Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-225536-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 april 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] , [geboorteland] , op [geboortedag] 1987,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] (Polen),
raadsman mr. M. van der Bent, advocaat te Middelburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. R. In ‘t Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, primair op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen dan wel dat hij subsidiair gevaar op de weg heeft veroorzaakt.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het verkeersongeval heeft veroorzaakt door geen gehoor te geven aan de rijrichting op een voorsorteerstrook, over een verdrijvingsvlak te rijden en een U-bocht heeft gemaakt zonder voorrang te verlenen. Als gevolg van het handelen van verdachte is hij in botsing geraakt met [slachtoffer] , die hier zwaar lichamelijk letsel aan heeft overgehouden. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het primair ten laste gelegde. De officier van justitie gaat uit van de laagste schuldgradatie, namelijk dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair ten laste gelegde feit. Het maken van de U-bocht betreft een beoordelingsfout. Deze enkele verkeersfout levert zonder bijkomende (causale) omstandigheden geen schuld op in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit voert de verdediging geen bewijsverweer en refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Als hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststelling feiten
Op 23 februari 2023 reed verdachte op de Herberth H. Dowweg te Hoek in de richting van de Lovenweg. Hij reed in een bestelauto van het merk Skoda met het [kenteken 1] . Achter hem reed zijn [collega] . Op diezelfde weg reed ook het latere slachtoffer [slachtoffer] . Hij reed op een motor met [kenteken 2] . Bij de kruising van de Herberth H. Dowweg bestaat de weg uit twee rijstroken. De linkerrijstrook is voor verkeer dat rechtdoor gaat. De rechterrijstrook is voor verkeer dat naar rechts afslaat. In het wegdek zijn bij beide rijstroken drie detectielussen aangebracht. Op de weg is een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur toegestaan.
Verdachte kwam op enig moment tot de ontdekking dat hij verkeerd was gereden en besloot zijn voertuig te keren door middel van het maken van een U-bocht bij de kruising met verkeerslichten op de Herberth H. Dowweg. Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat verdachte ter hoogte van de eerste detectielus op de linker rijbaan reed. Ter hoogte van de tweede en derde detectielus reed hij op de rechterrijbaan. Dit komt overeen met de verklaring van verdachte dat hij de door hem voorgenomen U-bocht zo ruim en vloeiend mogelijk wilde maken.
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij het uitvoeren van de bijzondere verkeersmanoeuvre (het maken van een U-bocht) geen gevolg heeft gegeven aan de op de rijstrook en verkeerslichten voorgeschreven rijrichting. Daarnaast is hij over een verdrijvingsvlak gereden. Vervolgens is verdachte in aanrijding gekomen met de motor van [slachtoffer] , die in dezelfde richting op de linkerrijstrook reed. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich tijdens het uitvoeren van de U-bocht onvoldoende heeft vergewist of de weg hiervoor vrij was en geen voorrang heeft verleend aan [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft aan het verkeersongeval letsel overgehouden, namelijk meerdere botbreuken en kneuzingen en een beschadigde blaas.
Beoordeling artikel 6 Wegenverkeerswet
Aan zijn schuld te wijten
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van artikel 6 van de WVW is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Het komt hierbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Als de schuld wordt vastgesteld kan deze, in juridische zin, bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een enkele beoordelingsfout. Zoals hierboven vastgesteld heeft verdachte meerdere verkeersovertredingen begaan. Nadat verdachte tot de ontdekking kwam dat hij verkeerd was gereden, heeft hij geprobeerd zijn voertuig te keren bij de kruising met verkeerslichten door middel van een U-bocht. Om te beginnen stelt de rechtbank vast dat het maken van een U-bocht op de door verdachte gekozen plek niet was toegestaan. Daarbij komt dat hij om deze bijzondere verkeersmanoeuvre te maken op de rijbaan voor recht afslaand verkeer is gaan rijden. Hiermee wekte verdachte bij andere verkeersdeelnemers de indruk dat hij rechtsaf zou slaan. Verdachte heeft dus niet de voorgeschreven rijrichting van beide rijstroken (rechtdoor en rechtsaf) gevolgd en is over een verdrijvingsvlak gereden, hetgeen ook niet toegestaan is. Hij heeft vervolgens de U-bocht ingezet zonder voorrang te verlenen aan de achteropkomende motorrijder [slachtoffer] . Bij het verrichten van een bijzondere verkeersmanoeuvre, zoals een U-bocht, mag van een verkeersdeelnemer worden verwacht dat hij er extra alert op is dat hij hiermee het andere verkeer niet hindert. Van deze veronderstelde alertheid is bij verdachte niet gebleken. Verdachte heeft immers niet gezien dat [slachtoffer] van achteren kwam aangereden. Hij heeft zich er onvoldoende van vergewist dat de rijbaan vrij van verkeer was. De rechtbank acht het voorstelbaar dat het zicht van verdachte tijdens het uitvoeren van de U-bocht ook niet optimaal is geweest, doordat kort achter hem zijn collega reed in een busje. Daarnaast had verdachte rekening moeten houden met de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. Bij dergelijke snelheden is het voor andere weggebruikers lastig te anticiperen op bijzondere of afwijkende verkeersmanoeuvres. De rechtbank acht bewezen dat verdachte met dit samenstel van gedragingen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, waardoor hij in aanrijding is gekomen met [slachtoffer] . Het verkeersongeval is daarom aan de schuld van verdachte, als bedoeld in artikel 6 van de WVW, te wijten.
Zwaar lichamelijk letsel
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er door het verkeersongeval letsel is ontstaan dat is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.
Als algemene uitgangspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel (als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht) sprake is, kunnen worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Na de botsing is het slachtoffer per ambulance overgebracht naar het ziekenhuis. In het ziekenhuis is geconstateerd dat het slachtoffer de volgende letsels heeft opgelopen: kaak gekneusd, linker schouder- en beide handen gekneusd, rechterpols gekneusd, linker onderarm gebroken, gespleten schaambeen, blaas beschadigd, onderbeen en scheenbeen op meerdere plaatsen- en kuitbeen op één plaats gebroken. De geschatte hersteltijd bedraagt twee jaar en er is operatief ingegrepen. Daarnaast houdt het slachtoffer blijvende littekens. De rechtbank is van oordeel dat het letsel gelet op de aard en de gevolgen daarvan, moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 23 februari 2025 te Hoek alsverkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmederijdende over de weg, de Herbert H. Dowweg zich zodanig heeft gedragen dat eenaan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,- gekomen bij een kruising met verkeerslichten en voorsorteerstroken -geen gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod inhouden, immers heeft hij, verdachte, niet de richting gevolgd die devoorsorteerstrook waarop hij zich bevond aangaf, en over een verdrijvingsvlakgereden, enzonder zich er voortdurend en voldoende van te vergewissen dat de weg welkeverdachte wilde afleggen vrij was bij het maken van een u-bocht geen voorrang teverlenen aan een voor hem, verdachte, van achterop komende motorrijderwaardoor hij, verdachte, in botsing/aanrijding is gekomen met voornoemdemotorrijder en diens motor,waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weteneen (op meer plaatsen) gebroken bekken en een gekneusde kaak en gekneusde handen en rechter pols en linker schouder en een gebrokenlinker onderarm en een gespleten schaambeen en een beschadigde blaasen een gebroken onderbeen en scheenbeen en kuitbeen werd toegebracht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie houdt bij het bepalen van de strafeis rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de mate van schuld aan het verkeersongeval en de schuldbewuste houding van verdachte op zitting. De officier van justitie vordert oplegging van een geldboete van € 1.500,00 te vervangen door 15 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Een taakstraf is voor verdachte niet uitvoerbaar, omdat hij woonachtig is in Polen. Als hij in Nederland is, werkt hij lange dagen. Ook heeft verdachte voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden een rijbewijs nodig. De verdediging verzoekt daarom een ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval. Hij heeft als bestuurder van zijn auto aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden door een U-bocht te maken op een plaats waar dat niet is toegestaan. Verdachte heeft rijgedrag vertoond dat verwarrend was voor de overige verkeersdeelnemers. Verdachte heeft geen gevolg te geven aan de op de weg en door de verkeerslichten aangegeven rijrichting en gereden over een verdrijvingsvlak en een U-bocht gemaakt terwijl hij geen voorrang heeft gegeven aan de achteropkomende motorrijder. Verdachte is daardoor in aanrijding gekomen met de motor van [slachtoffer] , waardoor [slachtoffer] ten val is gekomen. Als gevolg van de botsing heeft het slachtoffer fors letsel opgelopen. Door het letsel moet het slachtoffer een lange tijd revalideren en heeft hij blijvende littekens. Het is vanzelfsprekend dat de botsing veel impact heeft op het leven van het slachtoffer.
Verdachte is zich er goed van bewust dat zijn handelen grote en vervelende gevolgen heeft op het leven van [slachtoffer] . Verdachte is schuldbewust en geschrokken van het ongeval. Door de stress en spanning die het ongeval met zich mee heeft gebracht, gebruikt verdachte nu medicatie en is hem aangeraden psychologische hulp te zoeken. Verdachte is nog voorzichtiger en bewuster geworden in het verkeer. Uit het strafblad van verdachte van 9 februari 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor verkeersovertredingen en ook na het ongeval is verdachte niet opnieuw de fout ingegaan. De rechtbank gaat er gelet op deze omstandigheden vanuit dat er sprake is geweest van een incident en zal hier rekening mee houden bij het bepalen van de straf. Ook weegt de rechtbank de schuldbewuste en meewerkende houding van verdachte ten voordele mee.
De rechtbank is van oordeel dat er redenen zijn om van de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS) af te wijken. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte is een taakstraf lastig uitvoerbaar. De rechtbank acht het passend om aan verdachte een flinke geldboete op te leggen. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat er sprake is van een incident. De rechtbank acht hierbij een stevige waarschuwing in de zin van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden. De rechtbank ziet geen redenen om af te wijken van de eis van de officier van justitie en volgt deze. De rechtbank zal aan verdachte een geldboete van € 1.500,00 te vervangen door 15 dagen hechtenis opleggen. Betaling in termijnen is hierbij toegestaan. Daarnaast zal aan verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar worden opgelegd.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 23, 24a, 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het primair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1.500,00 (zegge: duizendvijfhonderd euro);
- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 dagen;
- bepaalt dat het deze geldboete mag worden betaald in 3 maandelijkse termijnen van elk € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro);
Bijkomende straffen
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Boogert, voorzitter, en mrs. G.H. Nomes en L.E. Verschoor-Bergsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 april 2026.
Mr. Nomes en mr. Verdult zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 23 februari 2025 te Hoek, gemeente Terneuzen, alsverkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmederijdende over de weg, de Herbert H. Dowweg zich zodanig heeft gedragen dat eenaan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, inelk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- gekomen bij een kruising met verkeerslichten en voorsorteerstroken -geen gevolg te geven aan (een) verkeersteken(s) die/dat een gebod of verbodinhoud(t)(en), immers heeft hij, verdachte, niet de richting gevolgd die devoorsorteerstrook waarop hij zich bevond aangaf, en/of over een verdrijvingsvlakgereden, en/ofzonder zich er voortdurend/voldoende van te vergewissen dat de weg welkeverdachte wilde afleggen vrij was bij het maken van een u-bocht geen voorrang teverlenen aan een voor hem, verdachte, van achterop komende motorrijderwaardoor hij, verdachte, in botsing/aanrijding is gekomen met voornoemdemotorrijder en/of diens motor,waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weteneen (op meer plaatsen) gebroken bekken en/of een gekneusde kaak en/of eengekneusde handen en/of rechter pols en/of linker schouder en/of, een gebrokenlinker onderarm en/of een gespleten schaambeen en/of een beschadigde blaasen/of een gebroken onderbeen en/of scheenbeen en/of kuitbeen, of zodaniglichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in deuitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 februari 2025 te Hoek, gemeente Terneuzen, als bestuurdervan een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Herbert H.Dowweg,- gekomen bij een kruising met verkeerslichten en voorsorteerstroken -geen gevolg heeft gegeven aan (een) verkeersteken(s) die/dat een gebod of verbodinhoud(t)(en), immers heeft hij, verdachte, niet de richting gevolgd die devoorsorteerstrook waarop hij zich bevond aangaf, en/of over een verdrijvingsvlakgereden, en/ofzonder zich er voortdurend/voldoende van heeft vergewist dat de weg welkeverdachte wilde afleggen vrij was bij het maken van een u-bocht geen voorrangheeft verleend aan een voor hem, verdachte, van achterop komende motorrijderwaardoor hij, verdachte, in botsing/aanrijding is gekomen met voornoemdemotorrijder en/of diens motor;( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )