ECLI:NL:RBZWB:2026:2546

ECLI:NL:RBZWB:2026:2546

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 19-02-2026
Datum publicatie 03-04-2026
Zaaknummer C/02/414414 / FA RK 23-4581
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

beschikking over gezag en omgangsregeling

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/414414 / FA RK 23-4581

datum uitspraak: 19 februari 2026

beschikking over gezag en omgangsregeling

in de zaak van

[de man] ,

hierna: de man,

wonende in [woonplaats 1],

eerder bijgestaan door advocaat: mr. E. Kocabas-Güler in Zoetermeer,

nu zonder advocaat,

tegen

[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats 2],

eerder bijgestaan door advocaat: mr. M.B. Chylinska in Zaandam,

nu bijgestaan door advocaat: mr. M. Czarnota in Oosterhout,

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna [minderjarige] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1. Het verdere procesverloop

In het dossier zitten de volgende stukken:

- de beschikking van de rechtbank van 11 december 2025 en alle daarin genoemde stukken;

- het rapport van zorgaanbieder Stichting Inzet voor Zorg/Polon Begeleiding & Coaching van 13 september 2024;

- het rapport van zorgaanbieder [zorgaanbieder] van 16 juni 2025;

- de brieven van de Raad van 12 december 2024 en van 20 augustus 2025;

- het op 1 december 2025 ontvangen rapport van de Raad van 27 november 2025;

- de oproep van de man door de griffier van deze rechtbank op 29 december 2025;

- de op 28 januari 2026 ingekomen aanvullende verzoeken tevens houdende wijziging provisionele verzoeken van de vrouw met bijlagen.

De verzoeken zijn behandeld op de zitting van 3 februari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man en de vrouw met haar advocaat. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.

Tijdens de zitting is ook het verzoek van de vrouw tot wijziging van de provisionele voorziening van 12 december 2023 behandeld. Deze zaak staat bij de rechtbank geregistreerd onder kenmerk C/02/444527 FA RK 26-497. De rechtbank heeft in een afzonderlijke beschikking op dit verzoek beslist.

2. De verdere beoordeling

In de beschikking provisionele voorziening van 12 december 2023 is een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen de man en [minderjarige] .

De voorlopige regeling is als volgt:

- [minderjarige] verblijft een keer in de veertien dagen van vrijdagmiddag na de opvang tot maandagochtend voor de opvang bij de man;

- in de andere week verblijft [minderjarige] van woensdag na de opvang tot donderdag voor de opvang bij de man, waarbij de man zorgdraagt dat [minderjarige] op deze woensdag zijn zwemles volgt.

Daarnaast zijn partijen voor een hulpverleningstraject verwezen naar het zorgloket. Omdat de trajecten niet zijn geslaagd, heeft de Raad een onderzoek gedaan en de rechtbank in het raadsrapport van 27 november 2025 geadviseerd.

In de beschikking van 11 december 2025 is beslist op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bedrag aan kinderalimentatie. De rechtbank heeft bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2025 € 247,= per maand moet voldoen voor de kosten van [minderjarige] aan de vrouw.

Verzoeken

De volgende verzoeken liggen nog ter beoordeling voor.

Verzoek man:

- bepaling dat hij mede wordt belast met het gezag over [minderjarige] ;

- vaststelling van een zorgregeling waarbij [minderjarige] in de even weken van maandag uit de opvang/school tot de opvolgende maandag naar de opvang/school bij hem is, en tijdens de helft van alle vakanties en feestdagen.

(Zelfstandig) verzoek vrouw:

- vaststelling van een regeling waarbij de man elke twee weken (oneven weken) vanaf vrijdagmiddag na school tot maandagochtend omgang heeft met [minderjarige] , waarbij de man [minderjarige] vrijdagmiddag van school ophaalt en maandagochtend terugbrengt naar de kinderopvang tenzij de maandag valt op een feestdag/vakantiedag/vrije dag dan zal de man [minderjarige] op zondagavond 18.00 uur naar de vrouw thuisbrengen, welke regeling ook doorloopt in de vakanties en feestdagen.

De rechtbank begrijpt tijdens de zitting dat de op 28 januari 2026 door de vrouw ingediende aanvullende verzoeken ook betrekking hebben op deze bodemzaak.

De vrouw verzoekt aanvullend:

- vaststelling van een verdeling van de vakanties zoals omschreven in punt 5 van haar aanvullend verzoek, en voor zover de rechtbank de vakanties niet definitief wenst vast te stellen deze in ieder geval voorlopig vast te stellen zoals verzocht in punt 5;

- bepaling dat feestdagen zoals Pasen-Pinksteren worden gevierd bij de ouder waar [minderjarige] dat weekend volgens de zorgregeling is en [minderjarige] tijdens Hemelvaart en de vrijdag erna is bij de ouder waar hij het daarop volgende weekend is.

IPR

De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen, omdat partijen en [minderjarige] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op de verzoeken het Nederlands recht van toepassing.

De man verzoekt het gezamenlijk gezag. De rechtbank heeft gelet op de Poolse nationaliteit van partijen en van [minderjarige] getoetst wat de huidige gezagsverhouding is. Omdat [minderjarige] in Nederland is geboren, is op grond van artikel 16 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht van toepassing. Dit artikel bepaalt namelijk dat het van rechtswege ontstaan van gezamenlijk gezag zonder tussenkomst van de rechter wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind. [minderjarige] heeft zijn hele leven zijn gewone verblijfplaats in Nederland gehad. Partijen zijn niet met elkaar gehuwd geweest en zij hebben niet samen verzocht om een aantekening te laten plaatsen in het gezagsregister. Dit betekent dat de vrouw alleen is belast met het gezag over [minderjarige] .

Gezag

In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.

De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is in de wet en de rechtspraak. Er zijn geen redenen waarom hij niet ook belast zou kunnen worden met het gezag. Hij is altijd betrokken geweest bij de opvoeding en zorg voor [minderjarige] . Hij heeft een goede band met [minderjarige] en wil mee kunnen beslissen.

De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man. Zij is het hier niet mee eens. Er is geen samenwerking tussen partijen. Het verleden van partijen kenmerkt zich door een patroon van conflict en escalatie. Het is nu rustig omdat partijen geen contact hebben. Maar zij maakt zich zorgen over hoe het zal gaan bij gezamenlijk gezag. Zij is bang dat de man niet gaat communiceren. De gevolgde hulpverleningstrajecten bij [hulpverlening] en [zorgaanbieder] zijn gestopt door de man. Zij wil graag opnieuw een traject in met de man, om te leren communiceren met elkaar. Omdat de man dit niet (meer) wil, heeft zij er geen vertrouwen in dat de houding van de man gaat veranderen. [minderjarige] zit in de huidige situatie al klem tussen partijen. Gezamenlijk gezag is niet in het belang van [minderjarige] .

De Raad adviseert in het rapport van 27 november 2025 om het verzoek van de man toe te wijzen. De Raad constateert binnen het onderzoek dat er sprake is van spanning en onrust in de verstandhouding tussen ouders. Beide ouders geven aan dat er sprake is van problemen in de communicatie, maar ervaren daar sinds enkele maanden de nodige verbetering in. Deze prille verbetering vindt de Raad positief.

De Raad ziet wel ook de nodige zorgen en risico’s. Moeder is altijd alert in het contact met vader, omdat zij nooit weet hoe de pet van vader staat en hoe hij zal reageren. Ook de rol van de partner van moeder heeft een negatieve invloed op de verstandhouding tussen ouders, omdat er meerdere escalaties hebben plaatsgevonden tussen vader en de partner. Daarbij is sprake geweest van fysiek geweld en politiebemoeienis. [minderjarige] ervaart de nodige spanning van deze verstandhouding tussen vader en zijn stiefvader en is alert op eventuele confrontaties tussen zijn vader en stiefvader. Dit baart de Raad zorgen.

De Raad is evenwel van mening dat de bezwaren van de moeder tegen het uitoefenen van gezamenlijk gezag (zij uit zorgen over een schoolkeuze en dat vader [minderjarige] wenst mee te nemen naar Polen) niet opwegen tegen het belang en het wettelijke uitgangspunt om ouders gezamenlijk het gezag te laten uitoefenen. Hoewel de verstandhouding en samenwerking nog niet optimaal is, ziet de Raad hierin geen onacceptabel risico dat [minderjarige] erg klem komt te zitten tussen ouders. Voor de Raad is uit het onderzoek ook niet gebleken dat vader niet in staat is om een inhoudelijke beslissing te nemen over [minderjarige] en hierin afstemming te zoeken met moeder. Daarbij komt dat de Raad mogelijkheden ziet tot verbetering van de huidige situatie als ouders (opnieuw) een hulpverleningstraject in gaan om hun onderlinge verstandhouding te verbeteren. Beide ouders vinden het belangrijk dat zij goed met elkaar omgaan en met elkaar kunnen communiceren in het belang van [minderjarige] .

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de rapporten van de zorgaanbieders [hulpverlening] en [zorgaanbieder] blijkt het volgende. Partijen zijn eind januari 2024 gestart bij [hulpverlening] . Half april 2024 is het traject voortijdig gestopt. [hulpverlening] geeft in april 2024 aan dat ouders op dat moment nog steeds niet volledig in staat zijn om zelfstandig tot overeenstemming te komen en dat er conflicten blijven bestaan. Deze conflicten benadrukken de noodzaak van begeleiding om ouders te ondersteunen en te begeleiden bij (onder meer) het verbeteren van de communicatie. Er wordt geconstateerd dat de situatie complex is en dat er sprake is van blijvende conflicten. [hulpverlening] geeft ook aan dat overwogen moet worden of aanvullende nazorg of een andere vorm van hulp nodig is om ouders te ondersteunen bij het behouden van de resultaten. [hulpverlening] adviseert dat ouders meer tijd en begeleiding nodig hebben om gezamenlijk te leren hoe zij beslissingen zelfstandig kunnen maken. Omdat de man geen vertrouwen meer had in [hulpverlening] heeft het traject geen doorgang meer kunnen vinden. Hoewel er mogelijk twijfels waren over de partijdigheid van [hulpverlening] , waren partijen gelet op hun aanhoudende conflicten wel gebaat bij hulpverlening om hun communicatie te verbeteren. De man heeft vervolgens aangegeven ook in [zorgaanbieder] geen vertrouwen te hebben. De Raad geeft in de brief van 20 augustus 2025 aan dat uit de stukken kan worden opgemaakt dat het ouders niet lukt om op een constructieve manier met elkaar te communiceren.

Tijdens de zitting geeft de man aan dat hij geen hulpverleningstraject meer wil volgen. Hij vindt dat hij het genoeg heeft geprobeerd en dat partijen goed genoeg communiceren. De rechtbank constateert evenwel dat partijen feitelijk slechts gedurende drie maanden een traject hebben gevolgd dat voortijdig is gestopt, zodat geen solide, bestendige basis is gelegd voor een constructieve samenwerking op ouderniveau. De Raad geeft in het rapport aan dat hoewel er sprake is van een prille verbetering in de communicatie tussen partijen, deze nog zeer kwetsbaar is.

Voor het (kunnen) uitoefenen van het gezamenlijk gezag is het nodig dat partijen het overleg met elkaar zoeken, dat zij naar elkaars standpunten (kunnen) luisteren en in onderling overleg naar oplossingen kunnen zoeken en samen tot een beslissing kunnen komen (die in het belang is van [minderjarige] ). De huidige verstandhouding van partijen kenmerkt zich (nog steeds) door spanning en onrust. De rechtbank ziet op dit moment, en ook terugkijkend naar het verleden, geen (samenwerkings)basis tussen partijen voor het gezamenlijk kunnen nemen van beslissingen. Doordat de trajecten voortijdig zijn gestopt, hebben partijen hier ook geen verdere hulp bij kunnen krijgen. [hulpverlening] geeft ook duidelijk aan dat partijen begeleiding nodig hebben om te leren hoe zij beslissingen zelfstandig kunnen maken. Doordat de man (helaas) de spreekwoordelijke deur dichtgooit voor een aanvullend hulpverleningstraject, heeft de rechtbank niet de verwachting dat het partijen zelf gaat lukken om tot een constructieve samenwerking te gaan komen. De Raad heeft partijen in het rapport ook nadrukkelijk geadviseerd opnieuw een traject te volgen, om tot een verbetering van de huidige situatie te komen.

Duidelijk is ook dat [minderjarige] veel last heeft van de verstandhouding tussen zijn vader en zijn stiefvader. In het traject zou hier volgens de Raad aandacht voor moeten zijn. Hier kan dus ook niet aan gewerkt worden. De rechtbank heeft hier zorgen over. Deze situatie zorgt al voor grote spanning bij [minderjarige] , die bang is dat er nieuwe confrontaties ontstaan tussen zijn vader en zijn stiefvader. De rechtbank voorziet bij de uitoefening van gezamenlijk gezag dat als partijen niet tot overeenstemming kunnen komen over een beslissing over [minderjarige] , hun onderlinge spanning nog meer wordt verhoogd en [minderjarige] klem komt te zitten. En dat deze spanningen dan bij [minderjarige] terechtkomen en hij nog meer last gaat krijgen van de huidige situatie. De rechtbank acht het niet in het belang van [minderjarige] dat er nog een extra risico ontstaat op conflicten bovenop de huidige conflicten.

Gelet op dat wat hierboven is overwogen, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank bij gezamenlijk gezag het risico dat [minderjarige] klem komt te zitten tussen partijen en is niet te verwachten dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Dit betekent dat het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag zal worden afgewezen.

Omgangsregeling

In artikel 1:377a van het BW) staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen.

Tijdens de zitting blijkt dat partijen de voorlopige regeling uitoefenen, zij het dat [minderjarige] niet meer naar de opvang gaat maar naar school.

De man verzoekt vaststelling van een co-ouderschapsregeling. Dit doet volgens de man het meest recht aan de belangen van [minderjarige] . Een co-ouderschap zal zorgen voor meer rust en stabiliteit, ook voor [minderjarige] .

De vrouw voert verweer tegen dit verzoek van de man. Zij vindt dat co-ouderschap geen kans van slagen heeft gelet op de slechte communicatie tussen partijen.

De rechtbank wijst het verzoek van de man af. Voor het goed kunnen uitvoeren van een co-ouderschap is het van belang dat [minderjarige] zich spanningsvrij kan bewegen tussen beide partijen. Dit vraagt veel afstemming tussen partijen en ook dat [minderjarige] onbelast contact kan hebben met zijn beide ouders. Naar het oordeel van de rechtbank is dit in de huidige situatie tussen partijen niet mogelijk. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar de omstandigheden die bij de beoordeling van het verzoek tot gezamenlijk gezag zijn genoemd (rechtsoverweging 2.10.). Tijdens de zitting adviseert de Raad ook tot afwijzing van de door de man verzochte co-ouderschapsregeling. De Raad is van mening dat partijen daarvoor beter met elkaar moeten kunnen communiceren.

Tijdens de zitting heeft de rechtbank met partijen gesproken over de huidige (voorlopige) regeling. Partijen hebben over deze regeling aanvullende afspraken gemaakt in het geval van studiedagen. De rechtbank zal deze tussen partijen overeengekomen regeling definitief vastleggen. Voor de rechtbank is niet gebleken dat de huidige regeling niet goed loopt en de Raad geeft ook aan dat [minderjarige] het contact met beide ouders prettig vindt. De rechtbank acht de huidige regeling in het belang van [minderjarige] .

De definitieve omgangsregeling zal dus zijn als volgt:

[minderjarige] verblijft bij de man:

- een keer in de veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school;

- in de andere week van woensdagmiddag na school tot donderdag voor school;

- als er op de dagen dat de man [minderjarige] naar school zou brengen (dit is op de maandag en de donderdag in zijn weken) sprake is van een studiedag, een vrije dag of als [minderjarige] ziek is, dan brengt de man [minderjarige] naar de vrouw toe op het tijdstip waarop de school zou eindigen;

- als er op de dagen dat de man [minderjarige] zou ophalen van school (dit is op de woensdag en de vrijdag in zijn weken) sprake is van een studiedag, een vrije dag of als [minderjarige] ziek is, dan haalt de man [minderjarige] op bij de vrouw op het tijdstip waarop de school zou eindigen.

Vakanties en feestdagen

De vrouw verzoekt een omgangsregeling tijdens de vakanties volgens onderstaand schema:

- Carnavalsvakantie: in de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de man.

Als [minderjarige] bij de man is, brengt hij [minderjarige] zondag om 18:00 uur naar de vrouw;

- Meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij

de vrouw, in de oneven jaren is dit andersom. De wisseldag na de eerste week is

zaterdag 18:00 uur en als [minderjarige] de tweede week bij de man is brengt de man

hem zondagavond 18:00 uur naar de vrouw;

- Zomervakantie: in de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw en in de

tweede drie weken bij de man, in de oneven jaren andersom. De wisseldag na de

eerste drie weken is zaterdag 18:00 uur en als [minderjarige] de tweede drie weken bij de

man is brengt de man hem aan het einde van de vakantie zondagavond 18:00 uur

naar de vrouw;

- Herfstvakantie: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw.

Als [minderjarige] bij de man is, brengt hij [minderjarige] zondag om 18:00 uur naar de vrouw;

- Kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de vrouw alsmede kerstavond

en eerste kerstdag en de tweede week alsmede tweede kerstdag en oud en nieuw

bij de man, in de oneven jaren is dit andersom.

Verder verzoekt de vrouw te bepalen dat feestdagen zoals Pasen en Pinksteren worden gevierd bij de ouder waar [minderjarige] dat weekend volgens de zorgregeling is. Tijdens Hemelvaart en de vrijdag erna is [minderjarige] bij de ouder waar hij het daaropvolgende weekend is.

Tijdens de zitting stemt de man in met het verzoek van de vrouw over de verdeling van de vakanties en feestdagen, behalve het verzoek over de kerstvakantie. De man wil dat [minderjarige] om het jaar de gehele kerstvakantie bij een ouder verblijft. Dit sluit ook aan op de regeling met zijn dochter.

De rechtbank neemt het advies van de Raad over en volgt het voorstel van de vrouw over de kerstvakantie. Dat de man het prettig vindt als de kerstregeling voor zijn dochter en [minderjarige] gelijk loopt, betekent niet dat dit ook in het belang van [minderjarige] is. [minderjarige] is een stuk jonger dan zijn dochter, die bijna 12 jaar is. Gelet op alle feestdagen die in de kerstvakantie vallen, vindt de rechtbank het belangrijk voor [minderjarige] dat hij in die periode afwisselend bij beide ouders kan zijn en met beide ouders feestdagen kan meemaken.

De rechtbank zal onderstaand in het dictum de omgangsregeling tijdens vakanties en feestdagen opnemen, zoals door de vrouw verzocht, en waar partijen overeenstemming over hebben bereikt. Daarnaast wordt het verzoek van de vrouw met betrekking tot de omgangsregeling tijdens de kerstvakantie toegewezen.

Proceskosten

Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over (een van) hun kind(eren) gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

5. De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat de man en [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, recht hebben op omgang met elkaar:

- een keer in de veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school;

- in de andere week van woensdagmiddag na school tot donderdag voor school;

- als er op de dagen dat de man [minderjarige] naar school zou brengen (dit is op de maandag en de donderdag in zijn weken) sprake is van een studiedag, een vrije dag of als [minderjarige] ziek is, dan brengt de man [minderjarige] naar de vrouw toe op het tijdstip waarop de school zou eindigen;

- als er op de dagen dat de man [minderjarige] zou ophalen van school (dit is op de woensdag en de vrijdag in zijn weken) sprake is van een studiedag, een vrije dag of als [minderjarige] ziek is, dan haalt de man [minderjarige] op bij de vrouw op het tijdstip waarop de school zou eindigen.

bepaalt dat de omgangsregeling tijdensde vakanties en feestdagen als volgt luidt:

- Carnavalsvakantie: in de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de man.

Als [minderjarige] bij de man is, brengt hij [minderjarige] zondag om 18:00 uur naar de vrouw;

- Meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij

de vrouw, in de oneven jaren is dit andersom. De wisseldag na de eerste week is

zaterdag 18:00 uur en als [minderjarige] de tweede week bij de man is brengt de man

hem zondagavond 18:00 uur naar de vrouw;

- Zomervakantie: in de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw en in de

tweede drie weken bij de man, in de oneven jaren andersom. De wisseldag na de

eerste drie weken is zaterdag 18:00 uur en als [minderjarige] de tweede drie weken bij de

man is brengt de man hem aan het einde van de vakantie zondagavond 18:00 uur

naar de vrouw;

- Herfstvakantie: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw.

Als [minderjarige] bij de man is, brengt hij [minderjarige] zondag om 18:00 uur naar de vrouw;

- Kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de vrouw alsmede kerstavond

en eerste kerstdag en de tweede week alsmede tweede kerstdag en oud en nieuw

bij de man, in de oneven jaren is dit andersom;

- feestdagen zoals Pasen en Pinksteren worden gevierd bij de ouder waar [minderjarige] dat weekend volgens de zorgregeling is. Tijdens Hemelvaart en de vrijdag erna is [minderjarige] bij de ouder waar hij het daaropvolgende weekend is;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Schröder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Bollen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?