RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-162885-25
Parketnummer (TUL): 02-299605-20
Vonnis van de meervoudige kamer van 8 april 2026
in de strafzaak tegen verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1]
,
raadsman mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 maart 2026, waarbij officier van justitie mr. J. Verschuren en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging met bovenvermeld parketnummer behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Feit 1: opzetaanranding door aangeefster en zichzelf te ontkleden, op haar ontblote onderlichaam te gaan zitten en op haar lichaam klaar te komen.
Feit 2: huisvredebreuk door de woning van aangeefster binnen te dringen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat dat beide feiten kunnen worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Opgave bewijsmiddelen
Aangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en geen vrijspraak is bepleit, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
Het proces-verbaal van aangifte, pagina’s 39 t/m 50 van [zaakdossier] , inhoudende de verklaring van [aangeefster] ;
Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 21 t/m 34 van [zaakdossier] , inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd op 3 februari 2025 komt niet geheel overeen met zijn verklaring ter terechtzitting. De rechtbank gaat uit van de verklaring van verdachte zoals hij die bij de politie heeft afgelegd. Die verklaring is dermate specifiek en gedetailleerd dat de rechtbank geen reden heeft om daaraan te twijfelen. Bovendien is die verklaring ruim een jaar eerder afgelegd dan de verklaring van verdachte ter terechtzitting.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1op 14 augustus 2024 te [plaats] , met een persoon, te weten [aangeefster] seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het klaarkomen op de schaamsteek en buik, en- het ontkleden van die [aangeefster] , en- het ontkleden van zichzelf, en- het met een ontbloot onderlichaam zitten op de ontblote bovenbenen van die [aangeefster]terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld, door- het voorbijgaan aan haar verbale en non-verbale protesten, en
- het zitten op de benen van die [aangeefster] ;
2op 14 augustus 2024 te [plaats] , in de woning aan [adres 2] te [plaats] bij een ander, te weten bij [aangeefster] , wederrechtelijk is binnengedrongen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar in plaats daarvan een forse taakstraf en forse voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding en huisvredebreuk door via een raam de woning van zijn ex-partner, tevens de moeder van zijn zoon, te betreden, haar mee naar haar slaapkamer te trekken en haar en zichzelf te ontkleden. Vervolgens is hij boven op haar gaan zitten, heeft hij zichzelf afgetrokken en is hij op haar lichaam klaargekomen. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen seksuele behoeften. Hij heeft niet stilgestaan bij de gevoelens van en gevolgen voor het slachtoffer. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. In het algemeen geldt dat seksueel grensoverschrijdend gedrag ernstige en langdurige gevolgen kan hebben voor slachtoffers. Bovendien gebeurde dit in de slaapkamer van het slachtoffer, bij uitstek de plek waar zij zich veilig had moeten kunnen voelen.
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 16 februari 2026, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor huisvredebreuk.
Reclassering Nederland heeft op 20 maart 2026 een rapport opgemaakt over verdachte. Hieruit volgt onder meer dat er geen maatschappelijke problemen naar voren komen. Tijdens een eerder reclasseringstoezicht heeft verdachte zijn leven gestabiliseerd, werd hulpverlening opgezet en is er grote vooruitgang geboekt. Verdachte heeft na een begeleid woontraject een huurwoning gekregen, beschikt over een inkomen en er loopt schuldsanering. Momenteel is er begeleiding vanuit [hulpverlening] op psychosociaal gebied en door de gemeente via een jobcoach. Tijdens het bewezenverklaarde was bij verdachte sprake van agressie-regulatie problematiek in combinatie met middelengebruik (whisky). Dit heeft waarschijnlijk invloed gehad op zijn keuzes en impulscontrole. Daarnaast werd in het verleden een verminderd cognitief vermogen gediagnosticeerd. De reclassering sluit niet uit dat verdachte moeite heeft met het inschatten van bepaalde situaties en het overzien van de gevolgen van zijn handelen. De reclassering heeft onvoldoende inzicht gekregen in mogelijke seksuele problematiek. Er lijkt sprake te zijn geweest van een (seksuele) impulsdoorbraak.
Gelet op de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet in dit specifieke geval echter reden om hiervan af te wijken en zal aan verdachte een taakstraf opleggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Uit het reclasseringsrapport volgt dat het leven van verdachte tijdens het reclasseringstoezicht is gestabiliseerd en dat er grote vooruitgang is geboekt. Een gevangenisstraf zou de ingezette hulpverlening doorkruisen en zou er daarnaast voor zorgen dat verdachte alles wat is opgebouwd, kwijtraakt. Verder heeft het slachtoffer, tevens de moeder van hun zoon, aangegeven dat ze niet wil dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd. Een gevangenisstraf zou negatieve gevolgen hebben voor en de verhoudingen verstoren met het slachtoffer en hun zoon.
De rechtbank stelt vast dat opzetaanranding een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld. Hiermee is voldaan aan het formele vereiste van het taakstrafverbod, zoals bepaalde in artikel 22b lid 1 onder a van het Wetboek van Strafrecht. De oplegging van een taakstraf is echter alleen uitgesloten als ook is voldaan aan het materiële criterium, namelijk dat er een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat verdachte door zijn handelen wel degelijk een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, kan deze inbreuk - zonder daarmee afbreuk te willen doen aan de ernst van het feit - in juridische zin niet worden aangemerkt als een ernstige inbreuk. De rechtbank stelt vast dat het taakstrafverbod daarom niet van toepassing is.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 200 uur opleggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Met de reclassering acht de rechtbank toezicht, begeleiding en behandeling noodzakelijk. De rechtbank zal dan ook bij deze voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden opleggen zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de ernst van het feit te benadrukken en verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
7. De benadeelde partij
[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank stelt vast dat de vordering van de benadeelde partij zeer summier is onderbouwd en dat uit de onderbouwing niet blijkt dat de benadeelde partij psychisch letsel heeft ondervonden als gevolg van de bewezenverklaarde strafbare feiten. De raadsman van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de benadeelde partij EMDR-therapie heeft gevolgd. Aan de rechtbank zijn echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat en hoe vaak deze therapie is gevolgd of waarop deze zag.
Immateriële schade komt op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek ook voor vergoeding in aanmerking als sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake, gelet op de aard en ernst van de normschending. De schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Bij het vaststellen van dit bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse Schaal en naar vergelijkbare zaken. De benadeelde partij zal in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Verder zal over het toegekende bedrag de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag waarop de schade is ontstaan, te weten 4 maart 2023.
8. De vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 17 maart 2022 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is verdachte ter zake van mishandeling, vernieling, diefstal en huisvredebreuk veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is ingegaan op 1 april 2022.
De hierboven bewezenverklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier weken worden gelast. De rechtbank acht dit echter om bovengenoemde redenen niet opportuun, en zal daarom in plaats een gevangenisstraf de tenuitvoerlegging van een taakstraf van 120 uren gelasten, te vervangen door 30 dagen hechtenis.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 138 en 241 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: opzetaanranding voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld;
feit 2: in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- geeft opdracht aan genoemde reclasseringsinstelling tot het houden van toezicht op de naleving van de voormelde bijzondere voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] , van € 1.500,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [aangeefster] te betalen € 1.500,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
- bepaalt dat bij niet betaling 15 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 17 maart 2022 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van vier weken;
- gelast in plaats van deze gevangenisstraf het verrichten een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan, met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.R.R. Loeve, voorzitter,
en mrs. C.H.M. Pastoors en K. Verschueren, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. van Biert, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 april 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat
1hij op of omstreeks 14 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland, met een persoon, te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het klaarkomen op de schaamsteek en/of buik en/of benen, althans het lichaam van die [aangeefster] , en/of- het ontkleden van die [aangeefster] , en/of- het ontkleden van zichzelf, en/of- het met een ontbloot onderlichaam zitten op de ontblote bovenbenen althans het ontblote onderlichaam van die [aangeefster]terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door- het voorbijgaan aan haar verbale en/of non-verbale protesten, en/of- het zitten op de benen van die [aangeefster] ;
2hij op of omstreeks 14 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland, in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, aan [adres 2] te [plaats] bij een ander, te weten bij [aangeefster] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.