Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-812524-18
Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 3 april 2026 met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:
[betrokkene] ,
geboren te [plaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1959,
verblijvende bij [kliniek] ,
hierna: betrokkene,
raadsman mr. F.J. Koningsveld, advocaat te Breda.
1. Inleiding
Bij vonnis van deze rechtbank van 24 mei 2019 is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar met aftrek van het voorarrest en tbs met verpleging van overheidswege voor een verkrachting en twee aanrandingen van minderjarige meisjes.
De rechtbank constateert dat het hier gaat om misdrijven als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De termijn van de tbs is aangevangen op 26 maart 2020 en laatstelijk bij beslissing van deze rechtbank van 5 april 2024 verlengd met twee jaar.
2. Procesverloop
De rechtbank heeft op 5 februari 2026 van het Openbaar Ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de tbs met verpleging met twee jaar. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel toegezonden.
De vordering is op de openbare zitting van 20 maart 2026 behandeld. De officier van justitie mr. P. Emmen is gehoord. Tevens is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. F.J. Koningsveld, advocaat te Breda. Voorts is als deskundige gehoord de heer [psychiater] , psychiater en behandelaar bij [kliniek] .
3. Advies instelling
De tbs-instelling heeft in het rapport van 29 december 2025 geadviseerd de tbs te verlengen met twee jaar.
De tbs-instelling heeft daartoe aangevoerd dat er bij betrokkene sprake is van neurocognitieve schade en een licht verstandelijke beperking die maken dat betrokkene zijn antisociale gedrag niet zelfstandig kan aanpassen en zichzelf niet kan begrenzen. Hij heeft een gebrekkige impulscontrole en door zijn geheugenproblemen is hij beperkt leerbaar. Er is beperkt ziektebesef aanwezig. Risicofactoren zijn hierdoor nauwelijks bewerkbaar. Onder de huidige gecontroleerde omstandigheden is het middelengebruik in remissie en door de constante externe begrenzing loopt het gedrag van betrokkene niet uit de hand. Hij heeft echter constant het behandelteam nodig om zijn gedrag binnen de kliniek te kunnen beheersen. Het risico op recidive is bij ontslag dan ook onverminderd hoog en er blijft een langdurige noodzaak aan intensieve begeleiding en ondersteuning.
Het voorgenomen traject is om betrokkene toe te leiden naar een forensische voorziening met een passend beveiligings- en zorgniveau. Betrokkene is al op diverse plekken aangemeld, maar wordt telkens afgewezen vanwege zijn complexe problematiek. De kliniek onderzoekt de mogelijkheden om hem opnieuw aan te melden bij voorzieningen waar hij reeds is afgewezen. Inmiddels heeft de kliniek betrokkene goed in beeld en kan de kliniek op basis van ervaring met hem redenen voor afwijzing weerleggen. Voor een zorgvuldige afwikkeling van het traject is nog minimaal twee jaar nodig.
Ter zitting heeft de deskundige [psychiater] daaraan toegevoegd dat bij een verdere achteruitgang van de medische toestand van betrokkene een verpleeghuis uiteindelijk passender wordt, te meer omdat dan ook het mogelijke gevaar zal afnemen. Daarvan is echter momenteel nog geen sprake aangezien het gevaar op herhaling nog te groot is. Dit geldt ook voor andere alternatieven zoals bijvoorbeeld een psychogeriatrische afdeling binnen de GGZ. De deskundige verwacht ook niet dat dit over een jaar anders zal zijn, maar heeft daarbij wel aangegeven dat dit niet helemaal te voorspellen is.
Betrokkene was aangemeld voor een nieuw forensisch verzorgingstehuis in [plaats] , maar er is geen zicht op of die afdeling er daadwerkelijk gaat komen en zo ja wanneer.
4. Standpunt van partijen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting de vordering aangepast in die zin dat de tbs slechts verlengd dient te worden met één jaar om op die manier een vinger aan de pols te houden. Er kan dan worden gekeken of er na een jaar wel andere mogelijkheden zijn voor betrokkene of dat de verzorging van betrokkene inmiddels belangrijker is geworden dan het benodigde beveiligingsniveau.
Het standpunt van de verdediging
Betrokkene en de raadsman hebben zich niet verzet tegen verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met één jaar.
5. Beoordeling
De tbs kan slechts worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de tbs eist. Het recidivegevaar moet nog aanwezig zijn en dient voort te vloeien uit een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Gelet op het advies van de tbs-instelling wordt nog steeds voldaan aan dit wettelijke criterium.
Uitgangspunt is dat de tbs-maatregel moet worden verlengd met een termijn van twee jaar als aannemelijk is dat de behandeling en resocialisatie van de betrokkene in het bestaande juridische kader meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die nog resteert bij een verlenging van de tbs met een termijn van één jaar.
In het geval van betrokkene is de verwachting niet (meer) dat behandeling en resocialisatie in het tbs-kader kunnen slagen, maar wel is langdurige, intensieve begeleiding en ondersteuning nodig met een passend beveiligingsniveau. Op enig moment zal de verzorging van betrokkene meer op de voorgrond komen te staan en kan het beveiligingsniveau mogelijk worden verlaagd. Het is niet in te schatten wanneer deze situatie zich zal gaan voordoen. Om deze reden zal de rechtbank de ter zitting aangepaste vordering van de officier van justitie om de tbs met één jaar te verlengen volgen en de tbs met verpleging van overheidswege van betrokkene verlengen met één jaar.
De rechtbank overweegt daarbij dat de verlenging met één jaar niet impliceert dat de maatregel over een jaar voorwaardelijk zal worden beëindigd, maar dat op dat moment een hernieuwde beoordeling zal plaatsvinden.
6. Beslissing
De rechtbank:
verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met 1 (één) jaar.
Deze beslissing is genomen door mr. A.L. Hoekstra, voorzitter, mr. R. Combee
en mr. R. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. van de Vrede, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 april 2026.