzij is gestapt. Onder die omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen dat als een van de personen zou zijn geraakt door het voertuig van verdachte, de kans op zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voorzienbaar was.
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit daarom niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte van dit feit vrijspreken.
Subsidiair - artikel 5 WVW
De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door het hiervoor beschreven rijgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW. De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4
Aangever [benadeelde 1] heeft verklaard dat verdachte hem heeft bedreigd met de woorden “als je niet blijft wachten dan ga ik je dood maken", voordat ze in de auto stapte. Aangever [benadeelde 2] heeft verklaard dat verdachte en [medeverdachte] hem en anderen uit zijn groep (waar ook [benadeelde 1] deel van uitmaakte) hebben bedreigd met de woorden "vandaag worden jullie onthoofd en gaan we jullie huis en heel jullie familie in brand steken en dan is het klaar voor jullie. Jullie gaan vandaag dood.”
De rechtbank kan op grond van het dossier niet precies vaststellen welke bewoordingen door verdachte zijn gebruikt, maar gelet op de verklaringen van beide aangevers, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte hen heeft bedreigd met de dood. Dat verdachte doodsbedreigingen heeft geuit, wordt ondersteund door (de beschrijving van) de camerabeelden. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft bedreigd met de woorden “als je niet blijft wachten dan ga ik je dood maken" en "jullie gaan vandaag dood” of woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte [benadeelde 1] of [benadeelde 2] heeft bedreigd met de woorden "nou ik rijd hem dood, ik pak mijn auto en ik rijd hem dood", omdat uit het dossier niet blijkt aan wie deze bedreiging was gericht. Verder volgt uit het dossier niet of onbekend gebleven personen zijn bedreigd, dan wel op de hoogte zijn geraakt van de bedreigingen. Van deze onderdelen van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte vrijspreken.
Feit 5
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de bewijsmiddelen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
3, subsidiairop 9 februari 2025 te [plaats] , gemeente Reimerswaal als bestuurder van een voertuig (Opel met [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, de [straat] ,- over het trottoir is weggereden, en daarbij- de voetgangers geen voorrang heeft verleend, en- haar snelheid niet zodanig heeft aangepast dat zij, verdachte, in staat was om haarvoertuig tot stilstand te brengen en/of te houden binnen de afstand waarover deze vrij was, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;
4op 9 februari 2025 te [plaats] , gemeente Reimerswaal [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] dreigend de woorden toe te voegen "als je niet blijft wachten dan ga ik jedood maken" en/of "jullie gaan vandaag dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
5op 9 februari 2025 te [plaats] , gemeente Reimerswaal opzettelijk ambtenaren, te weten [benadeelde 4] (werkzaam als hoofdagent bij de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant) en [benadeelde 5] (werkzaam als hoofdagent bij de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid,mondeling en/of door feitelijkhedenheeft beledigd,- door die [benadeelde 4] de woorden toe te voegen: "kankerhoer en- door die [benadeelde 5] de woorden toe te voegen "klootzak" en "kankerlijer", en- door die [benadeelde 5] aan te kijken en daarbij haar, verdachtes, middelvingers op testeken in de richting van die [benadeelde 5] en daarmee heen en weer te zwaaien.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar, een ontzegging van de rijbevoegdheid van drie maanden en een geldboete van 500 euro.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij de strafoplegging rekening te houden met de medische situatie van verdachte. Zij is detentieongeschikt en niet in staat een taakstraf te verrichten. Zij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde geldboete.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van twee personen, belediging van twee politieagenten en het veroorzaken van gevaar op de weg. Naar aanleiding van een conflict van haar zoon met een aantal jongens heeft verdachte ervoor gekozen de confrontatie met de jongens op te zoeken, waarna de situatie is geëscaleerd en verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit is een vorm van eigenrichting die niet acceptabel is. Aangevers voelden zich bedreigd door de doodsbedreigingen die verdachte heeft geuit, en de politieagenten, die bezig waren met de uitoefening van hun werk, voelden zich beledigd door de uitlatingen van verdachte tegen hen. Met name het veroorzaken van gevaar op de weg rekent de rechtbank verdachte aan. Zij is weggereden over het trottoir zonder voorrang te verlenen aan de daar aanwezige personen. Dit werd ervaren alsof er op hen werd ingereden. Een van hen moest snel opzij gaan om een aanrijding te kunnen voorkomen. Als dit niet was gebeurd, had hij mogelijk letsel op kunnen lopen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat zij recent niet is veroordeeld voor strafbare feiten.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 21 augustus 2025. Hieruit volgt dat verdachte niet is verschenen op de afspraak met de reclassering. Het rapport is opgemaakt op basis van de beschikbare dossierinformatie en informatie verkregen vanuit de politie, Veilig Thuis en Slachtofferhulp Nederland. De reclassering signaleert geen actueel delictpatroon. De reclassering heeft te weinig zicht op verdachte en achterliggende motieven dan wel de aanwezigheid van risicofactoren. Het recidiverisico kan niet worden ingeschat. De reclassering kan daarom geen advies geven over (de noodzaak van) eventuele in te zetten interventies. De reclassering geeft desondanks in overweging een contactverbod met de aangevers op te leggen.
Ook betrekt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die uit de stukken en ter zitting naar voren zijn gekomen. Verdachte heeft in oktober 2025 een verkeersongeval gehad, waardoor zij ernstig letsel heeft opgelopen, niet kan lopen en veel verzorging nodig heeft. Die zorg wordt nu grotendeels door haar partner ( [medeverdachte] ) verricht.
Strafmaat
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd, zal de rechtbank aan verdachte voor feit 4 en 5 een geldboete opleggen van 500 euro. Ondanks dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het subsidiair tenlastegelegde bij feit 3 en dus een minder zwaar feit bewezen verklaart dan waarvan de officier van justitie bij haar eis is uitgegaan, acht zij de door de officier van justitie gevorderde straf passend, gelet op de ernst van dit feit. Om verdachte ervan te weerhouden bij een volgende situatie zelf het heft in eigen handen te nemen en opnieuw strafbare feiten te plegen, acht de rechtbank een stevige stok achter deur noodzakelijk in de vorm van een voorwaardelijke straf. Omdat feit 3 een overtreding betreft, kan geen gevangenisstraf worden opgelegd. De rechtbank zal aan verdachte daarom een voorwaardelijke hechtenis van twee weken opleggen, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank zal ook een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod met aangevers op te leggen.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 57, 62, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 3, subsidiair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
feit 5: eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam/een openbaar lichaam/een openbare instelling, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
T.a.v. feit 3, subsidiair
- veroordeelt verdachte tot een hechtenis van 2 (twee) weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
T.a.v. feit 4 en 5
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 500,= (vijfhonderd euro);
- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 5 (vijf) dagen;
Bijkomende straffen
T.a.v. feit 3, subsidiair
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 3 (drie) maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter,
en mr. N.C.W. Haesen en mr. B. Akdikan, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 2 april 2026.
De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1zij, op of omstreeks 8 februari 2025 te [plaats] , gemeente Reimerswaaltezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, aan [adres 2] bij[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , althans bij een ander of anderen dan bijverdachte en/of haar mededader(s), in gebruikwederrechtelijk is binnengedrongen;
( art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 138 lid 4 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2zij, op of omstreeks 8 februari 2025 te [plaats] , gemeente Reimerswaalopzettelijk en wederrechtelijk een deur en/of kozijn, in elk geval enig goed, dat/diegeheel of ten dele aan [benadeelde 3] en/of [bedrijf] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/ofweggemaakt;
( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3zij, op of omstreeks 9 februari 2025 te [plaats] , gemeente Reimerswaalals bestuurder van een voertuig (Opel met [kenteken] ), daarmee rijdendeop de weg, de [straat] , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat deverkeersregels in ernstige mate werden geschonden door- met hoge snelheid over het trottoir weg te rijden, en/of daarbij- de voetganger(s) geen voorrang te verlenen, en/of- haar snelheid niet zodanig aan te passen dat zij, verdachte, in staat was om haarvoertuig tot stilstand te brengen en/of te houden binnen de afstand waarover zij deweg kon overzien en/of waarover deze vrij was, en/of- zich er niet (tijdig) van te vergewissen dat voor haar, verdachte, een of meerderepersonen stil stonden,door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaarlichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
( art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
zij, op of omstreeks 9 februari 2025 te [plaats] , gemeente Reimerswaalals bestuurder van een voertuig (Opel met [kenteken] ), daarmee rijdendeop de weg, de [straat] ,- met hoge snelheid over het trottoir is weggereden, en/of daarbij- de voetganger(s) geen voorrang heeft verleend, en/of- haar snelheid niet zodanig heeft aangepast dat zij, verdachte, in staat was om haarvoertuig tot stilstand te brengen en/of te houden binnen de afstand waarover zij deweg kon overzien en/of waarover deze vrij was, en/of- zich er niet (tijdig) van heeft vergewist dat voor haar, verdachte, een of meerderepersonen stil stonden,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd;( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )
4zij, op of omstreeks 9 februari 2025 te [plaats] , gemeente Reimerswaal[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of een of meerdere onbekend geblevenpersonen heeft bedreigdmet enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandelingdoor die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of een of meerdere onbekend geblevenpersonen dreigend de woorden toe te voegen "als je niet blijft wachten dan ga ik jedood maken" en/of "vandaag worden jullie onthoofd en gaan we jullie huis en heeljullie familie in brand steken en dan is het klaar voor jullie" en/of "jullie gaanvandaag door" en/of "nou ik rijd hem dood, ik pak mijn auto en ik rijd hem dood",althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
5zij, op of omstreeks 9 februari 2025 te [plaats] , gemeente Reimerswaalopzettelijkeen of meerdere ambtenaren, te weten [benadeelde 4] (werkzaam als hoofdagent bij depolitie Eenheid Zeeland-West-Brabant) en/of [benadeelde 5] (werkzaam alshoofdagent bij de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zakevan de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening,in zijn/haar/hun tegenwoordigheid,mondeling en/of door feitelijkhedenheeft beledigd,- door die [benadeelde 4] de woorden toe te voegen: "kankerhoer", althans woorden vangelijke beledigende aard en/of strekking, en/of- door die [benadeelde 5] de woorden toe te voegen "klootzak" en/of "kankerlijer",althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking, en/of- door die [benadeelde 5] aan te kijken en daarbij haar, verdachtes, middelvingers op testeken in de richting van die [benadeelde 5] en daarmee heen en weer te zwaaien;
( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 267 lid 1 ahf/sub 2° Wetboek vanStrafrecht )