ECLI:NL:RBZWB:2026:2836

ECLI:NL:RBZWB:2026:2836

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 10-04-2026
Zaaknummer 02-083733-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling van verdachte wegens medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs. De onderschepte SkyECC chatgesprekken zijn voldoende bewijsmiddelen. Gelet op jeugdige leeftijd, artikel 63, omstandigheid dat het een ouder feit is en de overschrijding van de redelijke termijn met bijna 1 jaar, komt de rechtbank op flink lagere straf dan geëist. Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Geen bijzondere voorwaarden nu verdachte heeft gezwegen en daardoor invloed van problematiek op handelen niet duidelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-083733-23

vonnis van de meervoudige kamer van 10 april 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats]

wonende te [woonadres]

raadsman mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 maart 2026. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie,

mr. S.A.J. Louwers, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met andere(n) schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor harddrugs-criminaliteit in de periode 5 augustus 2020 tot en met 9 december 2020.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd gelet op de onderschepte SkyECC-chatberichten. Verdachte is geïdentificeerd als de gebruiker van het [account] . De onderschepte data is rechtmatig verkregen en de chatberichten van verdachte gaan over de voorbereiding van de handel in verschillende verdovende middelen. Verdachte was niet enkel iemand die berichten doorstuurde, maar heeft gezien de inhoud van de gesprekken ook daadwerkelijk beschikkingsmacht gehad over de verdovende middelen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen omdat er slechts sprake is van één wettig bewijsmiddel, te weten de onderschepte chatberichten. Er wordt dus niet voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. Daarnaast is er te weinig bewijs om te kunnen spreken van voorbereidingshandelingen, omdat verdachte in de meeste gevallen is benaderd en niet zelf heeft bijgedragen aan het bevorderen van het verstrekken van verdovende middelen.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Aanleiding onderzoek Argus

SkyECC is de naam van het bedrijf dat een versleutelde berichtendienst aanbood. Een SkyECC-toestel is een mobiele telefoon die voorgeprogrammeerd is en met een abonnement ter beschikking wordt gesteld. SkyECC bood meerdere modules voor de telefoons aan die functionaliteiten boden voor e-mail, instant chats, instant groepchats, notities, voicemail, beelden en berichten die automatisch worden vernietigd. Ook beschikten de telefoons over verschillende kenmerken waaronder een ‘distress wachtwoord’ en een ‘remote wipe’ waarmee het mogelijk is om (op afstand) alle data op het toestel te wissen. De telefoons werden anoniem en enkel tegen contante betaling verhandeld.

Op 1 november 2019 is in Nederland het opsporingsonderzoek Werl opgestart, waarbij de verdenking was gericht jegens het bedrijf SkyECC. Op 13 december 2019 hebben Nederland, België en Frankrijk een JIT-overeenkomst gesloten. Onderzoek Werl maakte deel uit van het JIT. Vanaf dit moment zijn de door Frankrijk geïntercepteerde data aan het gemeenschappelijke onderzoeksteam verstrekt en op die wijze gedeeld met Nederland en België. Een van de doelstellingen van het JIT was het gezamenlijk uitwerken, ontwikkelen en uitvoeren van de benodigde techniek om de gevoerde communicatie te kunnen ontsleutelen. Met het doel om versleutelingselementen en/of wachtwoorden te verkrijgen die gebruikt konden worden om de verbinding tussen toestellen en de SkyECC servers te kunnen ontsleutelen en de servers later forensisch te kunnen onderzoeken, werd door Nederlandse rechercheurs binnen het JIT een techniek ontwikkeld om een kopie te maken van het werkgeheugen van één van de servers zonder dat die offline zou gaan.

Toen duidelijk werd dat het mogelijk werd het berichtenverkeer te ontsleutelen en leesbaar te maken, is op 11 december 2020 het (Nederlandse strafrechtelijk) onderzoek Argus gestart. Dit onderzoek richtte zich op vermeende criminele samenwerkingsverbanden van Nederlandse gebruikers van SkyECC en gebruikers van SkyECC in Nederland. Vanuit onderzoek Werl werd informatie gedeeld met onderzoek Argus. Deze informatie betrof ook de getapte en verkregen SkyECC data.

Op 14 december 2020 heeft de officier van justitie in het onderzoek Argus bij de rechter-commissaris, onder verwijzing naar artikel 126t lid 1 en lid 6 Sv, gevorderd dat machtiging zou worden verleend voor het onderscheppen van SkyECC communicatie en voor het ontsleutelen van deze en van de reeds onder Franse rechterlijke machtiging vergaarde en verkregen communicatie. Daarbij werd aangegeven dat een aanzienlijk deel van de gebruikers van SkyECC zich in Nederland bevond. Aan de rechter-commissaris is inzage verleend in de beslissingen van de Franse rechter.

Identificatie verdachte

De chatgesprekken tussen de gebruikers van SkyECC zijn geautomatiseerd geanalyseerd en geclassificeerd. Op de zoektermen ‘colo, ‘boli’, ‘stempel’ en ‘ice’ zijn berichten naar voren gekomen van de gebruiker van SkyECC met [account] . Dit account was actief in de periode tussen 17 juni 2020 tot en met 16 december 2020. Op 13 juni 2022 is aanvullende toestemming gevraagd aan de rechter-commissaris om een onderzoek te doen naar het betreffende account. Deze toestemming is op 14 juni 2022 verleend. Aan de hand van de chatgesprekken is verdachte op basis van gestuurde foto’s van boetes op zijn adres, berichten over de Volkswagen Polo die hij op zijn naam had staan en over zijn betrokkenheid bij een mishandeling en zijn aanhouding hiervoor, het aanstralen van zijn telefoon op de Cell-ID in de nabijheid van zijn adres en het gebruik van verdachtes [voornaam] , geïdentificeerd als de gebruiker van het [account] . Dit wordt door de verdediging ook niet ontkend.

Inhoud chatgesprekken

Aan de hand van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vervolgens vast dat de verdachte in de periode van 5 augustus 2020 tot en met 9 december 2020 als gebruiker van het [account] meermalen gesprekken heeft gevoerd over (de handel in) heroïne, amfetamine, MDMA, crystal meth en cocaïne, zoals ten laste gelegd. In de gesprekken, waarin verdachte kennelijk als tussenpersoon fungeert, wordt (onder andere) gesproken over het aanbieden, de prijs en het testen van die verdovende middelen. Deze gesprekken kunnen naar hun inhoud niet anders worden uitgelegd dan erop te zijn gericht de handel in verdovende middelen voor te bereiden of te bevorderen. De rechtbank heeft bij het gebruik en interpretatie van de SkyECC-berichten behoedzaamheid betracht. De rechtbank heeft enerzijds in aanmerking genomen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de gesprekken betrekking hebben op het plegen van strafbare feiten, maar anderzijds staat wel vast dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een versleutelde communicatiedienst en daarbij bepaalde woorden dan wel afkortingen gebruikt die duiden op diverse soorten (handel in) harddrugs. Het ligt op de weg van verdachte om uitleg te geven over de gesprekken waaraan hij heeft deelgenomen, maar dat heeft verdachte niet gedaan. Aan de interpretatie van de verbalisanten van zowel de inhoud van de gesprekken als de gebruikte termen en afkortingen zoals in het dossier opgenomen, wordt nu niets afgedaan en de rechtbank gaat er dan ook vanuit dat deze lezing juist is. De rechtbank is van oordeel dat de gesprekken waaraan verdachte heeft deelgenomen geen ruimte geven voor een andere lezing dan dat verdachte zich bezig heeft gehouden met illegale zaken.

Bewijsminimum

Het bewijs in deze zaak bestaat uit onderschepte SkyECC-berichten. De rechtbank gaat niet mee in het verweer van de verdediging dat er niet wordt voldaan aan het bewijsminimum omdat er slechts sprake zou zijn van één bewijsmiddel. Allereerst bestaat het dossier uit meerdere SkyECC-gesprekken, gevoerd door verschillende personen, op verschillende data binnen de tenlastegelegde periode. Het feit dat deze gesprekken zijn gevoerd via hetzelfde communicatienetwerk (SkyECC), maakt niet dat zij ook allemaal afkomstig zijn uit één bron. Daarnaast zijn binnen deze SkyECC-gesprekken afbeeldingen verstuurd van onder andere (vermoedelijke) MDMA-kristallen, een bakje met hierin vermoedelijk crystal meth, (blokken) cocaïne en twee roze pillen vermoedelijk MDMA, die de inhoud van de gesprekken ondersteunen. Al met al bieden de SkyECC-gesprekken een breed beeld van de handel in verschillende soorten verdovende middelen. Verder overweegt de rechtbank dat de bewijsregel van artikel 342, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) betrekking heeft op getuigenverklaringen. Het bewijs van een strafbaar feit mag niet uitsluitend worden gevonden in de verklaring van één getuige. Ontsleutelde berichten zijn geen getuigenverklaringen, maar schriftelijke bescheiden, meer in het bijzonder ‘andere geschriften’ als bedoeld in artikel 344, lid 1, onder 5, Sv en kunnen voor het bewijs worden gebruikt ‘in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen’. Een ander bewijsmiddel kan tevens een ‘ander geschrift’ zijn (ECLI:NL:HR:2004:AO9131). In dit geval betreft dat meerdere SkyECC-berichten. Dat er in het onderhavige dossier voor is gekozen om de verschillende berichten weer te geven in één proces-verbaal van bevindingen, maakt dit niet anders.

Conclusie

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor het plegen van een feit als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet. De rechtbank acht ook het medeplegen bewezen nu de SkyECC-(groeps)gesprekken duidelijk blijk geven van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en meerdere andere personen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 5 augustus 2020 tot en met 9 december 2020 te Breda, tezamen en in vereniging met anderen, om feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te breiden en/of te bevorderen, te weten het meermalen, in elk geval eenmaal, opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van

- ongeveer 500 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (feit A) en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(olie) (feit B) en

- 15 stuks kristallen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (feit C) en

- 30 stuks Ice pegels, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine (feit D) en

- een of meer blokken, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (feit E, feit G) en

- 100.000 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA

(feit F) en

- 20 liter en/of 25 stuks kristallen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (feit H)

zijnde heroïne en amfetamine en MDMA en methamfetamine en cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,

- zich en anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feiten, door

- een encryptische/PGP-telefoon voorhanden te hebben en

- met behulp van voornoemde encryptische/PGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account te weten [account] en

- als gebruiker van het [account] gesprekken te voeren met anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en/of verkopen van hoeveelheden verdovende middelen en

- als gebruiker van het [account] een of meer encryptische chatgesprekken te voeren met anderen over het testen van verdovende middelen en

- als gebruiker van het [account] encryptische chatgesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van de verdovende middelen en de levering van de te betalen geldbedragen en

- als gebruiker van het [account] afbeeldingen/foto’s van hoeveelheden verdovende middelen te ontvangen en versturen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt dat de geëiste straf te hoog is. Verdachte is nog jong - en was destijds nog jonger - en zijn rol was slechts beperkt. Verdachte heeft weliswaar geprobeerd geld te verdienen aan de drugshandel, maar dit was niet succesvol en verdachte is er financieel niet op vooruit gegaan. De genoemde hoeveelheden verdovende middelen zijn een te hoge inschatting zodat de richtlijnen van de LOVS voor de tenlastegelegde hoeveelheden niet passend zijn. Er is volgens de raadsman een taakstraf op zijn plaats gelet op de kleine rol van verdachte, de overschrijding van de redelijke termijn en de omstandigheid dat het een oud feit is. Het is niet zinvol om verdachte nog naar de gevangenis te sturen.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich gedurende vier maanden schuldig gemaakt aan voorbereidings-handelingen voor de handel in harddrugs.

De harddrugshandel op zichzelf brengt zware criminaliteit mee, waarbij geweld niet wordt geschuwd. Daarnaast wordt corruptie in de hand gewerkt wat het vertrouwen in de rechtstaat schendt. Daarbij komt dat handel in verdovende middelen een gevaar voor de volksgezondheid vormt en daardoor op zijn beurt ook vermogenscriminaliteit en overlast teweegbrengt. Verder brengt de handel in deze verdovende middelen mee dat een zwart-geld circuit ontstaat met alle gevolgen van dien. Dat is ook de reden dat op dergelijke feiten zware straffen zijn gesteld.

In deze drugshandel werd getracht om uit het zicht en uit de handen van politie en justitie te blijven door het gebruik van katvangers, door zo min mogelijk over de telefoon te communiceren en door versluierd en verhullend taalgebruik in de onderlinge communicatie en door gebruik van PGP-toestellen.

Verdachte heeft in een relatief korte periode veel chatgesprekken gevoerd waaruit blijkt dat hij kennelijk (al dan niet via anderen) de beschikking had over verschillende soorten harddrugs en hij bespreekt de mogelijkheid tot aankoop en verkoop en het testen hiervan met verschillende contacten. Ook heeft hij op verzoek een auto op zijn naam gezet. Verdachte was vermoedelijk niet een hele grote speler, maar hij was wel duidelijk ingebed in de criminele wereld van de harddrugshandel, zodat gesproken kan worden van een drugsmakelaar. Personen benaderden verdachte immers met de vraag of hij verschillende soorten harddrugs beschikbaar had, of kon verkopen. Hieruit maakt de rechtbank op dat hij de contacten had om niet alleen aan deze drugs te kunnen komen, maar deze ook te kunnen verkopen. Verdachte heeft zich om de gevolgen van zijn handelen kennelijk niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. Hij heeft de rechtstaat ondermijnd en geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen.

De persoon van verdachte

Verdachte heeft gezwegen bij de politie, heeft geen openheid van zaken gegeven bij de reclassering en is op zitting niet verschenen. Hoewel verdachte hiertoe het recht heeft, kan de rechtbank hem op deze wijze geen aanvullende vragen stellen en kan verdachte niet verduidelijken wat er in het dossier zit en evenmin wat zijn huidige persoonlijke omstandigheden zijn.

Verdachte is in het verleden vaker veroordeeld voor verschillende strafbare feiten, maar niet eerder voor relevante feiten. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is meermalen van toepassing.

Bij de reclassering heeft verdachte verklaard dat hij lachgas gebruikt om nare herinneringen of spanningen te laten dempen. Hij noemde zichzelf mentaal moe en zegt dat hij vergiftigd is en nare dingen in zijn wijk heeft gezien. Hij heeft gezegd niet te begrijpen dat mensen hem slecht behandelen. Verdachte vond bij de reclassering psychische hulp niet nodig maar wil mogelijk in de toekomst wel een beroep kunnen doen op de reclassering.

De reclassering acht in het rapport van 20 juni 2025 bijzondere voorwaarden geïndiceerd, gelet op de zorgelijke omstandigheden en de recente contacten met politie en justitie en het risico op herhaling.

Strafoplegging

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde feit, in het bijzonder de ondermijning van de rechtstaat en het te beschermen belang van de volksgezondheid, geen ruimte laten voor een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Vanwege het recidivegevaar ziet de rechtbank aanleiding voor een voorwaardelijk deel, om verdachte ervan te weerhouden weer strafbare feiten te plegen. Voor een taakstraf is hier naar het oordeel van de rechtbank geen plaats.

Gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS, straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, artikel 63 Sr, de jeugdige leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat het feit al bijna 6 jaar geleden is, acht de rechtbank een gevangenisstraf van veertien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk passend en geboden. De rechtbank houdt daarbij dus in meer strafmatigende zin rekening met de genoemde omstandigheden dan de officier bij zijn eis heeft gedaan.

Redelijke termijn

Bij de strafoplegging zal de rechtbank vervolgens rekening houden met het tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank stelt namelijk vast dat het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in deze zaak is geschonden. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had tegen hem een strafvervolging in te stellen. In dit geval moet de termijn worden gerekend vanaf 19 april 2023, te weten de datum van het eerste verhoor van verdachte. De behandeling van deze zaak is niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn, terwijl de rechtbank geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht, die deze overschrijding rechtvaardigen. De redelijke termijn is hiermee met bijna één jaar, ruim elf maanden overschreden. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat een strafvermindering moet worden toegepast van twee maanden.

Rekening houdend met deze strafkorting van twee maanden komt de rechtbank tot het opleggen van een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van bijzondere voorwaarden nu verdachte ook bij de reclassering heeft gezwegen en daardoor onduidelijk is gebleven welke problematiek verdachte heeft en hoe deze mogelijke problematiek zijn handelen beïnvloed heeft en eventuele recidive in de hand zou kunnen werken. Dat verdachte mogelijk gebaat is bij het opleggen van bijzondere voorwaarden, is geen criterium voor de rechtbank om bijzondere voorwaarden op te leggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14d, 14c, 47, 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, en voorwerpen, vervoermiddelen, gelden, of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Tempel, voorzitter, mr. E.B. Prenger en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.P.A.J. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S. Tempel
  • mr. E.B. Prenger
  • mr. S.C.S. van Bree

Griffier

  • mr. G.P.A.J. Joosen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?