ECLI:NL:RBZWB:2026:2549

ECLI:NL:RBZWB:2026:2549

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 23-02-2026
Datum publicatie 03-04-2026
Zaaknummer C-02-443871 - JE RK 26-46
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

machtiging tot uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/443871 / JE RK 26-46

Datum uitspraak: 23 februari 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. E.M.G. van Nuenen in Hilvarenbeek,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 januari 2026;

de brief van [minderjarige] , ontvangen op 30 januari 2026;

het verweerschrift met bijlagen van mr. Van Nuenen, ontvangen op 5 februari 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft een brief gestuurd en heeft op 6 februari 2026 een gesprek gehad met een collega van de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] in haar brief heeft geschreven en tijdens het kindgesprek heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] woont bij haar moeder.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 november 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 2 juni 2026.

3. Het verzoek

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis dan wel een bestandspleeggezin of een neutraal netwerkgezin te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De GI verzoekt dit verzoekschrift binnen twee weken, dan wel zo spoedig mogelijk, op een zitting te behandelen.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

Namens de GI is in het verzoekschrift en op de zitting het volgende aangevoerd. [minderjarige] zit al langere tijd klem tussen haar ouders. Dit blijkt uit de wisselende en tegenstrijdige verklaringen die zij aflegt bij verschillende hulpverleningsinstanties. Zo heeft [minderjarige] aan de GI te kennen gegeven een 50/50-zorgregeling met beide ouders te wensen, welke uitspraak zij later weer heeft ontkend. Daarnaast heeft zij op enig moment verklaard dat zij door haar vader zou zijn geslagen en dat de GI hier niet op zou hebben gereageerd. Dit was voor de GI een schok, omdat [minderjarige] eerder had aangegeven dat zij meer bij haar vader wilde zijn en dat een 50/50-zorgregeling haar wens was. De GI heeft eerder geen signalen gekregen dat de vader [minderjarige] zou mishandelen en datzelfde geldt voor de andere hulpverlenende instanties, zoals De Gezinsmanager waar [minderjarige] recent een ACT-therapie volgde. De klempositie van [minderjarige] lijkt een uitzonderlijke en zorgelijke uitwerking op haar mentale toestand te hebben. De GI ziet dat [minderjarige] klaar is met de constante strijd tussen haar ouders en het gevoel dat zij tussen hen vast zit. Het lijkt erop dat [minderjarige] een kant aan het kiezen is. Sinds oktober 2025 is [minderjarige] namelijk niet meer naar haar vader gegaan.

Het is noodzakelijk dat [minderjarige] loskomt uit het loyaliteitsconflict en in staat wordt gesteld om onbelast contact te hebben met beide ouders. De GI heeft hier intensief op ingezet, echter zonder resultaat. Alle hulpverlening stagneert en [minderjarige] komt niet tot het ontwikkelen van een eigen identiteit. De mentale druk voor [minderjarige] is op dit moment zo hoog dat haar emotionele toestand in snel tempo achteruit kan gaan. Gelet hierop is de GI van mening dat een uithuisplaatsing de enige maatregel is die nog kan bijdragen aan het doorbreken van het patroon.

Met een uithuisplaatsing voor een korte duur beoogt de GI dat [minderjarige] in een neutrale omgeving wordt geplaatst, waar zij rust en ruimte krijgt om een eigen identiteit en eigen visie te ontwikkelen, zo nodig met ondersteuning van passende hulpverlening. De GI heeft daarbij het voornemen [minderjarige] te plaatsen in een pleeggezin in de nabijheid van haar vertrouwde omgeving, zodat de impact van de maatregel zoveel mogelijk wordt beperkt. Vooralsnog is er geen passende plek beschikbaar. Ook moet het contact van [minderjarige] met haar beide ouders tijdens de uithuisplaatsing nog concreet worden ingevuld en intern worden afgestemd. Gedacht wordt nu aan één uur contact per ouder per week, met de mogelijkheid tot uitbreiding. Ten aanzien van het verzoek van [minderjarige] om een eigen advocaat toegewezen te krijgen die naar haar kan luisteren, is de GI van mening dat dit ondersteunend kan zijn. De GI vindt het wel wenselijk dat dit plaatsvindt naast en in samenhang met de uithuisplaatsing en niet in de plaats daarvan.

Namens en door de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing. De moeder is van mening dat een uithuisplaatsing een zeer ingrijpende maatregel is die, gelet op de huidige situatie van [minderjarige] , niet noodzakelijk is. De maatregel voldoet niet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit en staat bovendien haaks op het zwaarwegende belang van [minderjarige] bij continuïteit, veiligheid en stabiliteit. De nadelige gevolgen voor [minderjarige] wegen niet op tegen het doel dat de GI met de maatregel beoogt. De GI wil dat [minderjarige] op een neutrale plek de ruimte krijgt om een eigen visie en mening te ontwikkelen. De moeder betwist dat de GI over voldoende actuele en inhoudelijke informatie beschikt om te kunnen concluderen dat dit noodzakelijk is. In mei 2025 heeft voor het laatst een inhoudelijk gesprek tussen de GI en [minderjarige] plaatsgevonden. Verder heeft de GI hoofdzakelijk informatie ingewonnen binnen het netwerk van de vader en bijvoorbeeld niet bij de school en dansopleiding van [minderjarige] of bij de familie van de moeder. Volgens de moeder is het verzoek gebaseerd op aannames, onvolledig onderzoek en een eenzijdige uitleg van verklaringen van [minderjarige] , terwijl objectieve aanwijzingen voor een actuele ontwikkelingsbedreiging ontbreken. De GI handelt hiermee onzorgvuldig. Uit recente informatie van school en haar dansopleiding blijkt juist dat [minderjarige] een vrolijk meisje is, dat goed presteert op school, sociale contacten heeft en duidelijk weet wat zij wil en welke toekomst zij voor ogen heeft. De moeder wijst er verder op dat [minderjarige] de afgelopen jaren veel hulpverlening heeft gehad, waarbij zij telkens haar verhaal heeft gedaan en heeft verteld dat haar vader haar slaat, maar zich onvoldoende gehoord voelt. Wanneer zij haar grenzen aangeeft, leidt dit vooral tot uitbreiding van de hulpverlening of tot meer contact met de vader, terwijl zij juist aangeeft dit niet te willen. [minderjarige] voelt zich hierdoor niet serieus genomen. Zij heeft het gevoel dat zij wordt gestraft voor het doen van haar verhaal. Een uithuisplaatsing zou namelijk betekenen dat zij plotseling wordt weggehaald uit haar vertrouwde omgeving, waaronder haar woning, school, sociale contacten en dagelijkse structuur. Voor een twaalfjarige is die stabiliteit juist van groot belang. Volgens de moeder zijn er minder ingrijpende alternatieven beschikbaar. Zo kan er opvoedondersteuning bij de moeder thuis worden ingezet, inclusief observaties. Ook kan eventueel een bijzondere curator worden benoemd, zodat [minderjarige] daadwerkelijk een eigen stem krijgt in de procedure. Hoewel de advocaat van de moeder vraagtekens plaatst bij de vraag of de benoeming van een bijzondere curator de onderliggende problematiek zal oplossen, vindt zij het wel van belang dat [minderjarige] op een passende manier wordt gehoord.

Door de vader is aangegeven dat hij het verzoek van de GI tot een uithuisplaatsing van [minderjarige] ondersteunt. In de afgelopen periode hebben diverse hulpverleningsinstanties zich over de situatie gebogen.

Telkens wanneer in een hulpverleningstraject de kern van de problematiek wordt benoemd, beëindigt de moeder de samenwerking. De moeder beschuldigt de vader bij herhaling van fysiek en verbaal geweld en seksueel wangedrag. De vader is van mening dat [minderjarige] ernstig klem is komen te zitten tussen haar ouders en dat er sprake is van ouderverstoting. [minderjarige] lijkt zich te hebben verbonden aan degene die de meeste druk uitoefent, waardoor de vader steeds verder uit haar leven verdwijnt. De vader ziet dat [minderjarige] sterk wordt beïnvloed door de moeder. In periodes waarin [minderjarige] langere tijd bij de moeder verblijft, wordt zij aangestuurd in een negatieve beeldvorming over de vader, waardoor hij steeds meer uit beeld raakt. Wanneer [minderjarige] niet meewerkt aan het negatief neerzetten van de vader, ervaart zij volgens de vader afwijzing door de moeder. Het handhaven van de huidige contactregeling zal naar de mening van de vader geen verandering in deze situatie brengen. De vader beschouwt een uithuisplaatsing als noodzakelijk en als laatste redmiddel, zodat [minderjarige] kan verblijven in een omgeving waarin zij niet verder wordt beïnvloed in haar beeldvorming over haar ouders en waarin zij de ruimte krijgt om zich vrij en veilig te ontwikkelen.

5. De beoordeling

Juridisch kader

Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Een ondertoezichtstelling gecombineerd met een uithuisplaatsing vormt een inmenging in het door artikel 8 EVRM beschermde familie- en gezinsleven van de ouders. De inmenging is toegestaan indien voldaan is aan de vereisten van artikel 8 lid 2 EVRM. De inmenging moet voorzien zijn bij wet en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Het vereiste van noodzakelijkheid betekent volgens het EHRM dat de maatregel in het licht van de omstandigheden van het geval relevant en adequaat moet zijn voor de doelen die in artikel 8 lid 2 EVRM worden genoemd. De inmenging moet een dringende maatschappelijke behoefte dienen en de maatregel moet proportioneel zijn in het licht van het daarmee beoogde doel. In dat kader heeft het EHRM geoordeeld dat een uithuisplaatsing slechts als laatste redmiddel kan worden toegepast.

Inhoudelijke beoordeling

Het bovenstaande komt er kort gezegd op neer dat een uithuisplaatsing alleen is toegestaan als deze noodzakelijk is en er geen minder ingrijpende alternatieven zijn die hetzelfde doel kunnen bereiken. De GI heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig wordt bedreigd doordat zij klem zit tussen haar ouders. [minderjarige] heeft sinds oktober 2025 geen contact meer met haar vader en de tot nu toe ingezette hulpverlening stagneert. De GI ziet een uithuisplaatsing als laatste redmiddel. Volgens de GI zal een plaatsing in een pleeggezin [minderjarige] rust en ruimte bieden en kan zij zo een eigen identiteit en eigen visie ontwikkelen, wat zal bijdragen aan een onbelast contact met beide ouders.

De kinderrechter stelt voorop dat op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat een uithuisplaatsing daadwerkelijk tot het door de GI beoogde resultaat zal leiden. Dat het wonen van [minderjarige] in een neutrale omgeving haar automatisch rust en ruimte biedt en dat dit positief zal uitwerken voor haar, is onvoldoende concreet onderbouwd. De kinderrechter vindt de kans reëel dat een uithuisplaatsing juist een averechts effect op [minderjarige] zal hebben. Een uithuisplaatsing is een zeer ingrijpende maatregel die het dagelijkse leven van [minderjarige] volledig overhoop zal gooien. Het risico bestaat dat de weerstand bij [minderjarige] dan verder toeneemt en dat haar loyaliteitsgevoelens worden versterkt. [minderjarige] heeft bovendien aangegeven behoefte te hebben aan één leefwereld in plaats van twee. Een uithuisplaatsing zou feitelijk een derde leefomgeving creëren, waardoor juist de kans bestaat dat de spanningen voor [minderjarige] eerder groter zullen worden dan zullen verminderen. Daarbij komt dat het voor het welzijn van [minderjarige] belangrijk is dat zij ook tijdens een uithuisplaatsing contact kan hebben met haar beide ouders. Dit zal tot gevolg hebben dat de door de GI gesignaleerde negatieve beïnvloeding van [minderjarige] tijdens een uithuisplaatsing niet volledig kan worden uitgesloten. Het volledig blokkeren van het contact met de ouders vindt de kinderrechter op dit moment echter niet wenselijk voor [minderjarige] en ook veel te verstrekkend.

Alles afwegende is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing waarom de GI verzoekt niet voldoet aan de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit. De kinderrechter onderschrijft de zorgen van de GI over de omstandigheid dat [minderjarige] al enkele maanden geen contact heeft met haar vader en over de mate waarin zij klem zit tussen haar ouders. Een uithuisplaatsing is echter een spreekwoordelijke brug te ver. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is besproken blijkt geenszins dat de moeder [minderjarige] niet goed zou verzorgen en opvoeden. In de door de moeder overgelegde stukken van de school en dansschool van [minderjarige] wordt zij beschreven als een vrolijk meisje dat goed haar best doet. De ontstane ontwikkelingsbedreiging vloeit in belangrijke mate voort uit de voortdurende spanningen tussen de ouders van [minderjarige] . Het is niet in het belang van [minderjarige] dat zij de gevolgen daarvan zal dragen in de vorm van een uithuisplaatsing. De door de GI verwachte meerwaarde van een uithuisplaatsing weegt naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende op tegen de ingrijpende gevolgen van een dergelijke plaatsing, waarbij [minderjarige] uit haar vertrouwde en stabiele omgeving zou worden gehaald. Stabiliteit en continuïteit in haar opvoedsituatie wegen in de huidige omstandigheden zwaarder. Daarbij neemt de kinderrechter mede in aanmerking dat er geen concrete passende plaatsing in de nabijheid van [minderjarige] huidige verblijfplaats beschikbaar is. Het risico dat de maatregel niet het beoogde effect heeft maar juist verdere schade veroorzaakt, vindt de kinderrechter te groot. Daarnaast is de kinderrechter er niet van overtuigd dat de andere mogelijkheden voor de GI om de ontwikkelingsbedreiging te verminderen volledig zijn uitgeput. De kinderrechter acht gezien het voorgaande een uithuisplaatsing niet noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en wijst het verzoek van de GI daarom af.

De kinderrechter geeft de GI mee dat [minderjarige] duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat zich niet gehoord voelt en behoefte heeft aan iemand die daadwerkelijk naar haar luistert. [minderjarige] heeft de kinderrechter gevraagd of zij een eigen advocaat kan krijgen.

Omdat [minderjarige] aangeeft dat zij vooral behoefte heeft aan iemand die naar haar luistert, vindt de kinderrechter de inzet van een bijzondere curator dan wel een advocaat op dit moment minder passend. Deze professionals zijn veelal beperkt in tijd en kader, waardoor onvoldoende ruimte bestaat om een vertrouwensband met [minderjarige] op te bouwen.

Een kindbehartiger beschikt over meer tijd en ruimte om contact met [minderjarige] te onderhouden, vertrouwen te laten ontstaan en haar daadwerkelijk de gelegenheid te bieden haar gevoelens, gedachten en wensen te uiten. De kinderrechter schat in dat een kindbehartiger daarom beter past bij de huidige behoefte van [minderjarige] . De kinderrechter geeft de GI in overweging voor [minderjarige] hulpverlening in te zetten in de vorm van een kindbehartiger.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek van de GI af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Busselaar als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Busselaar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?