RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11511782 \ MB VERZ 25-137
CJIB-nummer : [cjib-nummer]
uitspraakdatum : 10 februari 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Verloop van de procedure
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 10 februari 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. S.E.F. Heling (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) op de Oude Vest te Breda op 25 december 2022 om 13.39 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene was ten tijde van de vermeende overtreding thuis. Hij heeft hiervan foto’s bijgevoegd. Betrokkene stelt dat er een vergissing is gemaakt in de identificatie van het voertuig. Ter zitting heeft betrokkene hieraan toegevoegd dat zijn zoon wel ’s avonds met het voertuig in de binnenstad is geweest. De gedraging kan dus ’s avonds zijn verricht, maar in dat geval staat het tijdstip van de vermeende gedraging ter discussie.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep deels gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op basis van het aanvullend proces-verbaal kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De verbalisant stond namelijk dicht bij het voertuig. Er is daarmee onvoldoende reden om te twijfelen aan de vaststelling van de gedraging. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt wel de boete te matigen met 25% omdat de redelijk termijn is overschreden, maar het beroep voor het overige ongegrond te verklaren.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht met het voertuig van betrokkene. Daarbij is van belang dat de kantonrechter in wat betrokkene heeft aangevoerd reden ziet om te twijfelen aan de vaststelling van de gedraging. De kantonrechter geeft betrokkene het voordeel van de twijfel. Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd.
Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Beslissing
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 159,-, dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E.H. de Vries, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: