2. De feiten
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij hebben een affectieve relatie met elkaar gehad;
- uit hun relatie is het volgende nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023.
[minderjarige] is door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over haar;
- zij hebben een ouderschapsplan opgesteld, waarin zij (voor zover van belang) zijn overeengekomen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft, een zorgregeling waarbij [minderjarige] drie dagen per week bij de man is en dat de man iedere maand € 125,= overmaakt op de kinderrekening. In dit ouderschapsplan is niets overeengekomen over een opvang voor [minderjarige] .
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, samengevat:
I. te bepalen dat [minderjarige] niet langer naar de [kinderopvang] in [woonplaats 2] zal gaan en dat zij voortaan naar de [peuterspeelzaal] in [woonplaats 1] zal gaan;
II. te bepalen dat de man wordt veroordeeld om aan de vrouw een kinderalimentatie voor [minderjarige] te voldoen van € 496,= per maand, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 1 oktober 2025.
De man verzoekt zelfstandig, voorwaardelijk, bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, te bepalen dat [minderjarige] naar de [kinderopvang] in [woonplaats 2] zal gaan.
4. De beoordeling
Tijdens de mondelinge behandeling zijn de standpunten van partijen besproken en nader toegelicht. Beide partijen hebben hierbij aangegeven dat zij gebruik willen maken van het aanbod om met de aanwezige piketmediator in gesprek te gaan om te bekijken of zij overeenstemming kunnen bereiken over de voorliggende verzoeken. Uit de brieven van de advocaten van 17 februari 2026 is gebleken dat dit helaas niet is gelukt, zodat de rechtbank de verzoeken zal beoordelen.
Verzoek(en) met betrekking tot de opvang van [minderjarige]
Ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
Naar het oordeel van de rechtbank hangen de verzoeken met betrekking tot de opvang van [minderjarige] samen met het verzoek in de hoofdzaak. De rechtbank dient vervolgens te onderzoeken of bij de toewijzing van het verzoek een voldoende spoedeisend belang bestaat. Van een voldoende belang bij toewijzing van een dergelijk verzoek is sprake indien van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechtbank dient daarbij de belangen van alle betrokkenen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
Volgens de vrouw heeft zij een spoedeisend belang bij haar verzoek. Partijen hebben tijdens een viergesprek afgesproken dat zij bij beide opvangen zouden gaan kijken. Dat is niet gebeurd, waardoor [minderjarige] nu naar twee verschillende opvangen gaat. Dat leidt ertoe dat sprake is van onrust bij [minderjarige] en veel heen en weer gereis, waardoor zij heftig reageert bij overdrachten. De vrouw vraagt zich daarom af hoe het echt met [minderjarige] gaat.
De man betwist dat sprake is van een spoedeisend belang. [minderjarige] gaat sinds mei 2025 op maandag al naar de [kinderopvang] . Dit verloopt goed. Het is de vrouw geweest die [minderjarige] vanaf september 2025 naar de [peuterspeelzaal] heeft gebracht. Deze situatie bestaat dus al geruime tijd en verloopt goed: [minderjarige] functioneert goed en heeft het leuk. Als de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een spoedeisend belang, verzoekt de man te bepalen dat [minderjarige] naar de [kinderopvang] zal gaan.
De rechtbank overweegt als volgt. [minderjarige] gaat sinds mei 2025, dus al tien maanden, op maandag naar de [kinderopvang] . Sinds september 2025, dus ook al een half jaar, gaat zij daarnaast op donderdagochtend naar de [peuterspeelzaal] . Uit dat wat op de zitting is besproken en de overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet van objectieve aanwijzingen dat het met [minderjarige] op dit moment niet goed gaat. De huidige situatie loopt bovendien al een half jaar. De vrouw heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat uit hoofde van onverwijlde spoed op dit moment een onmiddellijke voorziening vereist is en daarvan is ook anderszins niet gebleken. Daar komt bij dat wanneer nu, bij wijze van provisionele voorziening, een verandering plaats zou vinden in de huidige situatie en vervolgens in de hoofdzaak mogelijk een ander oordeel wordt gegeven, dit voor [minderjarige] tot snelle opeenvolgende wijzigingen zou leiden. Dit acht de rechtbank niet in haar belang. Al het voorgaande in aanmerking nemende acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat over de (wijziging van) opvang nu een beslissing wordt genomen; van de vrouw kan worden gevergd dat zij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De vrouw wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek met betrekking tot de opvang voor [minderjarige] . Dit betekent dat aan het voorwaardelijke verzoek van de man niet wordt toegekomen, nu immers de voorwaarde voor dit verzoek niet is ingetreden.
Verzoek met betrekking tot de kinderalimentatie
Ontvankelijkheid
Naar het oordeel van de rechtbank hangt onderhavig verzoek tot kinderalimentatie samen met het verzoek in de hoofdzaak. De rechtbank dient vervolgens te onderzoeken of bij de toewijzing van het verzoek een voldoende spoedeisend belang bestaat.
De vrouw stelt dat zij een spoedeisend belang heeft, omdat zij al langere tijd het grootste deel van de lasten draagt. Tijdens het opstellen van het ouderschapsplan is er geen berekening gemaakt, waardoor de kinderalimentatie vanaf de aanvang niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord. Uit de door haar gemaakte berekening volgt dat de man een aanzienlijk hogere kinderalimentatie zou kunnen betalen.
De man betwist dat sprake is van een spoedeisend belang en is van mening dat de vrouw haar belang onvoldoende heeft onderbouwd. De man voldoet reeds maandelijks € 125,= per maand aan kinderalimentatie, welk bedrag gezamenlijk is vastgesteld.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn een door de man te betalen kinderalimentatie van € 125,= per maand overeengekomen. Uit het verweerschrift van de man blijkt dat hij kan instemmen met een door hem te betalen kinderalimentatie van € 348,= per maand. Hieruit maakt de rechtbank op dat de man zich ervan bewust is dat de huidige kinderalimentatie laag is gelet op zijn draagkracht. Uit de berekening die hierna volgt blijkt ook dat de man draagkracht heeft om een aanzienlijk hoger bedrag aan kinderalimentatie te betalen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vrouw voldoende belang heeft bij haar vordering en dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de eindbeslissing in de bodemprocedure afwacht. De rechtbank acht de vrouw ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw verzoekt een door de man te betalen kinderalimentatie van € 496,= per maand met ingang van 1 oktober 2025. Primair stelt de vrouw dat de in het ouderschapsplan opgenomen kinderalimentatie van € 125,= per maand is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Subsidiair stelt de vrouw dat de overeengekomen kinderalimentatie door wijzigingen van omstandigheden is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Het inkomen van de man is de afgelopen jaren aanzienlijk gestegen en het inkomen van de vrouw is gedaald, omdat zij in loondienst is gegaan.
De man voert verweer tegen de door de vrouw verzochte kinderalimentatie, maar kan instemmen met een door hem te betalen kinderalimentatie van € 348,= per maand.
Volgens de man zijn partijen destijds (bewust zonder advocaat) in redelijkheid tot een bedrag van € 125,= per maand gekomen. Het staat niet vast dat deze bijdrage niet aan de wettelijke maatstaven voldoet.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu partijen in een ouderschapsplan een door de man te betalen kinderalimentatie zijn overeengekomen, is geen sprake van vaststelling van een bedrag aan kinderalimentatie maar van een (mogelijke) wijziging van de kinderalimentatie.
Op grond van artikel 1:401 lid 5 BW kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Van dit laatste is sprake als er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de bijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Volgens de Hoge Raad wordt de contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. Er mag dan ook niet ten nadele van de minderjarige worden afgeweken, ook niet als die afwijking bewust is overeengekomen.
Uit de overeenkomst tussen partijen, het ouderschapsplan, blijkt niet waar de overeengekomen bijdrage op is gebaseerd. De volgens de wettelijke maatstaven door de man te betalen bijdrage dient dus eerst te worden berekend om te kunnen beoordelen of sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven.
De rechtbank overweegt verder dat vast staat dat de vrouw niet meer als zzp’er werkzaam is, maar in loondienst. Aldus heeft zich een wijziging van omstandigheden voorgedaan die een onderzoek naar de behoefte van de minderjarige aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk maakt. Daarna zal blijken of deze wijziging als rechtens relevant is aan te merken.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Ingangsdatum
De rechtbank zal eerst de ingangsdatum beoordelen.
De vrouw verzoekt als ingangsdatum primair 1 oktober 2025. Partijen hebben in juli 2025 een viergesprek gehad, waarbij de kinderalimentatie aan de orde is gekomen. Gelet daarop is het volgens de vrouw redelijk om 1 oktober 2025 als ingangsdatum te hanteren. Subsidiair verzoekt de vrouw als ingangsdatum de datum van indiening van het verzoekschrift.
De man is van mening dat de ingangsdatum op de datum van de beschikking moet worden bepaald, omdat behoedzaam moet worden omgegaan met een ingangsdatum in het verleden.
De rechtbank acht het redelijk om de ingangsdatum van een eventueel gewijzigde alimentatieverplichting te bepalen op 29 december 2025, de datum van indiening van het verzoekschrift. De man heeft vanaf dat moment rekening kunnen houden met een wijziging van de bijdrage.
De behoefte van [minderjarige]
De behoefte van [minderjarige] is niet eerder vastgesteld. Voor de vaststelling van haar behoefte is in beginsel het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving van partijen het uitgangspunt. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2023. Daar zijn partijen het over eens.
Volgens de vrouw moet voor de berekening van haar netto besteedbaar inkomen worden gegaan van het gemiddelde van de winst uit onderneming in 2023 en 2024, maar zij kan er mee instemmen als wordt uitgegaan van de winst uit onderneming in 2023.
Voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man moet uit worden gegaan van zijn winst uit onderneming van € 60.085,=, zijnde de gemiddelde winst over de jaren 2022 tot en met 2024.
Volgens de man moet voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw uit worden gegaan van een winst uit onderneming in 2023 van € 25.000.
Voor de berekening van zijn netto besteedbaar inkomen moet volgens de man uit worden gegaan van een winst uit onderneming van € 52.318,=, zijnde het gemiddelde van zijn geregistreerde inkomen, zoals volgt uit productie 5.
Voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van een winst uit onderneming in 2023 van € 22.674,=. Dit volgt uit de door haar als productie 5 overgelegde verklaring van haar geregistreerd inkomen. Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, MKB-Winstvrijstelling en de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen, becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 1.821,= per maand.
Uit het door de man overgelegde fiscaal rapport aangifte inkomstenbelasting (productie 5) volgt dat de man in 2023 een winst uit onderneming had van € 57.552,=. De rechtbank zal hiervan uitgaan en houdt rekening met de zelfstandigenaftrek, MKB Winstvrijstelling en de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 3.656,= per maand.
Daarnaast moet rekening worden gehouden met het kindgebonden budget. Het kindgebonden budget bedroeg op het moment dat partijen uit elkaar gingen € 42,= per maand. Aan de hand van deze gegevens heeft de rechtbank het in dit kader relevante netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen becijferd op € 5.519,= per maand (€ 3.656 + € 1.821 + € 42).
Dit netto besteedbaar gezinsinkomen, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de minderjarige op van € 793,= per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte in 2025 (gelet op de ingangsdatum) € 897,= per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening.
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarige
tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht
de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van een kind
tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient
eerst het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het
bedrag aan draagkracht wordt in 2025 (gelet op de ingangsdatum) bij inkomens vanaf
€ 2.125,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + €
1.310,=)].
Draagkracht van de vrouw
Volgens de vrouw moet bij de berekening van haar draagkracht uit worden gegaan
van haar huidige inkomen uit een dienstbetrekking. Geëxtrapoleerd naar een jaar bedraagt
haar inkomen € 23.759,= (€ 1.702 per maand x 12 maanden + 8% vakantietoeslag +
eindejaarsuitkering), welk bedrag nog moet worden verminderd met ingehouden
pensioenpremie van € 146,= per maand. De vrouw is sinds maart 2025 in loondienst.
Volgens de man moet uit worden gegaan van een winst uit onderneming van
€ 25.000,= per jaar. De vrouw heeft er zelf voor gekozen om niet meer als zzp’er te werken.
Van haar mag worden verlangd dat zij haar oude inkomen kan genereren.
Gelet op het karakter van deze procedure (waarin geen plaats is voor uitgebreid
onderzoek) gaat de rechtbank uit van het huidige inkomen van de vrouw. De vrouw heeft
gesteld dat haar inkomen € 23.759,= bruto per jaar bedraagt (inclusief vakantiegeld), te
verminderen met de pensioenpremie van € 146,= per maand. Dit is door de man niet betwist,
zodat de rechtbank hiervan zal uitgaan.
De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting). Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 5.900,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige netto besteedbaar inkomen van de vrouw op een bedrag van € 2.326,= per maand.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 223,= per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening.
Draagkracht van de man
Volgens de vrouw moet bij de berekening van de draagkracht van de man uit worden gegaan van de winst uit onderneming. De winst uit onderneming van 2025 is echter onbekend.
De man stelt zich op het standpunt dat uit moet worden gegaan van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2022 tot en met 2024. Waar hij aanvankelijk uitging van zijn geregistreerde inkomen, gaat hij ter zitting uit van de winst uit onderneming.
De rechtbank gaat voor de draagkracht van de man uit van het gemiddelde van zijn winst uit onderneming over de jaren 2022 tot en met 2024, zoals die blijkt uit het door de man overgelegde fiscaal rapport aangifte inkomstenbelasting (productie 5). Hieruit volgt een winst uit onderneming in 2022 van € 51.251,=, in 2023 van € 57.552,= en in 2024 van € 72.937,=. De gemiddelde winst uit onderneming bedraagt daarmee € 60.580,=. De rechtbank zal daarvan uitgaan. Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, MKB Winstvrijstelling en de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting), becijfert de rechtbank het huidige netto besteedbaar inkomen van de man op een bedrag van € 3.804,= per maand.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 947,= per maand. De rechtbank verwijst naar de aangehechte berekening.
De draagkrachtvergelijking
De totale draagkracht van partijen bedraagt € 1.170,= per maand (€ 223 + € 947), zodat hun draagkracht de behoefte van [minderjarige] van € 897,= per maand in 2025 overstijgt.
De verdeling van de kosten van [minderjarige] wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van [minderjarige] (in 2025), oftewel:
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 223 / € 1.170 x € 897 = € 171,=;
het aandeel van de man bedraagt: € 947 / € 1.170 x € 897 = € 726,=.
Zorgkorting
Ten slotte kan de ouder die kinderalimentatie moet betalen (de man in dit geval) een korting op de door hem te betalen bijdrage ontvangen. Deze ouder neemt al een deel van de kosten van een kind voor zijn rekening op het moment dat het kind bij hem verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.
Partijen zijn het erover eens dat een zorgkorting van 35% moet worden toegepast. De rechtbank zal hiervan uitgaan. De zorgkorting bedraagt dan een bedrag van € 314,= (35% van € 897). Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderalimentatie een bedrag van € 412,= per maand dient te betalen.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de eerder overeengekomen kinderalimentatie is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, dan wel dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die dient te leiden tot een aanpassing in de onderhoudsbijdrage.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 29 december 2025 bepalen op een bedrag van € 412,= per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen. Het meer of anders verzochte wordt daarbij afgewezen.
Wettelijke indexering
De rechtbank verwijst tot slot nog naar een uitspraak van de Hoge Raad van 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1165). Hieruit volgt dat artikel 1:402a BW zo moet worden uitgelegd dat de daarin voorziene jaarlijkse indexering van een bedrag aan kinderalimentatie betrekking heeft op de periode die is gelegen ná de uitspraak waarbij het bedrag aan kinderalimentatie is gewijzigd. Dit is ook het geval als de rechter de kinderalimentatie wijzigt met ingang van een datum die is gelegen vóór de uitspraak. Er is in dit geval dus geen sprake van indexering van de alimentatiebedragen met ingang van 1 januari 2026.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de behoefte en de draagkracht van partijen. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek met betrekking tot de opvang van [minderjarige] ;
bepaalt – met wijziging van het door partijen overeengekomen ouderschapsplan op het onderdeel van de kinderalimentatie -, uitvoerbaar bij voorraad, dat de daarbij vastgestelde door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, met ingang van 29 december 2025 voorlopig nader wordt vastgesteld op € 412,= (vierhonderdtwaalf euro) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Van Egeraat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.