ECLI:NL:RBZWB:2026:2820

ECLI:NL:RBZWB:2026:2820

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 10-04-2026
Zaaknummer C/02/433013 FA RK 25-1319 en C/02/439028 FA RK 25-4319
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Echtscheiding en nevenvoorzieningen-IPR-verdeling beperkte gemeenschap van goederen-kinderalimentatie-verwijzing naar UHA

Uitspraak

2. De feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

- zij zijn op [datum] 2021 in de gemeente Mons (België) met elkaar gehuwd;

- uit hun huwelijk zijn de volgende minderjarige kinderen geboren:

1- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] (België) op [geboortedag 1] 2022,

2- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] (België) op [geboortedag 2] 2025;

- zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;

- de vrouw bezit de Belgische nationaliteit en de man bezit de Nederlands nationaliteit;

- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.

3. De verzoeken

De man verzoekt, nu, samengevat,

- echtscheiding;

- voor zover partijen niet in onderling overleg een DNA-test hebben laten uitvoeren, een DNA-onderzoek te gelasten en te bepalen dat de vrouw gehouden is medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek van [minderjarige 2] ten aanzien van de man en te bepalen dat de kosten verbonden aan het DNA-onderzoek in beginsel voor rekening voor beide partijen voor de helft komen, doch in het geval de man niet de biologische vader van [minderjarige 2] blijkt te zijn te bepalen dat de kosten van het DNA-onderzoek gedragen dienen te worden door de vrouw;

- bepaling dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf zullen hebben bij de vrouw;

- te bepalen dat de naam van [minderjarige 2] wordt gewijzigd naar [naam] ;

- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;

- vaststelling van een door hem te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige [minderjarige 1] van € 81,= per maand en ten behoeve van [minderjarige 2] van € 25,= per maand;

- vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen;

- vaststelling van een door de vrouw te betalen vergoeding voor het gebruik van de gezamenlijke woning;

- te bepalen dat de vrouw gehouden is vanaf 14 maart 2025 de overige eigenaarslasten en de gebruikslasten van de gezamenlijke woning te voldoen.

De vrouw verzoekt, nu, samengevat,

- echtscheiding;

- bepaling dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar;

- vaststelling van een begeleide regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;

- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige [minderjarige 1] van € 450,= per maand en ten behoeve van [minderjarige 2] van € 414,= per maand;

- bepaling dat zij bevoegd is de bewoning van de gezamenlijke woning voort te zetten;

- vervangende toestemming om met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats 1] (België) en hun daar in te laten schrijven;

- vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen.

4. De beoordeling

De rechtbank acht partijen ontvankelijk in hun verzoek tot echtscheiding. De door hen aangevoerde omstandigheden zijn van dien aard dat van partijen redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat een door beide partijen opgesteld ouderschapsplan wordt overgelegd.

Echtscheiding

De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, aangezien ten tijde van de indiening van het verzoek partijen hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland.

De rechtbank zal op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dit verzoek zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

Verzoeken die zien op de kinderen

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op de op hen betrekking hebbende verzoeken.

De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen.

Ter beoordeling staan de verzoeken tot

a- het hoofdverblijf van de kinderen;

b- het gelasten van een DNA onderzoek;

c- een zorg- en contactregeling;

d- verhuizing van de vrouw met de kinderen naar België;

e- de voornaamswijziging van [minderjarige 2] .

Ad a. Hoofverblijf

Het verzoek van de vrouw tot het bepalen van het hoofdverblijf van de kinderen bij haar ligt als op de wet gegrond en niet weersproken voor toewijzing gereed.

Ad b. Het DNA onderzoek

Op de zitting heeft de vrouw zich bereid verklaard om mee te werken aan een DNA onderzoek om te bepalen of de man de biologisch vader van [minderjarige 2] is. De man is bereid om de kosten van dat onderzoek volledig te dragen, tenzij blijkt dat hij niet haar biologische vader is. Zoals besproken op zitting gaat de rechtbank er vanuit dat partijen dat in onderling overleg regelen. Deze afspraak bindt partijen, maar een beslissing hierover is (ook volgens partijen) niet langer nodig. De rechtbank zal het verzoek gelet op deze overeenstemming afwijzen.

Ad c. en d. De zorg- en contactregeling en verhuizing

De man legt aan zijn verzoek tot het vaststellen van een zorg- en contactregeling het volgende ten grondslag. Op dit moment is er geen contact tussen [minderjarige 1] en hem. Hij wenst te komen tot co-ouderschap door middel van een opbouwende regeling. Hij betwist, zoals de vrouw heeft aangevoerd, dat hij lijdt aan psychische klachten en dat het niet goed met hem gaat. Ten eerste overlegt de vrouw daarvan geen enkel objectief bewijsstuk en hetgeen zij aanvoert is van horen zeggen. Daarnaast blijkt uit de door hem overgelegde medische stukken van [persoon] (productie 9), dat hij al lange tijd stabiel is en dat hij zijn medicatie mag afbouwen. Inmiddels gebruikt hij sinds 1,5 jaar geen medicatie meer en was zijn laatste contact met GGZ in 2021. Volgens de man blijkt uit zijn aangifte bij de politie (productie 10) en de brief van Veilig Thuis (productie 11) dat het juist de vrouw is die afwijkend, agressief, gedrag richting hem laat zien.

Voor wat betreft het verzoek van de vrouw om te verhuizen naar België stelt de man zich op het standpunt dat dit verzoek moet worden afgewezen. Partijen zijn bewust in [woonplaats] gaan wonen in verband met het werk van de vrouw. Door de verhuizing naar België, in dit geval 174 km enkele reis, zal er onmiskenbaar een breuk in de contactregeling komen. Ook tussentijds contact, zoals bij de sport of activiteiten op school, zal verloren gaan. Daarnaast is de communicatie tussen partijen al slecht en zal deze door verhuizing alleen maar slechter worden. Verder heeft de vrouw niet aangetoond waarom zij niet in aanmerking komt voor een woning in [woonplaats] , zelfs niet of zij al staat ingeschreven. Ook moet kinderopvang in [woonplaats] tijdens het werk van de vrouw in [plaats 2] mogelijk zijn bijvoorbeeld bij de man of een gastouder dan wel nachtopvang. Overigens moet de vrouw in staat zijn om in de buurt van [woonplaats] werk te vinden. Zij kan zich prima redden in het Engels en kan een cursus Nederlands gaan volgen. Dit is ook beter voor de kinderen. De man concludeert dat de noodzaak om te verhuizen ontbreekt. Zijn belang bij omgang moet volgens hem zwaarder wegen dan het belang van de vrouw om te verhuizen.

Volgens de vrouw moet het verzoek van de man tot het vaststellen van een zorg- en contactregeling worden afgewezen. De man lijdt volgens haar aan schizofrenie. Zijn gedrag is in 2024 zorgelijker geworden waardoor onder meer de zorg voor [minderjarige 1] te wensen overliet en hij de vrouw als vijand is gaan zien. Gelet op de ziekte en het gedrag van de man, zoals schelden en onsamenhangend praten, is hij niet bekwaam om onbegeleid contact te hebben met de kinderen. Ook de rechtbank heeft blijkens de beschikking voorlopige voorzieningen veel contra-indicaties gezien. De vrouw heeft onverminderd haar zorgen over de man temeer omdat hij haar geen duidelijkheid geeft over zijn medische situatie. Daarbij komt dat de man sinds de geboorte van [minderjarige 1] , op enkele uren na, nooit alleen voor haar heeft gezorgd of interesse in haar heeft getoond. In [minderjarige 2] is de man helemaal niet geïnteresseerd. Voor haar geldt bovendien dat zij nog veel te jong is om lang van huis te zijn. Co-ouderschap is ondenkbaar omdat de man op geen enkele manier contact wenst met haar, aldus vrouw.

Aan haar verzoek tot verhuizing naar België legt de vrouw het volgende ten grondslag.

Na de echtscheiding zal zij geen enkele binding meer met Nederland hebben. Zij spreekt maar enkele woorden Nederlands en staat er alleen voor wat betreft een woning en werk vinden, verhuizen en inrichten. Met haar huidige inkomen zal de vrouw in Nederland geen woning kunnen kopen of particulier huren. Voor een sociale huurwoning zal zij zeker 8 tot 10 jaar moeten wachten. Enkel omdat de man in België geen werk kon vinden, heeft zij zich destijds in Nederland gevestigd. Bovendien werkt de vrouw in België. Zij is na haar zwangerschapsverlof weer aan de slag gegaan in het psychiatrisch ziekenhuis in [plaats 2] waar zij al 14 jaar werkt. Zij is voor de opvang van de kinderen afhankelijk van de steun van haar ouders die, na verhuizing, in de buurt woonachtig zijn. Zij heeft immers steeds wisselende diensten. Soms heeft ze dan in de ochtend geen opvang voor de kinderen en in de andere week niet in de avond/nacht. Er is geen mogelijkheid tot kinderopvang in de nabijheid van [woonplaats] op deze tijden. Verder heeft zij geen netwerk in [woonplaats] of omstreken. Zij moet daarom terugvallen op haar ouders en bij hen intrekken. Werk vinden in [woonplaats] is geen optie omdat zij geen Nederlands spreekt; dit was tijdens het huwelijk ook niet nodig. Daarnaast speelt dat de minderjarige [minderjarige 1] binding heeft met België en niet alleen met Nederland. Bovendien zijn de kinderen zich nog niet bewust van de plaats waar zij wonen en hebben zij in Nederland geen contacten met andere kinderen opgebouwd die zij gaan missen. Indien er een zorg- en contactregeling tot stand komt, is zij bereid om na verhuizing de kinderen naar station [woonplaats] te brengen en weer op te halen voor contact met de man.

Op de zitting is de situatie tussen partijen en de kinderen uitgebreid besproken. Gebleken is dat partijen inmiddels zijn aangemeld voor hulpverlening bij De Gezinsmanager. De vrouw heeft al een intake gesprek gehad, voor de man zal een gesprek op korte termijn gepland worden. Contact tussen de man en de kinderen ontbreekt vanaf oktober 2025. Verder is duidelijk geworden dat de huidige situatie zo is dat de vrouw door de week met de kinderen bij haar ouders in België verblijft en in het weekend, als zij niet hoeft te werken, in [woonplaats] . De man heeft om dit mogelijk te maken een formulier ondertekend dat zij onbeperkt met de kinderen mag reizen. Ook is gebleken dat het ouders nu samen niet lukt om zonder hulpverlening de problemen tussen hen op te lossen.

Met partijen en de Raad is vervolgens besproken welk hulpverleningstraject kan worden gevolgd. Zoals aangegeven op zitting vindt de rechtbank het, net als de Raad, nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Na een korte schorsing hebben partijen verklaard in te stemmen met een verwijzing in het kader van het Uniform Hulpaanbod waarbij het lopende hulpverleningstraject via De Gezinsmanager kan worden betrokken en de Raad kan adviseren voor zover het vrijwillige hulpverleningstraject niet (geheel) slaagt.

De rechtbank zal partijen en hun minderjarige kinderen dan ook voor (jeugd)hulpverlening verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De rechtbank hecht er daarbij aan te vermelden dat het de bedoeling is dat het al ingezette hulpverleningstraject bij De Gezinsmanager wordt voortgezet. De verwijzing heeft op 23 januari 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.

Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.

Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechtbank na overleg met de ouders besloten dat zij samen met de zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van

het kind; (keuze: lichte interventie);- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is

om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).

Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.

Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot de kinderen.

Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.

Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.

Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:

- In hoeverre komt een verhuizing van de vrouw met de minderjarigen, conform het verzoek van de vrouw, tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?

- Welke vorm van contact met de man komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?

- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?

- Zijn er contra-indicaties voor een zorg- en contactregeling en zo ja, welke?

- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?

Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.

Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.

De ouders zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.

Omdat ouders en hun kinderen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op de verzoeken met betrekking tot verhuizing en een zorg- en contactregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van negen maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.

Gezien het hulpverleningstraject ziet de rechtbank aanleiding om ook de beslissing over de voornaamswijzing van [minderjarige 2] voor de duur van negen maanden aan te houden.

Voortgezet gebruik woning, betaling eigenaars- en gebruikslasten van die woning.

Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek met betrekking tot die woning. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen.

Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat de vrouw tijdelijk met de kinderen bij haar ouders gaat wonen. De vrouw zal de woning uiterlijk binnen 3 weken na de zitting met de kinderen hebben verlaten waarna de man gerechtigd is tot het voortgezet gebruik van de woning. Zowel de vrouw als de kinderen blijven ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Roosendaal.

Verder is overeengekomen dat, vanaf het moment dat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten, zij de helft van de netto hypothecaire woonlasten aan de man voldoet. De man voldoet het resterende deel van de bruto hypothecaire woonlasten, alsmede de volledige gebruikslasten. De advocaten hebben toegezegd hiervan in onderling overleg een berekening te maken.

Voor wat betreft het verzoek van de man tot betaling van de overige eigenaarslasten vanaf 17 maart 2025 zijn partijen overeengekomen dat partijen deze zullen delen, zowel voor de periode dat de vrouw in de woning heeft verbleven als voor de periode dat de man erin verblijft. Het is aan partijen om in dit verband de te betalen bedragen te bepalen.

Bij het vorenstaande neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw onbetwist heeft verzocht om de over en weer verschuldigde bedragen te zijner tijd te verrekenen bij overdracht van de woning aan een derde.

De vrouw heeft haar verzoek tot het voortgezet gebruik van de woning ingetrokken. De man heeft zijn verzoek voor zover dat ziet op betaling van gebruikslasten vanaf 17 maart 2025 ingetrokken. Dit betekent dat de rechtbank op deze verzoeken niet meer hoeft te beslissen.

Gebruiksvergoeding

De man maakt op grond van primair artikel 1:165 BW en subsidiair artikel 3:169 BW aanspraak op een gebruiksvergoeding voor de periode dat de vrouw zonder hem in de woning heeft verbleven, te weten vanaf 14 maart 2025 totdat de vrouw de woning zal hebben verlaten. Voor de hoogte van de gebruiksvergoeding zoekt de man aansluiting bij de helft van de eigenaarslasten van de woning ter hoogte van € 1.520,30 per maand.

De vrouw betwist niet dat zij in beginsel een gebruiksvergoeding verschuldigd is, maar stelt dat deze pas kan ingaan vanaf de datum dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bovendien zou deze niet hoger kunnen zijn dan de helft van de netto hypotheekrente, omdat de man de volledige hypotheekrenteaftrek ontvangt.

De rechtbank overweegt als volgt. Een gebruiksvergoeding heeft tot strekking de deelgenoot (in dit geval de vrouw) die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot (in dit geval de man) gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en/of genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank doet het enkele feit dat de man na het verlaten van de echtelijke woning niet langer het woongenot van die woning had, er niet aan af dat partijen – zolang hun huwelijk nog niet is ontbonden – op grond van artikel 1:84 BW verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen. De rechtbank ziet om die reden geen aanleiding om op grond van de artikelen 1:165 of 3:169 BW voor de periode na het verlaten van de echtelijke woning door de man tot het moment van het vertrek van de vrouw een gebruiksvergoeding te bepalen. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat in de procedure voorlopige voorzieningen bij de berekening van de kinderalimentatie aan de zijde van de man rekening is gehouden met woonlasten, terwijl hij die feitelijk niet had. Verder is niet betwist dat de vrouw maandelijks mee heeft betaald aan de eigenaars- en gebruikslasten.

Kinderalimentatie

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

Op het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen is Nederlands recht van toepassing, omdat deze hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Tussen partijen staat vast dat de behoefte van de minderjarige [minderjarige 1] in 2024 (laatste

jaar van samenleven) € 844,= per maand bedroeg. Verder staat tussen hen vast dat de

behoefte van de minderjarige [minderjarige 2] in 2025 (geboortejaar) € 414,= bedroeg. Geïndexeerd

naar 2026 bedraagt de behoefte € 940,= respectievelijk € 433,= per maand.

Beoordeeld moet worden in welke verhouding de behoefte van de

minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook

in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte

van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht.

Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de minderjarigen

becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI),

waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals

opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.

Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.

Tussen partijen staat vast dat de vrouw een inkomen heeft van € 27.384,= netto per jaar oftewel € 2.282,= netto per maand, inclusief eindejaarsuitkering en vakantietoeslag. Bij gebrek aan bewijs stelt de man dat de vrouw in België recht heeft op kindgebonden budget. De rechtbank acht echter gelet op de concrete toelichting van de vrouw ter zitting aannemelijk dat in België geen sprake is van kindgebonden budget maar enkel van kinderbijslag. Volgens de vrouw moet in het licht van haar draagkracht geen rekening worden gehouden met de kinderbijslag omdat deze al in de behoeftetabellen is verwerkt. Ter zitting heeft de vrouw echter verklaard dat de kinderbijslag in België hoger is dan in Nederland te weten € 176,= in plaats van € 98,= per maand per kind en dat zij, ondanks dat zij nog in Nederland staat ingeschreven, hier recht op heeft. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om, zoals de vrouw subsidiair heeft aangevoerd, het inkomen van de vrouw op te hogen met € 156,= per maand (€ 176,= minus € 98,= maal 2). Daarmee becijfert de rechtbank het inkomen van de vrouw op € 2.438,= netto per maand. Verder staat tussen partijen vast dat de vrouw overigens geen aanspraak maakt op regelingen die in Nederland worden uitgekeerd indien er sprake is van kinderen.

De vrouw heeft de rechtbank op zitting verzocht rekening te houden met de door

haar maandelijks te betalen rente- en aflossing ter hoogte van € 417,= op een schuld die

tijdens het huwelijk is aangegaan voor de aanschaf van haar auto. Naar het oordeel van de

rechtbank moet met deze niet vermijdbare en niet verwijtbare last rekening gehouden

worden door het draagkrachtloos inkomen daarmee te verhogen. De man heeft op zichzelf het bestaan van deze schuld en de aflossingen die daarop worden gedaan ook niet weersproken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan 70% x [€ 2.438,= – (0,3 x € 2.438,= + € 1.365,= + € 417,=)] is nihil per maand.

Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.

De man heeft volgens de uitkeringsspecificaties (WW en Wajong) een inkomen van

€ 3.445,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde algemene heffingskorting, en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 2.562,= per maand.

De rechtbank houdt net als bij de vrouw rekening met een niet vermijdbare en niet

verwijtbare last, te weten de rente- en aflossing op een schuld die is aangegaan voor

de aanschaf van een auto ter hoogte van € 164,= per maand. Het draagkrachtloos inkomen

wordt daarmee verhoogd. De draagkracht van de man bedraagt dan 70% x [€ 2.562,= –

(0,3 x € 2.562,= + € 1.365,= + € 164,=)] is € 185,= per maand.

Zoals hiervoor overwogen zal er in het hulpverleningstraject gewerkt worden aan het tot stand komen van een contactregeling. De rechtbank acht het dan ook redelijk rekening te houden met een zorgkorting van 5%. Omdat de behoefte van de minderjarigen in totaal € 1.373,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 68,65 per maand.

Nu het tekort aan gezamenlijke draagkracht (€ 1.373,= minus € 185,= is € 1.188,=)

van de onderhoudsplichtigen om in de behoefte van de minderjarigen te voorzien meer dan

driemaal zo groot is als de zorgkorting waar de man recht op heeft, moet de man tot het

volledige bedrag van zijn draagkracht in de kosten van de minderjarigen voorzien.

Gelet op de behoefte van [minderjarige 1] (€ 940,= per maand, afgerond 70% van de totale

behoefte van de kinderen) en [minderjarige 2] (€ 433,= per maand, afgerond 30% van de totale

behoefte van de kinderen) zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage met ingang

van de datum van deze beschikking vaststellen op € 130,= per maand (70% maal € 185,=)

voor [minderjarige 1] en op € 55,= (30% maal € 185,=) per maand voor [minderjarige 2] .

De rechtbank heeft een berekening gemaakt. Een gescand exemplaar van

deze berekening is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit.

Verdeling

Nu de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-ter Verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen.

Nu partijen hun eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats na de huwelijkssluiting niet op het grondgebied van dezelfde staat vestigden en zij op het tijdstip van de huwelijkssluiting geen gemeenschappelijk nationaliteit bezaten, wordt krachtens artikel 26, lid 1 onder c van de Verordening hun huwelijksvermogensstelsel beheerst door het recht van de staat waarmee partijen samen op het tijdstip van de huwelijkssluiting, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de nauwste band hadden.

Het huwelijksvermogensstelsel van partijen is naar het oordeel van de rechtbank het nauwst verbonden met Nederland, omdat partijen hier het grootste gedeelte van hun huwelijk samen hebben gewoond en het merendeel van de goederen binnen de huwelijksgemeenschap zich in Nederland bevindt. Gezien het voorgaande is Nederlands recht op het verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van toepassing.

Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zijn na 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat voor hen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt.

Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 17 maart 2025 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die op die datum (de zogeheten ‘peildatum’) tot de beperkte gemeenschap behoorden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die op de peildatum tot de beperkte gemeenschap behoorden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd). Tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen behoren alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor genoemde datum van ontbinding hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften, maar ook pensioenrechten die al op basis van de wet moeten worden verevend. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor voornoemde datum van ontbinding zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren.

De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de verdeling.

Partijen zijn het erover eens dat op de peildatum de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:

de woning aan [adres] te [woonplaats] en de daaraan verbonden hypothecaire lening;

het saldo op de navolgende bankrekeningen

- [iban 1] , betaalrekening ten name van de man,

- [iban 2] , pensioenspaarrekening ten name van de man,

- [iban 3] , betaalrekening ten name van de man,

- ING spaarrekeningen ten name van de man,

- creditcardrekening met [nummer 1] ten name van de man,

- BNP Paribas [iban 4] ten name van de vrouw,

- ING Lion Account [iban 5] ten name van de vrouw,

- BNP Paribas [iban 6] , ten name van de vrouw,

- ING Lion Account [iban 7] , ten name van de vrouw;

c. - de auto van het merk Renault met [kenteken 1] en de

daarvoor afgesloten lening met [nummer 2] ;

- de auto van het merk Citroën met [kenteken 2] en de daarvoor afgesloten

lening;

- belastingschulden;

- de inboedel.

Ad a. de woning aan [adres] te [woonplaats] en de daaraan verbonden

hypothecaire lening.

Partijen zijn overeengekomen dat in afwachting van de resultaten van de

hulpverlening de woning nog onverdeeld blijft. In ieder geval staat tussen partijen vast dat de woning te zijner tijd aan een derde verkocht moet worden en dat 2 makelaars zullen worden aangezocht. Aan de makelaar die de hoogste verkoopprijs hanteert zal de verkoopdracht worden gegeven. De man handhaaft vooralsnog de aan zijn verzoeken verbonden dwangsommen ondanks dat de vrouw ook op zitting heeft aangegeven haar volledige medewerking aan verkoop te zullen verlenen. De beslissing over de woning zal worden aangehouden.

Ad b. de bankrekeningen

Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat de saldi per peildatum (17 maart 2025), zoals die blijken uit de door partijen meest recente overgelegde formulieren verdelen en verrekenen, tussen hen worden verdeeld bij helfte en dat ieder van partijen de op haar/zijn naam staande rekeningen voortzet. Voor wat betreft het saldo op de pensioenspaarrekening nummer [iban 2] op naam van de man heeft te gelden dat partijen dit saldo zullen becijferen aan de hand van productie 28 van de man. Het op de eerste bladzijde van die productie vermelde bedrag van € 1.226,91 zal worden verminderd met de tot de peildatum ingelegde bedragen en rentekosten. Partijen zijn overeengekomen dat het resultaat zal worden verdeeld bij helfte.

Ad c. en d. de auto’s

Tussen partijen staat vast dat de auto van het merk Renault met [kenteken 1] zonder nadere verrekening van de waarde wordt toebedeeld aan de man. De man neemt de voor de aanschaf van de auto afgesloten lening op zich in die zin dat enkel hij met uitsluiting van de vrouw draagplichtig is voor aflossing van die schuld.

Op de zitting is gebleken dat de vrouw, anders dan zij in de stukken heeft aangevoerd, de auto van het merk Citroën met [kenteken 2] aan zich toebedeeld wenst te zien. In geschil is tegen welke waarde dit moet gebeuren. De rechtbank zal de auto toedelen aan de vrouw tegen de door de man gestelde waarde van € 25.850,= omdat de man die waarde in tegenstelling tot de vrouw heeft onderbouwd met een koerslijst (productie 30). Aan het voorstel van de vrouw om de auto alsnog te laten taxeren gaat de rechtbank voorbij. Het had op de weg van de vrouw gelegen om eerder in deze procedure stukken over de waarde van de auto in het geding te brengen. De vrouw moet aan de man voldoen de helft van de waarde oftewel € 12.925,=.

Voor de aanschaf van de auto is een lening aangegaan. Tussen partijen staat vast dat het saldo daarvan € 14.070,07 bedraagt. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de voor de aanschaf van de auto afgesloten lening op zich moet nemen in die zin dat enkel zij met uitsluiting van de man draagplichtig is voor aflossing van die schuld. In de alimentatie-berekeningen is er immers rekening mee gehouden dat de vrouw op deze schuld aflost.

Ad e. de Belastingaanslagen-en teruggaven

Uit de stukken blijkt dat er sprake is van een aantal Nederlandse belastingschulden en een Belgische belastingschuld. Op de zitting heeft de vrouw haar verzoeken die zien op de Nederlandse belastingschulden ingetrokken. Voor wat betreft de Belgische belastingaanslag 2023 ad € 3.275,99 heeft de man op zitting uitdrukkelijk verklaard dat hij de helft hiervan oftewel € 1.638,= aan de vrouw zal voldoen.

Verder staat tussen partijen vast dat de man op 13 juni 2024 een belastingteruggave inkomstenbelasting 2023 ad € 4.844,= heeft ontvangen. Partijen zijn het erover eens dat de man helft hiervan oftewel € 2.422,= aan de vrouw moet voldoen.

Ad f. de inboedel

Partijen hebben hun verzoeken die zien op de verdeling van de inboedel op de zitting ingetrokken.

De vrouw heeft nog verzocht om afgifte van haar persoonlijke eigendommen. Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat deze aan haar door de man zullen worden afgegeven zodra hij de echtelijke woning gaat bewonen.

Gedeeltelijke overeenstemming

Zoals hiervoor is overwogen, zijn partijen het eens over de verdeling van een aantal vermogensbestanddelen te weten de saldi van de bankrekeningen, de auto van het merk Renault, de belastingaanslagen-en teruggaven en de persoonlijke spullen van de vrouw. Voor die bestanddelen zal de rechtbank geen beslissing opnemen in de (eind)beslissing, omdat er in dat geval geen taak is weggelegd voor de rechter. Partijen moeten wel uitvoering geven aan de gemaakte afspraken.

Overige bestanddelen

Voor wat betreft de andere vermogensbestanddelen zal de beslissing worden opgenomen in de eindbeslissing. De beslissing op de verdeling van de woning wordt immers op verzoek van partijen aangehouden.

Vergoedingsrecht

De man heeft zijn verzoek tot vergoeding/verrekening van de door hem betaalde kosten kinderopvang op de zitting ingetrokken. Daarbij zijn partijen overeengekomen dat de opvang voor de kinderen in Nederland zal worden opgezegd.

5. De beslissing

De rechtbank

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2021 in de gemeente Mons (België) met elkaar gehuwd;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarigen,

1- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] (België) op [geboortedag 1] 2022,

2- [minderjarige 2] . geboren te [geboorteplaats 2] (België) op [geboortedag 2] 2025;

hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;

verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;

verzoekt het loket om uiterlijk op 6 oktober 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o.4.22. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;

verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;

houdt aan de beslissing op de verzoeken met betrekking tot een zorg- en contactregeling, de verhuizing en voornaamswijziging tot 6 oktober 2026 pro forma;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de datum van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige

[minderjarige 1] aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van

€ 130,= (honderddertig euro) per maand;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de datum van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige

[minderjarige 2] aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van

€ 55,= (vijfenvijftig euro) per maand;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woning, gelegen aan [adres] te [woonplaats] , en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken, voort te zetten gedurende de duur van het hulpverleningstraject;

wijst af het verzoek van de man om een DNA-onderzoek te gelasten en te bepalen dat de vrouw gehouden is medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek van [minderjarige 2] en de kosten daarvan bij helfte te voldoen;

houdt de beslissing voor het overige aan tot 6 oktober 2026 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Meyboom, Baggel en Waanders, en, in tegenwoordigheid van mr. Van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Van der Plas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?