ECLI:NL:RBZWB:2026:2547

ECLI:NL:RBZWB:2026:2547

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 03-04-2026
Zaaknummer C/02/442812 FA RK 25-6337
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

voorlopige voorzieningen, NBI

Uitspraak

2. De verzoeken

De man verzoekt, samengevat,

- toevertrouwing van de [minderjarige] aan hem;

- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op de door hem aangegeven wijze;

- primair

het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door hem in de periode dat hij de zorg voor [minderjarige] draagt en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door de vrouw in de periode dat zij de zorg voor [minderjarige] draagt;

subsidiair

het uitsluitend gebruik van de woning door hem;

- Voorwaardelijkindien de rechtbank een birdnesting-constructie vaststelt)

in de overwegingen van de beschikking te verstaan dat de man het aandeel van de vrouw van 50% in de hypotheeklasten, de (eventuele) premie voor de aan de hypothecaire geldlening verbonden polis levensverzekering of de maandelijkse hypothecaire annuïteiten en de kosten die worden gerekend tot het forfait overige eigenaarslasten (zoals het eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelasting, waterschapslasten, rioolheffing, opstalverzekering, en dergelijke) van de voormalige echtelijke woning draagt en rechtstreeks aan de betrokken crediteuren voldoet, dat de man de bijdrage ten behoeve van de hypotheekrente ten titel van partneralimentatie verricht en fiscaal in aftrek brengt en dat de vrouw de bijdrage ten behoeve van de betaling van de hypotheekrente als ontvangen partneralimentatie fiscaal opgeeft en haar aandeel in de hypotheekrente fiscaal in aftrek brengt.

De vrouw verzoekt, samengevat,

- toevertrouwing van de [minderjarige] aan haar;

- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op

de door haar aangegeven wijze;

- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de [minderjarige] van € 533,= per maand met ingang van 21 november 2025

- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van

€ 2.019,= per maand;

- indien en voor zover het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de man wordt toegekend, te verstaan dat de man de kosten van die oning voor zijn rekening neemt.

3. De beoordeling

Ter beoordeling staan de verzoeken tot;

- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de [minderjarige] ;

- de toevertrouwing van [minderjarige] ;

- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning;

- de bijdrage voor [minderjarige] ;

- de bijdrage voor de vrouw;

- voorwaardelijk, de betaling van de hypothecaire en zakelijke lasten van de echtelijke woning.

De zorgregeling en de toevertrouwing van [minderjarige]

Standpunten van partijen

Met zijn verzoek beoogt de man te bereiken dat de rechtbank een birdnesting-regeling bepaalt. Dit verzoek is ingegeven door de wens om een substantieel aandeel te hebben in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , maar ook omdat de man vindt dat [minderjarige] in [woonplaats] thuis hoort en omdat hij zich verzet tegen een verhuizing van [minderjarige] naar [plaats 1] . Na het verbreken van de relatie is de vrouw begin november 2025 met [minderjarige] vertrokken naar haar moeder en stiefvader in [plaats 1] . De vrouw is voornemens om zich samen met [minderjarige] definitief in [plaats 1] te vestigen. De man heeft de vrouw geen toestemming gegeven om met [minderjarige] in [plaats 1] te gaan wonen en hij vindt dat er in de voorlopige voorzieningenprocedure geen voorschot mag worden genomen op de beslissing over de toekomstige verblijfplaats van [minderjarige] . Daarom vindt hij dat [minderjarige] aan hem moet worden toevertrouwd. [minderjarige] moet gezien zijn nog heel jonge leeftijd veelvuldig contact hebben met beide ouders, zodat hij met beiden eenzelfde hechtingsband kan ontwikkelen, en wel in zijn vertrouwde omgeving in de echtelijke woning in [woonplaats] .

Hoewel partijen niet meer samen onder één dak kunnen leven, weerspreekt de man de aantijgingen van de vrouw aan zijn adres. Het om-en-om in de woning wonen en daar voor [minderjarige] zorgen, vraagt het nodige van partijen, maar de man ziet het als een reële en de voor [minderjarige] beste optie. De man heeft zijn werkdagen inmiddels anders ingedeeld en kan er meer zijn voor [minderjarige] . De situatie bij de moeder van de vrouw en haar stiefvader is niet wenselijk voor [minderjarige] . De grootouders zijn op leeftijd en hebben beiden gezondheidsproblemen. Zij kunnen hooguit een dag per week oppassen. Bovendien is [plaats 1] circa 55 tot 60 minuten rijden vanaf [woonplaats] , waardoor [minderjarige] telkens een uur moet reizen als hij in [woonplaats] moet zijn. Ook zal zijn rol als vader aanzienlijk beperkter zijn als de vrouw in [plaats 1] blijft. Voor zover er geen birdnestingconstructie wordt vastgesteld, dan verzoekt de man te bepalen dat [minderjarige] wekelijks bij hem verblijft van donderdagavond 17:00 uur tot zondagavond 17:00 uur.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat birdnesting geen optie is. Het belang van [minderjarige] is ermee gediend dat zijn verblijf in [plaats 1] voortduurt. De vrouw is met [minderjarige] bij de man uit [woonplaats] vertrokken vanwege zijn agressieve, intimiderende en daarmee gevaarlijke gedrag. Dit gebeurde ook waar [minderjarige] bij was. Het vertrek naar [plaats 1] is dus niet belemmerend voor het contact tussen [minderjarige] en de man, maar juist rustgevend en uitvoerbaar. De vrouw zorgt ervoor dat het contact tussen [minderjarige] en de man in stand blijft en zij stuurt dagelijks foto's en filmpjes naar de man. Bij haar moeder en stiefvader kan de vrouw stabiele zorg aan [minderjarige] bieden. Het is er vertrouwd en rustig, opvang is standby en ook haar vader en de stiefmoeder wonen op loopafstand. [minderjarige] is er zichtbaar rustiger. De vrouw is van plan om zich met [minderjarige] in de regio [plaats 1] te gaan vestigen, alwaar zij veel sneller vervangende, passende woonruimte zal kunnen vinden dan in [woonplaats] en omgeving. Zij staat namelijk al 14 jaar ingeschreven bij een woningbouwvereniging in [plaats 1] en kan daar in aanmerking komen voor urgentie Ook woont zij daar dichter bij haar werk in [plaats 2] . Met [woonplaats] en omgeving heeft zij geen enkele binding; haar netwerk in [woonplaats] is door de scheiding helemaal weggevallen en bevindt zich thans nog uitsluitend in (de buurt van) [plaats 1] . De vrouw vraagt de rechtbank om [minderjarige] aan haar toe te vertrouwen.

Voor wat betreft de zorgregeling verzet de vrouw zich tegen de door de man verzochte co-ouderschapsregeling. Die regeling is alleen al vanwege zijn werk niet uitvoerbaar. De man vertrekt vaak al om 6.30 uur van huis. De vrouw verzoekt om vaststelling van een zorgregeling op de door haar aangeven wijze.

Mediation

De rechtbank heeft met partijen ter zitting gesproken over de noodzaak om met elkaar in overleg te gaan over de gevolgen van hun scheiding voor [minderjarige] , zeker gelet over de uiteenlopende standpunten over de toekomstige (hoofd)verblijfplaats van [minderjarige] . Geen van de ouders heeft het recht om zonder instemming van de andere ouder de verblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen of te bepalen. Partijen dienen in hun overleg het belang van [minderjarige] voorop te stellen, en hun eigen wensen, voorkeuren en belangen daaraan ondergeschikt te maken. Ouders zijn het aan [minderjarige] verplicht om met elkaar open en onvoorwaardelijk het gesprek in te gaan. In dat gesprek moet het belang van [minderjarige] bij een gelijkwaardige rol van iedere ouder in zijn leven voorop staan. Daarbij past niet dat de ene ouder aan de andere ouder zijn of haar wil oplegt, wel dat ouders bereid zijn om de behoeften van de andere ouder te horen en daarmee rekening te houden. Na bespreking van de standpunten hebben partijen zich bereid verklaard gesprekken aan te gaan met een via het mediationbureau van de rechtbank ingeschakelde bemiddelaar.

De rechtbank zal partijen dan ook naar het mediationbureau verwijzen voor bemiddeling. Gebleken is dat op dit moment nog geen bodemprocedure aanhangig is gemaakt. De advocaat van de partij die de bodemzaak aanhangig maakt, dient op dat moment bij afzonderlijke brief melding te maken van de onderhavige doorverwijzing naar mediation, zodat de resultaten van de bemiddeling kunnen worden meegenomen bij de beslissing in de bodemprocedure.

Voorlopige zorgregeling

In afwachting van de resultaten van de mediation stelt de rechtbank voorop dat het in belang van [minderjarige] is dat er nu, voor de komende tijd, duidelijkheid komt. Zoals ook door de Raad op zitting is geadviseerd, is de rechtbank van oordeel dat daarbij voorliggend is de vraag welke voorlopige zorgregeling in het belang van [minderjarige] is en dus niet de vraag aan wie van de ouders [minderjarige] wordt toevertrouwd. Partijen lijken hun standpunten en verzoeken in te richten op basis van hun actuele woon-/verblijfplaats en voor hen is de beslissing over de vraag aan wie van de ouders [minderjarige] wordt toevertrouwd het belangrijkste. De rechtbank ziet dat anders. Voor [minderjarige] is nu het belangrijkste dat een voor hem passende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders wordt bepaald. De beslissing over toevertrouwing is daar wat de rechtbank betreft ondergeschikt aan.

De rechtbank stelt op grond van de stukken en wat is besproken op zitting vast dat het verzoek van de man over birdnesting, dus het om-en-om gebruiken van de echtelijke woning door partijen om daar voor [minderjarige] te zorgen, niet kan rekenen op draagvlak bij de vrouw. Ook vreest de rechtbank, afgaande op het conflictpatroon tussen partijen zoals dat blijkt uit het dossier, dat een dergelijke regeling tot geschillen en verhoging van de onderlinge spanningen zal leiden, wat de rechtbank allerminst in het belang van [minderjarige] acht. Dit brengt mee dat het primaire verzoek van de man tot bepaling van een zorgregeling in de vorm van een birdnestconstructie wordt afgewezen.

De Raad heeft op zitting aangevoerd dat zij geen contra-indicaties zien voor een zorgregeling waarbij uiteindelijk het aandeel van de ouders in die zorg gelijk is. De regeling die de man nu voorstelt is, gelet op de nog zeer jonge leeftijd van [minderjarige] volgens de Raad niet ideaal. De Raad adviseert om de door de vrouw verzochte zorgregeling als uitgangspunt te nemen, maar vindt wel dat de man daarin een groter aandeel in de zorg zou moeten krijgen. De rechtbank neemt dit advies over. Een regeling waarin het verblijf van [minderjarige] bij iedere ouder korter van duur is dan een hele week aaneengesloten, past beter bij zijn leeftijd. Voor kinderen van de leeftijd van [minderjarige] is over het algemeen minder wenselijk om gedurende langere tijd een van de ouders te moeten missen. Het voordeel van een regeling waarin [minderjarige] minder lange tijd aaneengesloten bij een van de ouders verblijft, weegt wat de rechtbank op tegen het nadeel dat er in de zorgregeling meer wisselmomenten zijn. Verder vindt de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat de ouders doordeweekse zorgtaken voor hun rekening nemen, maar ook dat zij in het weekend voldoende tijd met hem kunnen doorbrengen. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat de man ondernemer is en hij een groot deel van de week in beslag genomen wordt door zijn werk. De man stelt dat hij zijn werk heeft aangepast in verband met de huidige situatie, maar hoe hij dit concreet vorm heeft gegeven, is onduidelijk gebleven. Dit betekent dat de rechtbank navolgende voorlopige regeling zal vaststellen:

in de even weken draagt de vrouw de zorg voor [minderjarige] van maandag tot donderdag 17.00 uur, de man van donderdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, en de vrouw van 17.00 uur tot het einde van de zondag;

in de oneven weken draagt de vrouw de zorg voor [minderjarige] van maandag tot woensdag 17.00 uur, de man van woensdag om 17.00 uur tot vrijdag 17.00 uur en de vrouw van vrijdag 17.00 uur tot en met zondag;

daarbij brengt de vrouw [minderjarige] op donderdag in de even weken en op woensdag in de oneven weken naar de man, en de man brengt [minderjarige] op zondag in de even weken en op vrijdag in de oneven weken naar de vrouw;

Ook de rechtbank ziet op dit moment geen contra-indicaties voor een uitbreiding van de zorgtaken van de man in de zin dat sprake zal zijn van een zuivere co-ouderschapsregeling, maar de rechtbank vindt het daarbij wel belangrijk dat: a) ouders in staat zijn om met elkaar afspraken te maken over het gedeelde ouderschap, b) de man zijn zorgtaken kan combineren met zijn werk en c) een en ander praktisch uitvoerbaar is gelet op de (toekomstige) woonplaatsen van partijen. Aanpassing van de zorgregeling en alle bijkomende praktische (en financiële) aspecten daarvan, kan onderwerp van gesprek zijn bij mediation.

Toevertrouwing

Voor wat betreft de verzoeken van partijen om [minderjarige] toevertrouwd te krijgen, stelt de rechtbank vast dat partijen dit debat plaatsen in het licht van de toekomstige woonplaats van [minderjarige] . Onderhavige procedure is bedoeld voor het nemen van voorlopige ordemaatregelen en moet los worden gezien van de toekomstige woonplaats van [minderjarige] , Partijen dienen als ouders hierover in overleg te gaan en zich ervoor in te spannen om hierover zelf afspraken te maken. Als zij daar niet in slagen, is het aan de rechtbank om daarover in een bodemprocedure een beslissing te nemen. Deze procedure, gericht op het nemen van voorlopige maatregelen, leent zich daar niet voor.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er wel een beslissing moeten worden genomen rondom toevertrouwing, juist ook omdat de rechtbank op geen enkele wijze vooruit wil lopen op een beslissing die daarover genomen moet worden, door partijen samen te maken of door de rechtbank te geven in een bodemprocedure.

Uitsluitend ingegeven door de omstandigheid dat de rechtbank in deze zaak ook een beslissing neemt over de verdeling van de kosten van [minderjarige] , waarbij ervan uitgegaan wordt dat de alimentatiegerechtigde ouder de ouder is de gerechtigd is tot de kinderbijslag en het kindgebonden budget en dat de vrouw in de berekening wordt beschouwd als de alimentatiegerechtigde ouder, zal de rechtbank beslissen dat [minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd.

Uitsluitend gebruik

Het verzoek tot het uitsluitend gebruik van de woning door de man ligt als niet weersproken en als op de wet gegrond voor toewijzing gereed.

Kinder- en partneralimentatie

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële

draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn

neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Tussen partijen staat vast dat de totale behoefte van [minderjarige] € 990,= per maand bedraagt.

Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van [minderjarige] becijfert de

rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun

draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in

eerder genoemde aanbevelingen.

Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de

volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens. De rechtbank past in de berekeningen de module “onverdeelde woning” toe, aangezien de draagkrachtberekeningen van de man op dit punt niet weersproken zijn.

De vrouw heeft volgens de jaaropgaaf over 2025 een inkomen van € 36.759,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting), en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen (in verband met de omstandigheid dat de man de volledige woonlasten voor zijn rekening neemt, dus ook het deel dat de vrouw dient te dragen gelet op haar eigendomsaandeel in de woning, hetgeen een inkomenselement vormt aan de zijde van de vrouw waarover zij premie ZVW verschuldigd is), Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 5.343,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.348,= per maand.

De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 685,= per maand.

Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.

De man is firmant in een vennootschap onder firma. De draagkracht van de man wordt gerelateerd aan zijn aandeel in de te verwachten beschikbare winst uit onderneming. De man heeft ten aanzien van die winst uit onderneming geen gegevens over 2025, noch een prognose voor 2026 overgelegd. De rechtbank zal bij gebrek aan stukken ten aanzien van de toekomstige winstverwachting een schatting maken en die schatting baseren op de beschikbare gegevens. Vanaf 2022 is er een stijgende lijn in het winstaandeel van de man te weten van € 108.146,= in 2022, naar € 113.950,= in 2023 en € 138.523,= in 2024. In het licht van deze procedure gaat de rechtbank er vanuit dat de man in staat moet zijn om ten minste een winst te generen gelijk aan de winst die hij in 2024 genoot. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man op zitting heeft aangegeven dat hij verwacht in 2025 een vergelijkbare winst behaald te hebben als in 2024. Aldus gaat de rechtbank voor nu uit van een winst van € 138.523,= per jaar.

De rechtbank houdt rekening met de toepasselijke zelfstandigenaftrek, en mkb-winstvrijstelling, de premie lijfrente, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de verschuldigde inkomstenbelasting. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 6.973,= per maand.

De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 2.461,= per maand.

Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van de onderhoudsplichtigen brengt mee dat de man met een deel van 78% (€ 774,= per maand) en de vrouw met een deel van 22% (€ 216,= per maand) moet bijdragen in de hiervoor vastgestelde behoefte van [minderjarige] .

Gelet op de hiervoor vastgestelde zorg- en contactregeling acht de rechtbank een zorgkorting van 25% passend. Nu de behoefte van [minderjarige] € 990,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 248,= per maand. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen

€ 526,= per maand.

Voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw is in beginsel het uitgangspunt

het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De

rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in

2025, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan.

Tussen partijen staat vast dat het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw in 2025 € 2.881,= per maand bedroeg.

Voor het NBI van de man volgt de rechtbank de berekening van vrouw die uitgaat van een winstaandeel van de man in 2025 ter hoogte van € 138.523,=, zijnde de gerealiseerde winst in 2024 die de man, zoals hiervoor is overwogen, geacht wordt ook in 2025 te hebben behaald. Uit de berekening van de vrouw volgt een NBI van de man ter hoogte van € 6.734,= per maand.

Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 2.881,= plus

€ 6.734,= is € 9.615,= per maand. Rekening houdend met de kosten van de [minderjarige] van

€ 990,= per maand bedraagt het aandeel van de vrouw in genoemd netto gezinsinkomen de helft van het resterende bedrag van € 8.625,=, zijnde € 4.313,= per maand. Omdat het voeren van twee gescheiden huishoudens duurder is dan het leven in gezinsverband, wordt bij dit aandeel een percentage van 20 opgeteld, zodat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekent op € 5.176,= netto per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu € 5.414,= netto per maand.

Om te bepalen of, en zo ja, in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een

aanvullende bijdrage van de man, moet op deze huwelijksgerelateerde behoefte in mindering

worden gebracht haar eigen NBI ter hoogte van € 3.348,=. De vrouw heeft dat hele NBI voor zichzelf beschikbaar, omdat zij haar aandeel in de kosten van [minderjarige] volledig uit het aan haar toe te kennen kindgebonden budget kan voldoen. De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt daarmee aldus € 2.066,= netto per maand.

De financiële draagkracht van de man om een bijdrage ten behoeve van de vrouw

te betalen wordt vastgesteld aan de hand van de formule, zoals opgenomen in

eerder genoemde aanbevelingen.

Voor wat betreft het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de onder 3.21. genoemde gegevens en het daaruit volgende NBI van € 6.973,= per maand.

De man heeft bij dat NBI, en rekening houdende met het gegeven dat hij het aandeel van de vrouw in de woonlasten voor zijn rekening neemt, een draagkracht voor partneralimentatie van € 1.921,=. Een deel van die draagkracht dient de man aan te wenden voor zijn aandeel in de kosten van [minderjarige] , te weten een bedrag van € 774,= per maand.

Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle

fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om, naast voormelde

bijdrage voor [minderjarige] , € 1.837,= per maand te voldoen ten behoeve van de vrouw. Daarbij

wordt het fiscale voordeel van de betaling van de bijdrage aan de vrouw ingezet als beschikbare draagkracht (brutering volgens methode Buijs). Dat brengt mee dat het verzoek van de vrouw in zoverre zal worden toegewezen.

Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.

4. De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan [adres]

, en beveelt de vrouw die woning niet te betreden, behalve met instemming van de man;

bepaalt dat de zorgregeling betreffende de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024 als volgt luidt:

in de even weken draagt de vrouw de zorg voor [minderjarige] van maandag tot donderdag 17.00 uur, de man van donderdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, en de vrouw van 17.00 uur tot het einde van de zondag;

in de oneven weken draagt de vrouw de zorg voor [minderjarige] van maandag tot woensdag 17.00 uur, de man van woensdag om 17.00 uur tot vrijdag 17.00 uur en de vrouw van vrijdag 17.00 uur tot en met zondag;

daarbij brengt de vrouw [minderjarige] op donderdag in de even weken en op woensdag in de oneven weken naar de man, en de man brengt [minderjarige] op zondag in de even weken en op vrijdag in de oneven weken naar de vrouw;

bepaalt dat de [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw;

bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van

de [minderjarige] met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op

€ 526,= (vijfhonderdzesentwintig euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij

vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw

met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 1.837,= (duizend achthonderdzevenendertig euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;

verwijst partijen naar het mediationbureau van de rechtbank voor bemiddeling;

verzoekt de advocaat van de partij die de bodemzaak aanhangig maakt op dat moment bij afzonderlijke brief melding te maken van de onderhavige doorverwijzing naar mediation;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van mr. Van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Van der Plas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?