2. De verzoeken
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
- Te bepalen dat de man vanaf 1 april 2026 bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal
zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] met
bevel aan de vrouw die woning uiterlijk per 31 maart 2026 te verlaten en deze verder
niet meer te betreden;
- Een voorlopige zorgregeling vast te stellen tussen vader en kinderen waarbij hij de
zorg draagt primair dat de kinderen een volledige week van vrijdag uit school tot vrijdagochtend naar school bij vader verblijven en de week erop tot vrijdag naar
school bij moeder en dat wisselt per week en
- Subsidiair verzoekt hij te bepalen dat de kinderen in het vrije weekend van vaders 5-
ploegenrooster, welk wisselend is, bij hem verblijven en ook als hij ochtenddienst
heeft. De kinderen zijn dan zes dagen bij vader en zeven dagen bij moeder;
- Alsmede vast te stellen dat partijen de zorg tijdens vakanties en feestdagen bij helfte
verdelen, hetgeen in onderling overleg vastgesteld dient te worden.
De vrouw voert verweer en verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen. De vrouw verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:
A. Dat de kinderen van partijen worden toevertrouwd aan de vrouw;
B. Dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning alsmede de aanwezige inboedel, staande en gelegen te [woonplaats 2] , aan [adres] , waarbij de man wordt bevolen die woning verder niet meer te betreden,
behoudens met voorafgaande instemming van de vrouw alsook de man zich dient uit te
schrijven op het adres van de echtelijke woning;
C. Een zorgregeling te bepalen tussen de kinderen van partijen en de man inhoudende dat de man de zorg over de kinderen zal hebben gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag 15.30 uur tot zondag 19.30 uur;
D. Te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de
kinderen met een bedrag van € 398,= per kind per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw
te voldoen met ingang van 23 juli 2025;
E. Te bepalen dat de man ten behoeve van de vrouw een partneralimentatie zal voldoen van € 255,= per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen met ingang van 23 juli 2025.
De man voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw en verzoekt deze af te wijzen en een eventuele bijdrage pas te laten ingaan op de datum van de beschikking dan wel subsidiair de datum van indiening van het zelfstandige verzoekschrift namens de vrouw met betrekking tot de voorlopige voorzieningen.
De man breidt zijn verzoek uit en verzoekt bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Te bepalen dat partijen de zorg bij helfte delen waarbij de man een week met de kinderen in de woning verblijft tot vrijdagmiddag en de vrouw de week erop tot vrijdagmiddag.
Op de standpunten van partijen wordt hierna ingegaan.
3. De beoordeling
Overeenstemming
Partijen hebben, deels ter gelegenheid van de zitting – na een korte schorsing – en na advies van de Raad, alsnog overeenstemming bereikt ten aanzien van de verzoeken in het kader van de voorlopige voorziening voor zover deze zien op de toevertrouwing, de zorgregeling en het gebruik van de echtelijke woning. Partijen hebben tijdelijke oplossingen gevonden en zijn het volgende overeengekomen:
de vrouw krijgt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, staande en gelegen te [woonplaats 2] , aan [adres] ;
de minderjarigen zullen worden toevertrouwd aan de vrouw;
tot het moment dat de man nieuwe vervangende woonruimte heeft gevonden zal de huidige zorgregeling doorgang blijven vinden, inhoudende dat de minderjarigen bij de man verblijven elke week van vrijdag 15:30 uur tot zondag 19:30 uur;
vanaf het moment dat de man een nieuwe vervangende woonruimte heeft gevonden, waarbij van belang is dat deze woning geschikt is in die zin dat beide minderjarigen in ieder geval een eigen slaapkamer zullen hebben, zullen de minderjarigen bij de man verblijven drie van de vier weekenden van vrijdag 15:30 uur tot maandag 19:30 uur.
Deze overeenstemming komt de rechtbank niet ongegrond voor. Voorts is niet gebleken dat de belangen van de minderjarigen zich hiertegen verzetten. De overeenstemming zal op onderstaande wijze worden toegewezen.
Voorts hebben partijen tijdens de korte schorsing van de zitting afgesproken dat zij met ingang van 1 maart 2026 ieder zelf de volledige lasten van de woning waar zij alsdan verblijven zullen dragen. Daarnaast zullen zij elkaar inzage geven in hun bankrekeningen over de periode van 1 januari 2025 tot 23 juli 2025, te weten tot de datum dat het verzoekschrift in de bodemprocedure is ingediend door de vrouw. Ook hebben partijen afgesproken dat de man de vrouw inzage geeft in de cryptorekening over de periode vanaf 1 januari 2025 tot heden. Tot slot hebben partijen afgesproken om via de website van de SVB het rekeningnummer te wijzigen, zodat het KGB en de kinderbijslag voortaan op het rekeningnummer van de vrouw wordt gestort.
Kinderbijdrage
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Ingangsdatum
De rechtbank zal de verplichting tot betaling van de kinderbijdrage laten ingaan op 16 januari 2026, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, nu de vrouw niet heeft betwist dat de man tot op heden alle lasten van de echtelijke woning heeft betaald en nu de man vanaf dat moment rekening kon houden met vaststelling van een bijdrage.
Behoefte
De vrouw stelt bij de bepaling van de behoefte uit te gaan dient te worden van de tarieven over 2025 waarna de behoefte zal worden geïndexeerd naar 2026. De man daarentegen stelt dat de behoefte dient te worden vastgesteld aan de hand van de tabel van 2026, omdat de kinderbijdrage op dat moment ingaat. Voorts is dit volgens de man het meest redelijk, nu hij aan alle lasten heeft meebetaald.
Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2025, nu partijen dat jaar gedeeltelijk nog hebben samengeleefd. Eerdere inkomensgegevens, bijvoorbeeld over 2024, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan, zijn bij de rechtbank ook niet bekend. Nu de rechtbank uitgaat van deze inkomensgegevens, hanteert de rechtbank bij de berekening van de behoefte ook de tarieven van 2025. De behoefte zal vervolgens worden geïndexeerd naar 2026.
Tussen partijen staat vast dat voor het bepalen van de behoefte uitgegaan dient te worden van de inkomensgegevens ingevolge de jaaropgaven over 2025.
Uit de jaaropgaaf over 2025 volgt dat de vrouw een inkomen had van € 46.447,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting).
Uit de jaaropgaaf over 2025 volgt dat de man een inkomen had van € 77.154,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting).
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 3.331,= per maand en van de man op een bedrag van € 4.351,= per maand. Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 7.682,= per maand.
Dit NBGI, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de minderjarigen op van € 1.700,= per maand. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte nu € 1.778,= per maand.
Draagkracht vrouw
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.
De vrouw heeft volgens de salarisspecificaties over januari 2026 een inkomen van € 4.709,14 bruto per maand, te vermeerderen met het individueel keuze budget. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting). Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 6.564,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 4.711,= per maand.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 1.353,= per maand.
Draagkracht man
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.
De man heeft volgens de jaaropgaaf over 2025 een inkomen van € 77.154,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting). Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 4.383,= per maand.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 1.192,= per maand.
Draagkrachtvergelijking
De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 1.192,= / € 2.545,= x € 1.778,= = € 833,=
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 1.353,=/ € 2.545,= x € 1.778,= = € 945,=
Zorgkorting
De man heeft gemiddeld twee dagen per week de zorg voor de minderjarigen, zodat een zorgkorting geldt van 25%. Nu de behoefte van de minderjarigen € 1.778,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 444,= per maand.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage met ingang van 16 januari 2026 vaststellen op € 194,= per maand per kind.
Partnerbijdrage
Behoefte
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de vrouw dient te worden berekend aan de hand van de zogenaamde Hofnorm. Bij deze vuistregel wordt uitgegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen (NBGI) voor het uiteengaan. De huwelijksgerelateerde behoefte wordt dan gesteld op 60% van dit gezinsinkomen minus de kosten van de kinderen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen net als bij de kinderbijdrage uit van de inkomens van partijen in 2025.
Onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.11 betreft het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving € 7.682,= per maand.
Rekening houdend met de kosten van de minderjarigen van in totaal € 1.700,= per maand in 2025 bedraagt de behoefte van de vrouw € 3.589,= per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu € 3.754,= netto per maand.
Aanvullende behoefte
Om te bepalen of, en zo ja, in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man, moet op deze huwelijksgerelateerde behoefte in mindering worden gebracht haar eigen netto inkomen.
De vrouw heeft volgens de salarisspecificaties over januari 2026 een inkomen van € 4.709,14 bruto per maand, te vermeerderen met het individueel keuze budget. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting). Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 4.164,= per maand.
De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt, gelet op haar eigen NBI van € 4.164,= per maand, aldus € 0,= netto per maand.
Conclusie
Nu de vrouw volledig in haar eigen behoefte kan voorzien, komt de rechtbank niet toe aan het becijferen van de draagkracht van de man. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van de partnerbijdrage afwijzen.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
4. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen te [woonplaats 2] , aan [adres] ;
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013;
2. [minderjarige 2] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015;
bepaalt dat de man genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact op de wijze zoals in rechtsoverweging 3.1. is opgenomen;
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 16 januari 2026 wordt vastgesteld op € 194,= per maand per kind, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, en, in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.