RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-170154-20
vonnis van de rechtbank d.d. 3 april 2026
in de ontnemingszaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
raadsman mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Breda.
1. De procedure
De officier van justitie heeft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd tot een bedrag van € 93.035,-.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 februari 2026. Voorafgaand aan de zitting hebben de officier van justitie, mr. C.F.J. Wiegant, en de verdediging hun standpunten kenbaar gemaakt middels conclusies van antwoord, repliek en dupliek.
2. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat vast is komen te staan dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van invoer van cocaïne op twee verschillende momenten en dat hij in verband daarmee in totaal een voordeel heeft behaald van € 93.035,-. De officier van justitie heeft daarom een ontnemingsvordering ingediend ter hoogte van voormeld bedrag. De ontnemingsvordering is gebaseerd op de bedragen die betrokkene heeft ontvangen in verband met zijn aandeel bij de invoer van cocaïne, zoals die volgen uit chatberichten. Hieraan ligt het rapport van de politie met betrekking tot de berekening van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) ten grondslag. De officier van justitie stelt zich daarnaast op het standpunt dat de redelijke termijn niet is overschreden, nu uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij de bepaling van de (duur van de) redelijke termijn rekening kan worden gehouden met de ingewikkeldheid van de zaak, wat in dit geval een overschrijding van het uitgangspunt van twee jaar rechtvaardigt.
3. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen, dan wel moet worden gematigd. Daartoe is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat betrokkene de gebruiker was van het PGP-account [account] , dat er naast de PGP-berichten geen bewijs is voor betrokkenheid bij de invoer van cocaïne en dat het bij betrokkene aangetroffen contante geld afkomstig was van gokwinsten. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden.
4. Het oordeel van de rechtbank
De grondslag van de ontneming
Het Openbaar Ministerie heeft het gevorderde ontnemingsbedrag vastgesteld met toepassing van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Artikel 36e lid 2 Sr kan worden toegepast indien veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. Bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het om het vaststellen van de aannemelijkheid van het voordeel dat betrokkene heeft genoten.
De rechtbank is van oordeel dat hieraan is voldaan en overweegt daartoe als volgt.
Betrokkene is bij vonnis van deze rechtbank van 26 april 2023 voor onder meer het meermalen medeplegen van invoer van cocaïne veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf. Uit het vonnis in de hoofdzaak blijkt dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan. De rechtbank is bij vonnis onder meer ingegaan op de door de verdediging gevoerde verweren met betrekking tot het PGP-account [account] , de aangetroffen PGP-berichten en de alternatieve lezing ten aanzien van het aangetroffen contante geld. In de ontnemingsprocedure is geen ruimte voor heropening van de discussie over de schuldvraag.
De rechtbank ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals deze zijn opgenomen in het vonnis in de hoofdzaak, het oordeel dat betrokkene voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft genoten.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij het vaststellen van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt voornoemd vonnis en het rapport en gebruikt deze tot het bewijs.
Vast is komen te staan dat betrokkene zich binnen een crimineel samenwerkingsverband schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van 50 kilogram cocaïne op de [schip 1] en 40 kilogram cocaïne op de [schip 2] . Uit chatgesprekken volgt dat hij € 58.535,- uitbetaald heeft gekregen in verband met zijn betrokkenheid bij de uithaal van de [schip 1] en € 34.500,- voor de [schip 2] . Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel sluit de rechtbank aan bij de berekening zoals die is gemaakt in het rapport. Betrokkene heeft in totaal € 93.035,- verdiend aan de invoer van beide partijen cocaïne. Niet is gebleken dat verdachte hiervoor kosten heeft gemaakt. De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat betrokkene heeft genoten daarom op € 93.035,-.
Vaststelling ontnemingsbedrag
De rechtbank stelt het geschatte bedrag vast op € 93.035,-.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de redelijke termijn als volgt. Op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (HGEU) en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient betrokkene binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 6 april 2021, omdat betrokkene op dat moment bekend is geworden met het onder hem gelegde conservatoir beslag en daarmee tevens met de mogelijkheid dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zou kunnen worden gemaakt. Tot dit vonnis is een periode van ongeveer vijf jaren verstreken.
Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Er is in deze zaak sprake van bijzondere omstandigheden, namelijk dat afdoening van de ontnemingszaak afhankelijk was van de termijn die met behandeling van de strafzaak was gemoeid en het feit dat de ontnemingszaak, ingevolge artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering, binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kon worden gemaakt. De officier van justitie heeft op 24 juni 2024 de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt, nadat de rechtbank op 26 april 2023 vonnis heeft gewezen in de hoofdzaak. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een redelijke termijn van een langere periode dan twee jaar gerechtvaardigd is. De rechtbank stelt de redelijke termijn in deze zaak daarom op vier jaren.
Dit betekent dat de redelijke termijn met ongeveer twaalf maanden is overschreden. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt als richtsnoer dat bij een overschrijding van de redelijke termijn tot twaalf maanden een matiging van 10% passend is, maar dat de vermindering bij ontnemingszaken in beginsel niet meer dan € 5.000,- bedraagt. De rechtbank sluit daarbij aan.
De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 88.035,- en zal betrokkene veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de staat. De vordering van de officier van justitie zal de rechtbank voor het overige afwijzen.
5. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 93.035,-.
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 88.035,-, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 880 dagen.
- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Dekker, voorzitter, en mrs. E.G.F. Vliegenberg en A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. van Biert, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 april 2026.