[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. J.P.D. Visser),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. I.M. Touwen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de staatssecretaris van 4 maart 2026. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 maart 2026.
Hij heeft het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, omdat de staatssecretaris heeft laten weten te wachten met het bekend maken van het besluit aan de werkgever van verzoeker. In geval van een ongegrond bezwaar wordt hiermee gewacht tot twee weken nadat op het bezwaar is beslist, zo heeft de staatssecretaris laten weten.
De voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling. De staatssecretaris heeft de rechtbank meegedeeld dat zij zich refereert aan het oordeel van de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is de staatssecretaris aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. De staatssecretaris is door te wachten met het bekendmaken van besluit aan de werkgever aan verzoeker tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de staatssecretaris aan het verzoek van verzoeker is tegemoetgekomen. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om de staatssecretaris in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient de staatssecretaris te vergoeden?
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 934,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die de staatssecretaris moet vergoeden € 934,- bedragen.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat de staatssecretaris de werking van het besluit van 4 maart 2026 heeft opgeschort totdat op het bezwaar is beslist, betaalt de griffier het griffierecht aan verzoeker terug.
Beslissing
De voorzieningenrechter veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 934,- aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 23 maart 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: