Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-271048-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 april 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2007 te [geboorteplaats] (Eritrea),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsvrouw mr. A. Kortrijk, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. P. Emmen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van een bestelbus een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor een fietser zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel dat verdachte door zijn rijgedrag gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte wist dat hij op een drukke oversteekplaats reed. Naar de mening van de officier van justitie heeft verdachte zich niet gedragen zoals je dat van een gemiddelde bestuurder in de gegeven verkeerssituatie mag verwachten. Gelet daarop heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gereden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde en heeft verzocht verdachte vrij te spreken.
Naar de mening van de verdediging heeft verdachte geprobeerd zo goed mogelijk over de oversteekplaats te komen, welke oversteekplaats door deskundigen ook als onvoldoende veilig wordt aangemerkt. Hij is eerst gestopt en heeft fietsers voor laten gaan. Hij zag dat hij voor de voetgangers langs kon en zag dat er schoonmaakwerkzaamheden gaande waren, maar heeft de fietser over het hoofd gezien. Uit dit geheel van feiten en omstandigheden volgt volgens de verdediging niet dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 dan wel dat hij gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
Verdachte reed op 11 april 2025 als bestuurder van een bestelbus in Breda over de Delpratsingel richting de Academiesingel ter hoogte van de voetgangers- en fietsersoversteekplaats van het Valkenbergpark naar de Willemstraat.
Rijdend over de Delpratsingel bestaat deze oversteekplaats uit een fietspad, daarna een zebrapad en vervolgens nog een fietspad.
De rechtbank stelt vast dat de betreffende kruising een overwegend druk en onoverzichtelijk kruispunt betreft met zowel voetgangers als fietsers die de Delpratsingel oversteken. Verdachte was bekend met dit kruispunt en hij was daar dus van op de hoogte.
De rechtbank stelt ook vast dat verdachte eerst is gestopt voor de haaientanden op de weg, welke voorafgaan aan genoemde oversteekplaats.
Verdachte heeft vervolgens de keuze gemaakt om de voetgangersoversteekplaats op te rijden. Niet is gebleken met welke snelheid verdachte reed. Wel staat vast dat hij daarbij met enige snelheid heeft opgetrokken, kennelijk om de overstekende voetgangers – die zich nog op de weghelft voor tegemoet komend verkeer bevonden – voor te blijven. Op het vanuit verdachte bezien tweede fietspad stak het [slachtoffer] de Delpratsingel over. [slachtoffer] reed daarbij met zijn fiets op een voorrangsfietspad. Verdachte is tegen [slachtoffer] aan gereden. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte pas heeft geremd toen hij [slachtoffer] raakte. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het feit dat verdachte pas remde toen hij [slachtoffer] raakte, dat verdachte [slachtoffer] niet heeft zien aankomen, zoals verdachte zelf ook kort na het feit heeft verklaard.
Primair – schuld in de zin van artikel 6 WVW
De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of verdachte door zijn gedragingen schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW en zo ja, in welke mate.
Bij de beoordeling daarvan komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van de verkeersovertreding(en) en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Van schuld is sprake wanneer de verdachte zich roekeloos, dan wel in hoge of aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Het rijgedrag van verdachte moet daarvoor worden afgezet tegen dat wat van de gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht.
De rechtbank overweegt dat de verkeersomstandigheden ter hoogte van het desbetreffende kruispunt extra voorzichtigheid en oplettendheid vereisen. Verdachte heeft verklaard dat hij bekend was met het kruispunt en daar vaak heeft gereden. Desondanks is verdachte toch het kruispunt overgestoken zonder zich er voldoende van te vergewissen of de kruising vrij was van verkeer en zonder zijn snelheid zodanig aan te passen dat hij kon anticiperen op naderend overstekend verkeer.
Dit heeft ertoe geleid dat verdachte geen voorrang heeft verleend aan [slachtoffer] , die met zijn fiets van rechts kwam en op een voorrangsfietspad fietste. Verdachte heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van hem als gemiddeld bestuurder mag worden verwacht. Op grond van het hiervoor omschreven rijgedrag van verdachte staat voor de rechtbank vast dat het verkeersongeval aan zijn schuld is te wijten, zoals bedoeld in artikel 6 WVW. Naar het oordeel van de rechtbank is het verkeersgedrag van verdachte aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend.
Letsel slachtoffer
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel wegen in ieder geval factoren mee als de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
De rechtbank stelt vast dat er bij [slachtoffer] als gevolg van het ongeval sprake was van uitgebreid hersenletsel, waaronder bloedingen in hersenen, twee breuken in de ruggenwervels en een gebroken rib. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt de conclusie dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en daarmee schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het primair ten laste gelegde feit is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
primair op 11 april 2025 te Breda, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een bestelbus), daarmede rijdende over de weg, de Delpratsingel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,
in onvoldoende mate op de voor hem en naast hem gelegen weggedeelten van die weg en op overige verkeersdeelnemers te letten en
onvoldoende zijn snelheid aan te passen bij het passeren van een voetgangersoversteekplaats en het benaderen van de kruising met een voorrangsfietspad en
geen voorrang te verlenen aan een voor hem, verdachte, van rechts komende fietser,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten uitgebreid hersenletsel (bloedingen in hersenen) en 2 breuken in de ruggenwervels en een gebroken rib werd toegebracht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd gericht op de strafmaat.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 11 april 2025 schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval. Nadat hij met zijn bestelbus een onoverzichtelijke kruising met zowel een zebrapad als kruisende fietspaden was opgereden heeft hij aanmerkelijk onoplettend een daar overstekende fietser geschept. Het [slachtoffer] heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder bloedingen in de hersenen. Uit de verklaring van [slachtoffer] in juni 2025 volgt dat er na het ongeluk sprake was van een levensbedreigende situatie. De artsen gaven aan dat zij pas na een jaar zouden kunnen bepalen of [slachtoffer] blijvend letsel aan het ongeval overhoudt. [slachtoffer] kon ten tijde van zijn verklaring niet meer autorijden en fietsen. Hij sliep slecht en was angstig als hij niet wist waar hij ’s nachts was. Door de angsten en vermoeidheid ging het praten slecht en het lopen moeizaam. Hij kon geen hobby's meer uitoefenen en was een deel van zijn leven kwijt.
Persoonlijke omstandigheden
Verdachte is niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest.
Het ongeval heeft veel indruk op hem gemaakt en hij heeft veel voor het herstel van het slachtoffer gebeden. Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat hij zijn baan als pakketbezorger heeft opgezegd vanwege onderhavig feit. Hij gebruikt zijn rijbewijs nog enkel om zijn moeder weg te brengen.
Verdachte heeft ter zitting zijn spijt betuigd aan het slachtoffer, hetgeen op de rechtbank oprecht overkomt.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank allereerst aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een aanmerkelijke mate van schuld. Bij deze mate van schuld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, geldt als oriëntatiepunt een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie een passende sanctie is en legt de rechtbank aan verdachte op een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van zes maanden.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een
ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;
Bijkomende straffen
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. de Jong, voorzitter, en mr. R. Combee en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. van de Vrede, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 april 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
primair hij op of omstreeks 11 april 2025 te Breda, althans in Nederland,als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een bestelbus),daarmede rijdende over de weg, de Delpratsingel,zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
niet, althans in onvoldoende mate op de voor hem en naast hem gelegen weggedeelten van die weg en/of op overige verkeersdeelnemers te letten en/of
onvoldoende zijn snelheid aan te passen bij het benaderen en/of passeren van een voetgangersoversteekplaats en/of de kruising met een voorrangsfietspad, althans niet de snelheid van dat door hem, bestuurde motorrijtuig zodanig te regelen dat hij in staat was zijn motorrijtuig onder controle te houden en/of tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien is en/of
geen voorrang te verlenen aan een voor hem, verdachte, van rechts komende fietser, althans heeft hij, verdachte, een fietser niet voor laten gaan;
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten uitgebreid hersenletsel (bloedingen in hersenen) en/of 2 breuken in de ruggenwervels en/of een gebroken rib, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair hij op of omstreeks 11 april 2025 te Breda, althans in Nederland,als bestuurder van een voertuig (bestelbus), daarmee rijdende op de weg, de Delpratsingel, niet, althans in onvoldoende mate op de voor hem en naast hem gelegen weggedeelten van die weg en/of op overige verkeersdeelnemers heeft gelet en/of
onvoldoende zijn snelheid aangepast bij het benaderen en/of passeren van een voetgangersoversteekplaats en/of de kruising met een voorrangsfietspad, althans niet de snelheid van dat door hem, bestuurde motorrijtuig zodanig geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig onder controle te houden en/of tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien is en/of
geen voorrang verleend aan een voor hem, verdachte, van rechts komende fietser, althans heeft hij, verdachte, een fietser niet voor laten gaan, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.