ECLI:NL:RBZWB:2026:2513

ECLI:NL:RBZWB:2026:2513

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 02-04-2026
Zaaknummer 02-256509-20 ontneming
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2023:2875

Samenvatting

Onderzoek Portunus. Ontnemingsvonnis. Vordering toegewezen tot een bedrag van € 22.500,-.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-256509-20

vonnis van de rechtbank d.d. 3 april 2026

in de ontnemingszaak tegen

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

raadsman mr. J.C.W.L. Grootjans, advocaat te Middelburg.

1. De procedure

De officier van justitie heeft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd tot een bedrag van € 50.000,-.

De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 februari 2026. Voorafgaand aan de zitting hebben de officier van justitie, mr. C.F.J. Wiegant, en de verdediging hun standpunten kenbaar gemaakt middels conclusies van antwoord, repliek en dupliek.

2. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat vast is komen te staan dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van cocaïne op twee verschillende momenten en dat hij in verband daarmee in totaal een voordeel heeft behaald van € 50.000,-. De officier van justitie heeft daarom een ontnemingsvordering ingediend ter hoogte van voormeld bedrag. De ontnemingsvordering is gebaseerd op de bedragen die betrokkene heeft ontvangen in verband met zijn aandeel bij de invoer van cocaïne, zoals die volgen uit de chatberichten tussen de mededaders van betrokkene. Hieraan ligt het rapport van de politie met betrekking tot de berekening van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) ten grondslag. De officier van justitie stelt zich voorts op het standpunt dat de redelijke termijn niet is overschreden, nu uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij de bepaling van de (duur van de) redelijke termijn rekening kan worden gehouden met de ingewikkeldheid van de zaak, wat in dit geval een overschrijding van het uitgangspunt van twee jaar rechtvaardigt.

3. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen, dan wel moet worden gematigd. Daartoe is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat betrokkene daadwerkelijk geld heeft ontvangen, dan wel dat dit aanzienlijk minder was dan door de officier van justitie wordt gesteld. Daarnaast is volgens de verdediging sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.

4. Het oordeel van de rechtbank

De grondslag van de ontneming

Het Openbaar Ministerie heeft het gevorderde ontnemingsbedrag vastgesteld met toepassing van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Artikel 36e lid 2 Sr kan worden toegepast indien de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. Bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het om het vaststellen van de aannemelijkheid van het voordeel dat betrokkene heeft genoten.

De rechtbank is van oordeel dat hieraan is voldaan en overweegt daartoe als volgt.

Betrokkene is bij vonnis van deze rechtbank van 26 april 2023 voor onder meer het meerdere malen medeplegen van invoer van cocaïne veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf. Uit het vonnis in de hoofdzaak blijkt dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals deze zijn opgenomen in het vonnis in de hoofdzaak, het oordeel dat betrokkene voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft genoten.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Bij het vaststellen van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt voornoemd vonnis en het rapport en gebruikt deze tot het bewijs.

[schip 1]

Vast is komen te staan dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van 50 kilogram cocaïne op de [schip 1] . Uit chatgesprekken tussen de mededaders van betrokkene kan worden opgemaakt dat betrokkene € 25.000,- heeft verdiend voor zijn aandeel daarin. Hierbij wordt onder meer gewezen op het feit dat is vastgesteld dat betrokkene “die tatta” is waarover in de chats met betrekking tot de financiële afwikkeling wordt gesproken. De rechtbank acht het voorts aannemelijk dat betrokkene dit bedrag daadwerkelijk heeft ontvangen. Het door de verdediging gevoerde verweer dat uit de chatberichten volgt dat betrokkene is bedreigd en dat de helft van dit bedrag van hem zou zijn afgepakt, is geenszins vast komen te staan en doet naar het oordeel van de rechtbank ook niet ter zake, nu is vastgesteld dat betrokkene het gehele bedrag van € 25.000,- op enig moment heeft ontvangen.

[schip 2]

Vast is komen te staan dat betrokkene zich samen met [mededader] schuldig heeft gemaakt aan de invoer van zes kilogram cocaïne op de [schip 2] . Op grond van de chatberichten staat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast dat betrokkene hiervoor de gestelde

€ 25.000,- heeft ontvangen. In dat verband wijst zij op onder meer het feit dat [mededader] vier dagen na het uithalen van deze partij cocaïne het chatbericht stuurde dat degene voor wie zij die zes hadden gepakt nog steeds niet had betaald. De officier van justitie heeft een bericht van 19 juni 2020 aangehaald waarin [mededader] stuurde dat hij morgen thuis zou zijn en dat het geld voor die twee klaar zou liggen. Echter, niet kan worden vastgesteld dat dit bericht ziet op de betaling voor het uithalen van de partij cocaïne van de [schip 2] . De rechtbank acht het daarom onvoldoende aannemelijk dat betrokkene daar geld voor heeft ontvangen en zal dit onderdeel van de berekening van het rapport ter hoogte van € 25.000,- niet meenemen in de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat betrokkene heeft genoten daarom op € 25.000,-.

Vaststelling ontnemingsbedrag

De rechtbank stelt het geschatte bedrag vast op € 25.000,-

De rechtbank overweegt met betrekking tot de redelijke termijn als volgt. Op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (HGEU) en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient betrokkene binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 29 maart 2021, omdat betrokkene op dat moment bekend is geworden met het onder hem gelegde conservatoir beslag en daarmee tevens met de mogelijkheid dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zou kunnen worden gemaakt. Tot dit vonnis is een periode van ongeveer vijf jaren verstreken.

Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Er is in deze zaak sprake van bijzondere omstandigheden, namelijk dat afdoening van de ontnemingszaak afhankelijk was van de termijn die met behandeling van de strafzaak was gemoeid en het feit dat de ontnemingszaak, ingevolge artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering, binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kon worden gemaakt. De officier van justitie heeft op 24 juni 2024 de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt, nadat de rechtbank op 26 april 2023 vonnis heeft gewezen in de hoofdzaak. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een redelijke termijn van een langere periode dan twee jaar gerechtvaardigd is. De rechtbank stelt de redelijke termijn in deze zaak daarom op vier jaren.

Dit betekent dat de redelijke termijn met ongeveer twaalf maanden is overschreden. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt als richtsnoer dat bij een overschrijding van de redelijke termijn tot twaalf maanden een matiging van 10% passend is. De rechtbank sluit daarbij aan.

De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 22.500,- en zal betrokkene veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de staat. De vordering van de officier van justitie zal de rechtbank voor het overige afwijzen.

5. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6. De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 25.000,-.

- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 22.500,-, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 225 dagen.

- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Dekker, voorzitter, en mrs. E.G.F. Vliegenberg en A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. van Biert, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.A.E. Dekker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?