ECLI:NL:RBZWB:2026:2735

ECLI:NL:RBZWB:2026:2735

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 09-04-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer 02-095292-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994: door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag is een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij een andere verkeersdeelnemer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Oplegging van 120 uren taakstraf en zes maanden ontzegging van de rijbevoegheid, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is als gevolg van hetzelfde rijgedrag sprake van een overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994. Hiervoor wordt op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-095292-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 9 april 2026

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,

wonende op het [adres] ,

raadsman mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 9 september 2024 in Breda

feit 1: een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

feit 2: met zijn rijgedrag gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, waarbij met betrekking tot feit 1 voor de mate van schuld wordt uitgegaan van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

In de tenlastelegging bij feit 1 is per abuis opgenomen dat verdachte ten tijde van het verkeersongeval onder invloed van alcohol verkeerde. Dit volgt niet uit het dossier, waardoor verdachte van dat verwijt moet worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van feit 1. Het klopt dat verdachte de toegestane maximumsnelheid heeft overschreden. Daargelaten dat onduidelijk is wat die overschrijding exact was, bestaat er geen causaal verband tussen die overschrijding en het verkeersongeval. Het verkeersongeval is immers uitsluitend te wijten aan het feit dat verdachte vanwege een poging om in te voegen een te lange tijd naar links heeft gekeken en zich gedurende die tijd niet heeft gefocust op de verkeerssituatie voor hem. Een dergelijk gebrek aan focus is slechts aan te merken als een tijdelijk moment van onoplettendheid, wat op zichzelf onvoldoende is om van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) te kunnen spreken.

De verdediging voert geen bewijsverweer met betrekking tot de feit 2.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten en omstandigheden

In de ochtend van 9 september 2024 was verdachte voor zijn werk als pakketbezorger met een bedrijfsauto, te weten een Mercedes-Benz Sprinter met [kenteken] , onderweg vanuit Etten-Leur naar Tilburg. Hij reed een voor hem bekende route van de A58 naar de A16 richting Hazeldonk. Omstreeks 8.30 uur bevond hij zich op de in- en uitvoegstrook van de A16. Rijdende op deze strook, waar normaal gesproken een maximumsnelheid geldt van 100 km/u, verhoogde hij zijn snelheid om in te kunnen voegen op de A16. Vervolgens is hij met zijn auto achterop de auto van [slachtoffer] gereden die op dat moment in verband met filevorming langzaam reed of stilstond. Als gevolg hiervan zijn ook een aantal auto’s die voor de auto van [slachtoffer] reden, beschadigd geraakt.

Uit de Event Data Recorder (EDR) van de bedrijfsauto van verdachte blijkt dat hij vijf seconden vóór het verkeersongeval met een snelheid van 99 km/u reed, dat hij gedurende die vijf seconden zijn rempedaal niet heeft bediend en dat hij op het moment van het verkeersongeval 105 km/u reed.

In de bocht van de A58 naar de in- en uitvoegstrook van de A16 werd ten tijde van het verkeersongeval ongeveer ter hoogte van hectometerpaal 71,7 door middel van matrixborden een maximumsnelheid aangegeven van 70 km/u. Op de in- en uitvoegstrook van de A16 werd vlak voor de plaats van het verkeersongeval ongeveer ter hoogte van hectometerpaal 61,9 door middel van een matrixbord een maximumsnelheid aangegeven van 50 km/u.

Als gevolg van het ongeval heeft [slachtoffer] onder meer een bekkenfractuur opgelopen, in verband waarmee zij meerdere keren is geopereerd.

Verdachte verklaart dat hij na de bocht van de A58 naar de in- en uitvoegstrook zijn snelheid heeft verhoogd om in te kunnen voegen op de A16, waar het op dat moment erg druk was. Dit invoegen lukte niet direct, waarna hij voor zijn gevoel zo’n drie seconden in zijn linkerbuitenspiegel en over zijn linkerschouder heeft gekeken. Gedurende die seconden heeft hij naar eigen zeggen geen acht geslagen op de verkeerssituatie voor hem, waardoor hij de filevorming op de in- en uitvoegstrook niet tijdig heeft opgemerkt en het hem niet is gelukt om de personenauto van [slachtoffer] te ontwijken. Verdachte verklaart de matrixborden in de bocht van de A58 wel te hebben gezien, maar het matrixbord op de in- en uitvoegstrook van de A16 niet.

Feit 1

Schuld in de zin van artikel 6 WVW

Om te beoordelen of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Een moment van onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen dergelijke schuld op te leveren. Het rijgedrag van de verdachte moet voor het vaststellen van (de mate van) schuld worden afgezet tegen dat wat van de gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht. Bij de vaststelling van de mate waarin de verdachte schuld aan het ongeval heeft, wordt onderscheid gemaakt tussen aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend (de lichtste vorm van schuld), zeer onvoorzichtig en/of onoplettend (de middelste vorm van schuld) en roekeloos rijgedrag (de zwaarste vorm van schuld).

Vaststaat dat verdachte met een veel hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse was toegestaan. Hoewel de door de EDR geregistreerde snelheidswaarden niet zijn gevalideerd, blijkt uit deze waarden zonder twijfel dat verdachte gedurende de vijf seconden voor het ongeval de snelheden van 70 km/u en 50 km/u in aanzienlijke mate heeft overschreden. Daarnaast staat vast dat verdachte onvoldoende acht heeft geslagen op de verkeerssituatie voor hem en zijn voortuig niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen. Dit zijn twee ‘fouten’ in het verkeer die naar het oordeel van de rechtbank niet slechts als een moment van onoplettendheid zijn aan te merken.

De rechtbank begrijpt dat invoegen op de A16 vanaf de betreffende in- en uitvoegstrook tijdens een drukke ochtendspits een lastige verkeersmanoeuvre kan zijn, die de nodige aandacht van verdachte vergde. Dit laat echter onverlet dat hij – zeker als beroepsmatige chauffeur – acht diende te slaan op de verkeerssituatie voor hem en zich diende te houden aan de toegestane maximumsnelheid. Verdachte heeft dit nagelaten, terwijl hij door zijn bekendheid met de situatie ter plaatse en de in werking zijnde matrixborden juist extra oplettend had moeten zijn op langzaam rijdend of stilstaand verkeer op de in- en uitvoegstrook. De rechtbank is van oordeel dat het onvoldoende acht slaan op de verkeerssituatie voor hem in combinatie met de forse overschrijding van de maximumsnelheid heeft geleid tot het verkeersongeval. Het rijden met een veel te hoge snelheid brengt immers mee dat er minder tijd is om, zoals hier, een afwijkende verkeerssituatie voor je goed te kunnen beoordelen en daarop te anticiperen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en het verkeersongeval hierdoor aan zijn schuld te wijten is.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet uit het dossier blijkt dat verdachte ten tijde van het verkeersongeval onder invloed van alcohol verkeerde, zodat hij van die ten laste gelegde omstandigheid zal worden vrijgesproken.

Letsel

Volgens de medische informatie in het dossier heeft [slachtoffer] als gevolg van het ongeval onder meer een bekkenfractuur rechts (fracturen schaambeen en heiligbeen) opgelopen, in verband waarmee zij op 13 september 2024 is geopereerd. Uit haar ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat zij – mede vanwege complicaties – in totaal negen operaties en zes bloedtransfusies heeft ondergaan, elf weken in het ziekenhuis is opgenomen en zes maanden thuiszorg nodig heeft gehad. Ook nu, ruim anderhalf jaar na het verkeersongeval, kampt zij nog met verschillende medische klachten en is het onzeker of zij hier ooit (volledig) van zal herstellen.

Gelet op de aard en ernst van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en de blijvende gevolgen voor [slachtoffer] , kwalificeert het door haar opgelopen letsel als zwaar lichamelijk letsel.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 heeft gepleegd, op de wijze zoals onder 4.4 wordt omschreven.

Feit 2

De gedragingen van verdachte die tot het verkeersongeval hebben geleid, hebben ook gevaar op de in- en uitvoegstrook van de A16 veroorzaakt en eveneens het verkeer op die weg gehinderd. Meerdere verkeersdeelnemers hebben daarbij schade en/of letsel opgelopen. De rechtbank acht daarom ook feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1op 9 september 2024 te Breda , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de A16, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden (nabij hectometerpaal 62.1) door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag, door terwijl op matrixborden boven het wegdek van die A16 aangepaste maximumsnelheden werden aangegeven van respectievelijk 70 km/u (nabij hectometerpaal 71,7) en 50 km/u (nabij hectometerpaal 61.9)met een snelheid van 105 km/u te rijden en zijn snelheid niet zodanig aan te passen dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en niet tijdig op te merken dat het verkeer voor hem stilstond en vervolgens achterop een voor hem stilstaande personenauto te botsen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een bekkenfractuur werd toegebracht;

2op 9 september 2024 te Breda als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de A16, terwijl op matrixborden boven het wegdek van die A16aangepaste maximumsnelheden werden aangegeven van respectievelijk 70 km/u (nabij hectometerpaal 71,7) en 50 km/u (nabij hectometerpaal 61.9) met een snelheid van 105 km/u heeft gereden en zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en niet tijdig heeft opgemerkt dat het verkeer voor hem stilstond en vervolgens achterop een voor hem stilstaande personenauto is gebotst en hiermee een botsing heeft veroorzaakt waarbij [slachtoffer] en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] schade en/of letsel hebben opgelopen, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voor feit 1 aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 160 uren en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

De officier van justitie vordert voor feit 2 aan verdachte op te leggen een geldboete ter hoogte van € 500,- en daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank bij een bewezenverklaring van beide feiten te volstaan met de oplegging van ten hoogste 120 uren taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden. Van de oplegging van een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid gaat nu – ruim anderhalf jaar na het verkeersongeval – geen preventieve werking meer uit en een dergelijke ontzegging zou er bovendien toe leiden dat verdachte zijn baan als pakketbezorger verliest.

Als de rechtbank alleen tot een bewezenverklaring van feit 2 komt, dan kan de verdediging zich vinden in de door de officier gevorderde eis voor dat feit.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee verkeersdelicten. Op het moment dat hij op de snelweg fors sneller reed dan de op dat moment toegestane maximumsnelheid, heeft hij nagelaten om te kijken naar de verkeerssituatie voor hem, waardoor hij met hoge snelheid achterop de personenauto van [slachtoffer] is gereden en ook andere verkeersdeelnemers schade en/of letsel hebben opgelopen.

Van elke verkeersdeelnemer mag veilig rijgedrag conform de geldende verkeersregels worden verwacht, maar van verdachte als beroepsmatige chauffeur en bekend met de situatie ter plaatse eens te meer. Door het aanmerkelijk onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag van verdachte, heeft hij zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en de veiligheid van andere verkeersdeelnemers in gevaar gebracht. Als gevolg daarvan heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Dat het verkeersongeval het leven van de nog jonge [slachtoffer] volledig op zijn kop heeft gezet en zij hier ook nu nog altijd buitengewoon ingrijpende gevolgen van ondervindt, blijkt duidelijk uit haar verklaring.

Verdachte was er niet op uit om een verkeersongeval te veroorzaken, maar erkent wel dat hij een fout heeft gemaakt. Hij neemt daarmee verantwoordelijkheid voor zijn handelen en toont inzicht in wat hij niet goed heeft gedaan. Bovendien laat de impact die het verkeersongeval op het leven van [slachtoffer] heeft verdachte niet onberoerd. Tijdens de door [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring raakte verdachte zichtbaar geëmotioneerd, waarna hij zei dat het hem enorm spijt. Eerder al tijdens het politieverhoor heeft hij uitdrukkelijk geïnformeerd naar de toestand van [slachtoffer] en kenbaar gemaakt graag open te staan voor mediation. Deze houding spreekt in het voordeel van verdachte.

De persoon van de verdachte

De rechtbank stelt vast dat verdachte in Nederland geen strafblad heeft.

Ter zitting heeft verdachte toegelicht dat hij bij zijn ouders woont, dat hij nog steeds als pakketbezorger werkt en dat hij deze baan zal verliezen op het moment dat aan hem een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd. Ook heeft verdachte toegelicht wat voor gevolgen hij zelf van het verkeersongeval heeft ondervonden, waarbij hij uitdrukkelijk opmerkte dat hij eigenlijk niet kan zeggen dat hij het zwaar heeft (gehad) als dit wordt vergeleken met de situatie van [slachtoffer] . Verdachte kampt(e) met nachtmerries en concentratieproblemen als gevolg waarvan hij zijn oude professionele dartsniveau niet meer haalt.

De op te leggen straf

Gelet op de aard en de ernst van feit 1 ziet de rechtbank aanleiding om voor dat feit een taakstraf op te leggen in combinatie met een ontzegging van de rijbevoegdheid. Bij de bepaling van de duur hiervan heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straftoemeting en naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Ondanks de positieve houding van verdachte, de gevolgen die hij zelf van het verkeersongeval heeft ondervonden en de noodzaak om als pakketbezorger over een geldig rijbewijs te kunnen beschikken, acht de rechtbank de oplegging van een deels onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid een belangrijk signaal naar verdachte en de samenleving als geheel. De rechtbank ziet dit als een passende straf bij een ernstig verkeersdelict, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte na enige tijd zijn baan als pakketbezorger relatief gemakkelijk weer op kan pakken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat voor feit 1 passend en geboden is de oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren, in combinatie met een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

In deze straf voor feit 1 zijn alle gedragingen meegewogen die verdachte ook bij feit 2 worden verweten. Er is sprake van eendaadse samenloop. Gelet hierop ziet de rechtbank naar redelijkheid geen doel in oplegging van een afzonderlijke straf voor feit 2. De rechtbank verklaart verdachte voor feit 2 daarom schuldig zonder oplegging van een straf of maatregel, conform artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

7. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert een schadevergoeding van € 2.700,- aan immateriële schade als gevolg van feit 2, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze schadevergoeding ziet volgens de benadeelde partij op angst, stress en paniek die hij sinds het verkeersongeval bij deelname aan het verkeer ervaart.

De verdediging betwist de vordering, omdat deze niet is onderbouwd.

Om in aanmerking te komen voor een vergoeding van immaterieel nadeel is vereist dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek.

Voor het aannemen van een dergelijke aantasting is vereist dat sprake is van psychisch letsel dat naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld. Het is aan de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens – bijvoorbeeld medische informatie – over te leggen waaruit dit blijkt. Uit de stellingen van de benadeelde partij blijkt niet van (objectiveerbaar) psychisch letsel.

Ook als psychisch letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aard en de ernst van de normschending waarmee een benadeelde partij is geconfronteerd, meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor een benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het is op zich niet onvoorstelbaar dat betrokkenheid bij een verkeersongeval (tijdelijk) leidt tot enige angst in het verkeer. De door de benadeelde partij gestelde gevolgen zijn evenwel niet van dien aard dat zonder meer gesproken kan worden van een aantasting in de persoon.

Gelet op het voorgaande,is er op basis van de huidige stellingen geen sprake van een geval waarin recht bestaat op smartengeld. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Hij kan zijn vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6, 175, 177 en 179 van de Wegverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

Strafbaarheid

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

de eendaadse samenloop van:

feit 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

en

feit 2: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging feit 1

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Feit 2

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;

Benadeelde partij

Ten aanzien van feit 2:

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, voorzitter, en mr. D. van Kralingen en mr. P.K.J. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 april 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

1hij, op of omstreeks 9 september 2024 te Breda , als verkeersdeelnemer, namelijk alsbestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de A16, zichzodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeftplaatsgevonden (nabij hectometerpaal 62.1) door roekeloos, in elk geval zeer,althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, doorterwijl op signaleringsborden/matrixborden naast/boven het wegdek van die A16aangepaste maximumsnelheden werden aangegeven van respectievelijk 70 km/u(nabij hectometerpaal 71,7) en 50 km/u (nabij hectometerpaal 61.9)met een snelheid van 105 km/u, althans met een snelheid die (fors) hoger lag dan dewettelijk toegestane maximumsnelheid, te rijden en/ofzijn snelheid niet zodanig aan te passen dat hij zijn voertuig tot stilstand konbrengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien enwaarover deze vrij was, en/ofniet (tijdig) op te merken dat het verkeer voor hem stilstond, en/ofvervolgens achterop een voor hem stilstaande personenauto te botsen,waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten eenbekkenfractuur of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijkeziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste,tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

2hij op of omstreeks 9 september 2024 te Breda als bestuurder van een voertuig((bedrijfs)auto), daarmee rijdende op de weg, De A16,terwijl op signaleringsborden/matrixborden naast/boven het wegdek van die A16aangepaste maximumsnelheden werden aangegeven van respectievelijk 70 km/u(nabij hectometerpaal 71,7) en 50 km/u (nabij hectometerpaal 61.9)met een snelheid van 105 km/u, althans met een snelheid die (fors) hoger lag dan dewettelijk toegestane maximumsnelheid, heeft gereden en/ofzijn snelheid niet zodanig heeft aangepast dat hij zijn voertuig tot stilstand konbrengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien enwaarover deze vrij was, en/ofniet (tijdig) heeft opgemerkt dat het verkeer voor hem stilstond, en/ofvervolgens achterop een voor hem stilstaande personenauto is gebotst, en/ofhiermee een kettingbotsing heeft veroorzaakt waarbij [slachtoffer] en/of [benadeelde 1][benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] schade en/of letstelheeft/hebben opgelopen,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd;( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?