Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-152763-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 april 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [verblijfplaats] ,
raadsman mr. P.C. Schouten, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op 12 en 13 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. E. van Aalst en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Tevens heeft mr. C.A.M. Dilven, advocaat te Roosendaal namens benadeelde partijen mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] hun vorderingen toegelicht.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1:de heer [slachtoffer 3] heeft verkracht dan wel dat hij ontucht met hem heeft gepleegd terwijl de heer [slachtoffer 3] aan zijn hulp of zorg was toevertrouwd;
feit 2:mevrouw [slachtoffer 1] heeft verkracht dan wel dat hij ontucht met haar heeft gepleegd terwijl zij aan zijn hulp of zorg was toevertrouwd;
feit 3:mevrouw [slachtoffer 2] heeft aangerand dan wel dat hij ontucht met haar heeft gepleegd terwijl zij aan zijn hulp of zorg was toevertrouwd;
feit 4:een telefoon met daarop kinderporno in zijn bezit heeft gehad.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1 tot en met 3, telkens in de primaire vorm, heeft begaan. Ook vindt zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een telefoon met daarop kinderporno in zijn bezit heeft gehad, zoals onder feit 4 ten laste is gelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft voor de feiten 1, 2 primair en 3 vrijspraak bepleit. Voor feit 2 subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het betasten van de borsten. Voor het overige wordt partiële vrijspraak bepleit.
Voor zover nodig gaat de rechtbank daar bij de bijzondere bewijsoverwegingen nader op in.
Voor feit 4 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 4
Aangezien verdachte voor feit 4 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 12 maart 2026;
- het proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal, pagina 367 van het einddossier.
Feiten 1 tot en met 3
Vaststaande feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt het volgende vast. In de nacht van 20 op 21 april 2024 was verdachte als flexmedewerker van het [uitzenbureau] werkzaam in de [zorginstelling] te [plaats 1] (hierna: de zorginstelling). Als zorgverlener was hij die nacht op de [afdeling] verantwoordelijk voor onder andere mevrouw [slachtoffer 1] , mevrouw [slachtoffer 2] en de heer [slachtoffer 3] . De [afdeling] is een psychogeriatrische afdeling voor mensen met enige vorm van dementie in verschillende fasen en vormen. Die nacht was verdachte, een jongeman van toen 22 jaar, de enige mannelijke zorgverlener op die afdeling.
Op 21 april 2024 hebben mevrouw [slachtoffer 2] , mevrouw [slachtoffer 1] en de heer [slachtoffer 3] tegen hun verzorgers verteld over seksueel misbruik dat die nacht met hen had plaatsgevonden.
Op 23 april 2024 is namens de heer [slachtoffer 3] aangifte gedaan van verkrachting door een man. Op 24 april 2024 is namens mevrouw [slachtoffer 1] eveneens aangifte gedaan van verkrachting door een man en op 26 april 2024 is namens mevrouw [slachtoffer 2] aangifte gedaan van aanranding door een mannelijke verzorger. Alle aangiftes zien op de nacht van 20 op 21 april 2024.
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat volgens artikel 342, tweede lid, Sv het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ertoe de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat zij de rechtbank verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de feiten en omstandigheden waarover het vermeende slachtoffer verklaart op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vraagt een beoordeling van het concrete geval.
Bij zedenzaken, die zich doorgaans kenmerken door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen (het vermeende slachtoffer en de verdachte), komt het veelal aan op de vraag in hoeverre de door één getuige verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring van die getuige. Hiervoor is niet voldoende dat getuigen ‘de auditu’, ofwel van horen zeggen, verklaren over wat zij van het vermeende slachtoffer hebben gehoord. De bron van deze verklaringen blijft dan immers steeds het vermeende slachtoffer. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die een de-auditugetuige persoonlijk heeft gedaan, maar die weliswaar niet het kernverwijt (bijvoorbeeld de seksuele handelingen) bevestigen, voldoende zijn om een rol van betekenis te spelen als steunbewijs. Het is dus niet per se vereist dat het steunbewijs betrekking heeft op de ten laste gelegde gedragingen.
Waardering verklaringen verdachte
Op 23 april 2024 is verdachte, die in België woonachtig was, door de Belgische politie gearresteerd en op 6 mei 2024 aan Nederland overgeleverd en aangehouden door de Koninklijke Marechaussee. Hij heeft vanaf dat moment meerdere verklaringen afgelegd. Op 6 mei 2024 heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij zo snel mogelijk zijn verhaal wilde doen en zich wilde verantwoorden. Ook heeft hij verklaard dat hij zich van geen kwaad bewust was.
Op 7 mei 2024 is verdachte weer door de politie gehoord en werd hem voorgehouden dat uit onderzoek aan zijn telefoon bleek dat hij op 20 april 2024 in Google onder andere op de volgende termen had gezocht: “kis fucjing grandma” en “Demente vrouw neuken”. Volgens de politie kreeg verdachte na confrontatie met deze zoekopdrachten een lach op zijn gezicht en verklaarde hij vervolgens dat hij niet inzag dat dit keiharde bewijzen zijn dat hij dit gedaan zou hebben en dat hij dat geen bewijs vond. Het zoeken naar de filmpjes was volgens verdachte niets meer dan een “ongelukkige timing” en hij bleef verklaren dat hij niets had gedaan en niemand seksueel benaderd had. Ook antwoordde verdachte op de vraag van de politie in hoeverre zij sperma zouden gaan aantreffen met: “niks, niet”. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij zich had afgetrokken in de middag voor zijn dienst begon. In de zorginstelling zelf zou hij geen seksuele handelingen met zichzelf of anderen hebben verricht. Op de vraag of hij iets kon zeggen over wat er op seksueel gebied met mevrouw [slachtoffer 1] was voorgevallen, antwoordde verdachte “Niks, nogmaals niks.” En op de vraag of het zou kunnen, antwoordde hij “Nee, zeker niet”. Toen verdachte werd geconfronteerd met de seksuele handelingen die volgens mevrouw [slachtoffer 1] hadden plaatsgevonden, bleef verdachte stellig ontkennen. Hij heeft hierover verklaard het bijzonder te vinden dat er zo gedetailleerd was verklaard, omdat je normaal gesproken niet echt kloppende zinnen krijgt van mensen met dementie. Tot slot heeft verdachte op 7 mei 2024 verklaard dat hij vindt dat een persoon die dergelijke handelingen op een later moment kan benoemen niet echt thuishoort op een gesloten afdeling, omdat die daar ‘geestelijk te goed’ voor is.
Op 17 en 18 juni 2024 werd verdachte opnieuw gehoord door de politie. Hij heeft tijdens dat verhoor herhaald dat hij zich in de namiddag vóór zijn nachtdienst had afgetrokken. Dit was nog toen hij thuis was. Ook had hij tijdens de nachtdienst naar porno gekeken, maar zich niet afgetrokken.
Vervolgens werd verdachte bij het verhoor van de politie van 8 juli 2024 medegedeeld dat op het hoeslaken van mevrouw [slachtoffer 1] een spermaspoor was aangetroffen en dat uit de bemonstering van dit spoor een DNA-profiel was afgeleid dat één miljard keer waarschijnlijker is wanneer de verdachte de donor is dan wanneer dit niet zo is. Verdachte reageerde daarop door te zeggen “Ik dacht dat het negatief was allemaal”. Verdachte bleef volhouden dat hij zich die middag vóór de nachtdienst thuis had afgetrokken en verklaarde te blijven zeggen dat hij het niet gedaan had.
Tijdens het verhoor op 29 augustus 2024 heeft de politie een uiteenzetting gegeven over de aangetroffen sporen, waarna verdachte reageerde dat hij niets qua seksuele dingen had gedaan met patiënten. Op de vraag hoe het spermaspoor op het hoeslaken kwam van mevrouw [slachtoffer 1] verklaarde verdachte dat hij daar niks over wilde zeggen.
In het vervolg van dit verhoor werd verdachte weer geconfronteerd met de eerder genoemde zoektermen op internet, waarna hij verklaarde deze zelf ingetoetst te hebben maar er verder weinig van te weten. Ook verklaarde hij opnieuw dat het “ongelukkige timing” was dat hij op 20 april 2024 die zoektermen had gebruikt.
Op 3 januari 2025 werd verdachte door de politie gehoord, omdat hij een nadere verklaring wilde afleggen. Verdachte verklaarde toen voor het eerst dat hij zich tijdens de nachtdienst had afgetrokken in het kantoortje op de afdeling en dat hij was klaargekomen. Vervolgens had hij zijn handen afgeveegd met een doekje en met alcohol.
Een paar weken na deze verklaring werd verdachte door de rechtbank tijdens de pro-formabehandeling van 28 januari 2025 bevraagd. Hij verklaarde opnieuw dat hij zich tijdens de nachtdienst had afgetrokken in het kantoor op de afdeling en dat hij daarbij was klaargekomen. Het sperma was daarbij op zijn handen gekomen en hij had dat weggeveegd met tissues die in het kantoor lagen. Daarna had hij zijn handen met alcohol gedesinfecteerd. Tijdens deze verklaring heeft de rechtbank waargenomen dat verdachte afwisselend over de rugzijde van zijn beide handen wreef om uit te beelden hoe hij zijn handen had schoongemaakt.
Naar aanleiding van deze verklaring zijn door de verdediging onderzoekswensen ingediend die uiteindelijk geleid hebben tot een DNA-onderzoek op activiteitenniveau. Vervolgens is meerdere keren aan de verdediging de gelegenheid geboden nadere vragen te stellen aan de deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Al die tijd bleef verdachte bij zijn verklaring dat hij zich in het kantoor op de afdeling had afgetrokken en toen was klaargekomen.
Daarbij is het scenario geschetst dat verdachte vervolgens verzorgingshandelingen heeft verricht, wat volgens de verdediging een verklaring kon zijn voor de aangetroffen spermasporen op het hoeslaken en onder de vingernagels van mevrouw [slachtoffer 1] . Tijdens het DNA-onderzoek op activiteitenniveau zijn uit de door de officier van justitie en de verdediging genoemde scenario’s hypothesen afgeleid en onderzocht. De deskundige heeft – kortweg – de conclusie getrokken dat de resultaten van het DNA-onderzoek waarschijnlijker zijn wanneer verdachte de vagina van slachtoffer heeft betast met zijn vingers, haar hand op zijn penis heeft gelegd en haar oraal en vaginaal met zijn penis heeft gepenetreerd waarbij hij (deels) op het bed heeft geëjaculeerd (het scenario van de officier van justitie) dan wanneer verdachte geen seksuele handelingen heeft verricht bij slachtoffer, maar wel thuis en tijdens de dienst heeft gemasturbeerd en geëjaculeerd (het scenario van verdachte).
Op de inhoudelijke zittingsdag van 12 maart 2026 heeft verdachte zijn verklaring opnieuw aangepast in die zin dat hij zich wel in het kantoor heeft afgetrokken, maar daarbij niet is klaargekomen. Hij heeft mevrouw [slachtoffer 1] op haar kamer bij haar borsten vastgepakt/betast en heeft zich in haar aanwezigheid naast haar bed afgetrokken. Hij is toen klaargekomen, waardoor zijn sperma op haar hoeslaken terecht is gekomen. Verdachte heeft ook verklaard dat hij wel met een verklaring moest komen voor het aangetroffen sperma met daarin zijn DNA op het laken van mevrouw [slachtoffer 1] .
De verdediging heeft aangevoerd dat uitgegaan moet worden van deze laatste verklaring waarin verdachte een gedeeltelijke bekentenis aflegt over gepleegde ontuchtige handelingen. Volgens verdachte is dit de waarheid en meer is er niet gebeurd.
De rechtbank stelt op grond van vorenstaande opsomming vast dat verdachte vele wisselende verklaringen heeft afgelegd. Hij heeft zijn verklaring telkens aangepast als onderzoeksresultaten daar aanleiding toe gaven en heeft daarbij aantoonbaar meermalen gelogen, niet alleen bij de politie maar ook tegenover de rechtbank. Op verzoek van de verdediging is nader, kostbaar en tijdrovend onderzoek uitgevoerd naar een scenario waarvan verdachte wist dat het een verzinsel was. Op grond van het dossier staat ook vast dat verdachte zijn ouders, de reclassering en de psycholoog heeft voorgelogen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door verdachte afgelegde verklaringen volstrekt ongeloofwaardig zijn. Om die reden zal de rechtbank al zijn afgelegde verklaringen, dus ook zijn ter terechtzitting afgelegde verklaring, terzijde schuiven en niet gebruiken voor het bewijs.
Verklaringen van de vermeende slachtoffers
De rechtbank stelt voorop dat bij de vermeende slachtoffers sprake was van psychogeriatrische problematiek, in de zin dat zij allen in de ten laste gelegde periode enige vorm van dementie hadden. Dit betekent dat behoedzaam moet worden omgegaan met hun beschrijving van de gebeurtenissen aan hun verzorgenden, familie en de politie.
Mevrouw [slachtoffer 2]
Op 21 april 2024 ging verzorgende [getuige 1] rond 07.30 uur de kamer van mevrouw [slachtoffer 2] binnen. Zij zat al op haar bedrand te wachten en vertelde meteen tegen [getuige 1] dat die nacht een jongeman, de nachtbroeder, haar kamer in was gekomen met de sleutel en haar seksueel betast had. Ze was meerdere keren bij haar borsten gepakt, wat zij ook aan [getuige 1] uitbeeldde. Ook zei de man dat ze zijn gulp naar beneden moest doen.
In de aangifte namens mevrouw [slachtoffer 2] , verklaarde haar dochter ( [getuige 2] ) dat mevrouw [slachtoffer 2] vertelde dat de man zijn “kwastje” liet zien en haar vroeg of zij die kon maken. Met “kwastje” zou mevrouw [slachtoffer 2] zijn penis bedoelen.
In het politieverhoor van 6 mei 2024 verklaarde mevrouw [slachtoffer 2] dat zij in bed lag en dat de man ineens binnenkwam. De man zei “uit bed” en trok haar vervolgens bij haar arm uit bed. De man maakte bewegingen bij zijn kruis en vroeg of zij die kon maken. Mevrouw [slachtoffer 2] maakte zelf op dat moment bewegingen ter hoogte van haar kruis. Ze verklaarde verder dat de broek van de man uit was en zij zijn penis zag en hij daarmee stond te “knauwen”. Mevrouw [slachtoffer 2] heeft die man één keer op haar kamer gezien. Ze heeft verder nog verklaard dat ze het allemaal meteen de volgende ochtend heeft gezegd.
Mevrouw [slachtoffer 1]
Nadat zij bij mevrouw [slachtoffer 2] was geweest, ging verzorgende [getuige 1] rond 10:30 uur naar de kamer van mevrouw [slachtoffer 1] om haar wakker te maken. Mevrouw [slachtoffer 1] bleek al wakker te zijn en vertelde haar dat er een jongeman was binnengekomen en dat hij haar bij de borsten had gepakt, haar op het bed had geduwd en weer bij de borsten had gepakt. Hij had gezegd dat zij zijn piemel uit zijn broek moest halen. Zij moest zijn gulp en knoop open maken, waarop de man zei: “pak hem maar eens goed vast”. Ondanks dat zij dit niet wilde heeft zij het toch gedaan, omdat hij haar hand pakte en deze op zijn gulp legde. Mevrouw [slachtoffer 1] vertelde dat zij bang was dat zij klappen zou krijgen, omdat het zo’n grote knul was.
De dochter van mevrouw [slachtoffer 1] heeft namens haar moeder aangifte gedaan en heeft verklaard dat haar moeder aan haar had verteld dat zij lag te slapen toen er iemand binnenkwam. Toen haar moeder vroeg wat diegene kwam doen, werd er gezegd: "Dat merk je vanzelf wel - ik moet even wat doen". Haar moeder had gevraagd of dat nu moest en toen trok die persoon haar broek uit en ging "wroeten". De persoon vroeg: "even je benen uit elkaar". Mevrouw [slachtoffer 1] heeft toen voor het eerst het woord piemel genoemd. De dochter vroeg aan mevrouw [slachtoffer 1] of die persoon met zijn piemel in haar was geweest, waarna haar moeder dat bevestigde. Mevrouw [slachtoffer 1] heeft haar dochter ook verteld dat haar cappuccino niet lekker smaakte door wat ze in haar mond hadden gedaan. Nadat de dochter daarop had doorgevraagd, vertelde mevrouw [slachtoffer 1] : "hun piemel in mijn mond gestopt". Ook heeft mevrouw [slachtoffer 1] verteld dat ze in de broek van de man moest en moest voelen tot er vocht uit kwam. Zij wilde schreeuwen, er kwam geen geluid uit, vertelde zij haar dochter.
[getuige 3] , eveneens verzorgende, heeft verklaard dat zij op de avond van 21 april 2024 van mevrouw [slachtoffer 1] hoorde dat ze “hem” in haar mond heeft moeten nemen en dat het nat werd in haar mond. Zij vertelde twee keer hetzelfde verhaal aan de getuige. Tijdens het vertellen zat mevrouw [slachtoffer 1] als een kleine bange mus met angst in haar ogen. Zij zat helemaal in elkaar gedoken en zij beefde ook.
Diezelfde avond heeft mevrouw [slachtoffer 1] ook aan verzorgende [getuige 5] verteld dat zij gedwongen was en dat hij zijn penis in haar mond stopte. Ook zou zij gezegd hebben dat “daar beneden” ook het een en ander gebeurd was.
De kwaliteitsverpleegkundige van de instelling, [getuige 7] , heeft verklaard dat zij tijdens de avonddienst op 23 april 2024 op de kamer van mevrouw [slachtoffer 1] was. Mevrouw [slachtoffer 1] was angstig en zij vertelde dat zij aan zijn penis moest lurken. Zij durfde hem niet te stoppen en zij vertelde dat zij werd gedwongen.
Ook mevrouw [slachtoffer 1] is door de politie op 6 mei 2024 gehoord. Zij heeft toen verklaard dat “ze” binnen waren gekomen en dat hij zei “kleed je maar uit”. Toen zij dat niet deed, zou de man dit zelf gedaan hebben. Vervolgens werd zij overal betast. Zij wilde zich verdedigen, maar kon dat niet, omdat haar handen werden vastgehouden. Zij is bij haar borsten vastgepakt en is geduwd om te gaan zitten op het bed. Vervolgens is zij weer betast. Dit was bij haar borsten en “beneden”, “bij je plasser zal ik maar zeggen”. De persoon was volgens haar aan het voelen en gebruikte ook zijn penis. Zij zei “doet hij erin” en “waar het hoort”. Mevrouw [slachtoffer 1] heeft verklaard dat het niet zachtjes was, maar ruw. Soms werd haar mond dichtgehouden en ze dacht: “alles goed onthouden”.
De heer [slachtoffer 3]
Tijdens haar werkzaamheden in de zorginstelling op de avond van 21 april 2024 iets voor half negen in de avond werd [getuige 4] aangesproken door de heer [slachtoffer 3] . Hij liet haar weten dat hij al de hele dag aan het denken was om iets te vertellen. De heer [slachtoffer 3] vertelde vervolgens dat er een grote kerel achter hem stond en dat hij deze kerel niet van zich afgeslagen kreeg, omdat hij veel te groot was. Hij zei ook: “Hij stak iets in mijn achterste en ik kreeg hem niet van mij afgeduwd". De heer [slachtoffer 3] was volgens de getuige verdrietig en hij werd heel emotioneel bij het vertellen van zijn verhaal. [getuige 4] is met de heer [slachtoffer 3] naar haar collega's gegaan en daar heeft hij zijn verhaal opnieuw gedaan. [getuige 4] meldde verder nog dat de heer [slachtoffer 3] nooit sprak over seksualiteit.
Eén van die collega’s van [getuige 4] was [getuige 3] . Zij verklaarde dat de heer [slachtoffer 3] heel onrustig was en tegen haar gezegd had: “Dit ga ik je vertellen, want dit mag niemand anders overkomen, want straks pakt hij een kind. Het mag helemaal niemand overkomen, ik wil van deze viezigheid af. Dat is ook waarom ik het vertel. Maar het zit in mijn hoofd, want ik ben een hele dag al aan het nadenken hoe ik dit ga vertellen en wanneer ik dit ga vertellen. Het was een jonge man, ik schat hem 25, lang, sterk, want ik wilde hem van me afslaan maar dit lukte niet want hij was te sterk voor mij. Het bleef maar duren en ik dacht wanneer stopt het”. Volgens [getuige 3] huilde de heer [slachtoffer 3] toen hij dit vertelde.
De andere collega van [getuige 4] was [getuige 5] . Zij verklaarde dat de heer [slachtoffer 3] heel emotioneel was. Hij vertelde dat hij de hele dag met het gevoel rondliep of hij dit verhaal wel met iemand kon delen. De heer [slachtoffer 3] vertelde dat de broeder binnen kwam in zijn appartement en dat hij seksueel was misbruikt, verkracht, door de broeder. Hij vertelde dat de broeder heel wild was en dat hij probeerde de broeder van zijn rug te slaan, maar dat dit niet lukte omdat de broeder zo groot was. De heer [slachtoffer 3] maakte zich veel zorgen over het feit of die broeder dit ook bij kinderen zou doen en er meerdere slachtoffers zouden zijn. [getuige 5] verklaarde dat de heer [slachtoffer 3] vertelde dat zijn broek wild van hem werd afgetrokken, dat hij een incontinentiebroekje droeg en dat hij anaal was verkracht. De heer [slachtoffer 3] had tegen de nachtbroeder gezegd “kan het allemaal wat minder”.
De heer [slachtoffer 3] huilde die avond veel volgens de getuige.
Op 22 april 2024 verzorgde [getuige 6] de heer [slachtoffer 3] . Hij zei tegen haar “je wil niet weten wat ik vannacht hebt meegemaakt. Het was verschrikkelijk, het heeft heel lang geduurd. Hij heeft me gewoon van achteren gepakt en het deed ontzettend pijn". De heer [slachtoffer 3] zei ook tegen deze getuige “ik wilde dat hij ophield, maar hij hield niet op". De getuige zag de angst in zijn ogen. De heer [slachtoffer 3] vertelde ook “misschien heeft hij het al bij meerdere mensen gedaan". De getuige heeft verder verklaard dat de heer [slachtoffer 3] elke keer hetzelfde verhaal vertelde en ook elke keer daarbij vertelde dat hij hoopte dat het niemand anders overkomen was en dat hij niet op wilde houden. De heer [slachtoffer 3] had het daarbij over een jonge knul, een lange gast.
De stiefdochter van de heer [slachtoffer 3] heeft namens hem aangifte gedaan van verkrachting. De heer [slachtoffer 3] heeft haar verteld dat er een grote man in zijn kamer kwam toen hij lag te slapen. Deze man was grof in zijn taalgebruik en heeft de heer [slachtoffer 3] verkracht. De heer [slachtoffer 3] heeft geroepen: “kan het niet wat zachter, kan het niet wat zachter”. Ook verklaarde hij tegen haar dat het pijn heeft gedaan.
De heer [slachtoffer 3] werd op 6 mei 2024 door de politie gehoord. Hij verklaarde dat hij diep lag te slapen en dat de man heel grof was en zei dat hij zijn kop moest houden. De heer [slachtoffer 3] lag op zijn buik. De man was achter hem en de heer [slachtoffer 3] werd met een stok in zijn billen geduwd. Meneer [slachtoffer 3] verklaarde verder dat zijn broekje opengescheurd werd. Hij zei “en dan doet hij zo”. De verbalisanten merkten op dat zij zagen dat meneer [slachtoffer 3] bij die woorden zijn beide handen verticaal van boven naar beneden bewoog. Meneer [slachtoffer 3] verklaarde verder dat hij de stok heeft gevoeld, maar niet heeft gezien.
Betrouwbaarheid
De rechtbank stelt vast dat de getuigenverklaringen telkens voortkomen uit dezelfde bron, te weten vermeende slachtoffers mevrouw [slachtoffer 1] , mevrouw [slachtoffer 2] en de heer [slachtoffer 3] . De rechtbank moet beoordelen of hun verklaringen voldoende betrouwbaar zijn. Bij die beoordeling gaat de rechtbank onder andere uit van de duiding van hun psychogeriatrische problematiek door de personen die hen het beste kennen: de familieleden en de professionele zorgmedewerkers van de zorginstelling.
Voor mevrouw [slachtoffer 2] geldt dat, als wordt gevraagd naar haar medische toestand, haar dochter ( [getuige 2] ) heeft verklaard dat mevrouw [slachtoffer 2] achteruit ging, niet veel meer praatte en dat het moeilijk was om te begrijpen wat ze bedoelde, maar dat dit verhaal er juist wel goed uit kwam.
[getuige 1] heeft verklaard dat mevrouw [slachtoffer 2] heel direct was toen zij haar verhaal vertelde. Zij kon uit haar woorden komen, terwijl ze normaal meer van de hak op de tak ging. Mevrouw [getuige 1] vond haar heel overtuigend.
[getuige 7] heeft over de medische toestand van mevrouw [slachtoffer 2] ten tijde van de gebeurtenissen verklaard dat zij op dat moment bijna een jaar in de zorginstelling verbleef en dat zij goed was binnengekomen. Mevrouw [slachtoffer 2] kon de woorden niet meer vinden en raakte gefrustreerd in een gesprek, omdat ze het niet meer begreep. Wel is haar tijdbesef nog redelijk, zeker op de korte termijn.
Over mevrouw [slachtoffer 1] heeft [getuige 7] verklaard dat zij ten tijde van de gebeurtenissen pas een paar weken in de zorginstelling verbleef. Zij was nog heel zelfstandig en de getuige verklaarde dat mevrouw [slachtoffer 1] nog best goed was. Zij kon een verhaal wat verdraaien, maar over het algemeen kon ze het nog redelijk vertellen.
[getuige 5] heeft verklaard dat mevrouw [slachtoffer 1] uitgebreid was in haar verhaal, maar dat zij de dingen wel goed kon vertellen.
Volgens de dochter van mevrouw [slachtoffer 1] ( [getuige 9] ) was haar moeder vergeetachtig en kon zij moeilijk op namen komen, maar herkende zij haar familie wel. Ook kon mevrouw [slachtoffer 1] een grote fantasie hebben en kon zij tegen haar dochters verschillende versies van een verhaal vertellen, maar over de seksuele handelingen vertelde mevrouw [slachtoffer 1] wel steeds hetzelfde verhaal. Ook vertelde ze het verhaal gedetailleerd.
[getuige 6] heeft over de dementie bij de heer [slachtoffer 3] verklaard dat de verschijnselen meevielen toen hij in de zorginstelling kwam. Zijn Parkinson trad meer op de voorgrond dan de dementie. De heer [slachtoffer 3] zat in het beginnende stadium van dementie. Zijn geheugen was goed en hij kon dingen terug vertellen.
[getuige 7] heeft verklaard dat de heer [slachtoffer 3] redelijk goed in de zorginstelling was binnengekomen. Hij had hulp nodig bij de algemene dagelijkse handelingen, maar kon de instructies goed opvolgen. Verhalen en tijd haalde hij door de war, maar hij begreep alles wat gezegd werd.
Zijn stiefdochter ( [getuige 10] ) heeft verklaard dat de heer [slachtoffer 3] altijd erg gesloten is en geen emotie toont, maar nu toonde hij die wel.
Tot slot heeft [getuige 5] over alle drie de vermeende slachtoffers opgemerkt dat zij een vorm van dementie hadden, maar dat zij alle drie nog wel in de fase van dementie zaten dat zij dingen nog konden terughalen en verwoorden.
Tussenconclusie
Op grond van vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de drie vermeende slachtoffers allen tegenover familieleden, zorgpersoneel en de politie verklaard hebben over seksuele handelingen die met hen zijn verricht in dezelfde nacht. Hun verklaringen zijn concreet en gedetailleerd. Bovendien waren zij in staat om een samenhangend verhaal te vertellen en dat meerdere keren achter elkaar op verschillende momenten tegen verschillende personen, óndanks hun psychogeriatrische problematiek. Hoewel hun verklaringen over wat hen die bewuste nacht is overkomen niet gelijkluidend zijn, bevatten zij wel overeenkomsten. Zo omschrijven zij allen de persoon die de seksuele handelingen verrichtte als een jonge man, was er sprake van grof taalgebruik en ruw gedrag. Zij werden allen overrompeld, terwijl zij in hun kamer lagen te slapen. De kans dat drie bewoners van een psychogeriatrische afdeling, los van elkaar, spontaan op deze wijze een dergelijke concrete, gedetailleerde, maar valse beschuldiging zouden uiten jegens eenzelfde persoon is volgens de rechtbank denkbeeldig.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen van de vermeende slachtoffers in beginsel betrouwbaar zijn en daarmee gebruikt kunnen worden voor het bewijs.
Dat sprake is geweest van het ‘rondzingen’ van een verhaal, zoals naar voren gebracht door de verdediging, vindt geen steun in het dossier. Er zijn geen aanwijzingen dat de vermeende slachtoffers contact hebben gehad met elkaar voordat zij naar buiten zijn gekomen met hun verhaal, noch is gebleken dat het personeel in aanwezigheid van de bewoners of hun familieleden over de gebeurtenissen heeft gesproken. Dat hun verklaringen over de seksuele handelingen die bij hen zijn verricht verschillen, vormt voor de rechtbank bovendien een contra-indicatie voor het gestelde ‘rondzingen’.
Steunbewijs
Nu de rechtbank de verklaringen van de vermeende slachtoffers betrouwbaar en dus bruikbaar vindt voor het bewijs, dient zij vervolgens te beoordelen in hoeverre deze verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen.
Gedragsverandering
Uit het dossier blijkt dat zowel familieleden als verzorgend personeel hebben verklaard dat kort na de gebeurtenissen in de nacht van 20 op 21 april 2024, bij alle drie de vermeende slachtoffers het gedrag was veranderd en de mate van dementie verergerd leek te zijn.
Volgens de dochter van mevrouw [slachtoffer 2] was haar moeder heel stil en zag zij heel bleek. Zij verklaarde dat haar moeder ook bang was dat die persoon terug zou komen. [getuige 5] constateerde dat mevrouw [slachtoffer 2] na het gebeuren verdrietig bleef.
Verzorgende [getuige 1] heeft verklaard dat mevrouw [slachtoffer 1] eerst zelfstandig haar incontinentiebroekje kon verschonen, maar dat dit in de weken na het incident was veranderd. Zij was incontinent, angstig en bang geworden.
De dochter van mevrouw [slachtoffer 1] heeft verklaard dat mevrouw [slachtoffer 1] na het gebeuren geen afscheid wilde nemen en niet alleen gelaten wilde worden.
[getuige 3] heeft verklaard dat toen mevrouw [slachtoffer 1] over het voorval sprak, zij een kleine bange mus zag met angst in de ogen. Ze zat helemaal in elkaar gedoken en beefde. Zij was helemaal gespannen, terwijl zij volgens getuigde [getuige 3] normaal gesproken heel ontspannen was.
[getuige 5] heeft verklaard dat mevrouw [slachtoffer 1] angstiger was geworden en dat het badkamerlicht nu ook aan moest blijven bij haar. Ook wordt er nu op haar kamerdeur geklopt, omdat mevrouw [slachtoffer 1] het anders eng vindt.
Verzorgende [getuige 6] heeft over de heer [slachtoffer 3] verklaard dat hij na het voorval hard achteruit was gegaan met betrekking tot zijn dementie. Zij merkte echt een verschil aan hem van hoe hij was voor het voorval in vergelijking met daarna. Ook werd hij, anders dan daarvoor, onrustig als zijn vrouw weg wilde gaan na een bezoek. Verder werd de heer [slachtoffer 3] sneller boos.
Zijn stiefdochter heeft verklaard dat hij verdrietig en verslagen was. Ook zei de heer [slachtoffer 3] “Dat ik dit nog moet meemaken”.
[getuige 4] heeft over de gemoedstoestand van de heer [slachtoffer 3] verklaard dat hij bij het vertellen van zijn verhaal verdrietig was en heel emotioneel werd. Dit uitte zich in huilen en nerveus zijn.
[getuige 3] merkte op 21 april 2024 dat de heer [slachtoffer 3] zich anders gedroeg. Hij was onrustig en liep meer heen en weer. Bij het vertellen van zijn verhaal was de heer [slachtoffer 3] ook emotioneel. Hij was aan het huilen. Volgens [getuige 3] was de heer [slachtoffer 3] normaal gesproken niet zo emotioneel. Zij hadden hem nooit zien huilen. De heer [slachtoffer 3] had veel charme, lachte normaal gesproken veel, maar nu zat er een gebroken man.
[getuige 7] heeft verklaard dat zij aan de heer [slachtoffer 3] een plotselinge verandering merkte en dat het heel hard ging in zijn dementieproces sinds het gebeuren. De heer [slachtoffer 3] was sindsdien ook wat meer in zichzelf gekeerd en plaste meerdere keren in zijn eigen kamer.
Ook [getuige 5] heeft bij de heer [slachtoffer 3] een verandering geconstateerd: hij was niet meer zichzelf. Hij was heel boos, soms tegen het agressieve aan. Ook werden er doodswensen door hem geuit.
De echtgenote van de heer [slachtoffer 3] , [getuige 8] , heeft verklaard dat zij op 21 april 2024 in de middag bij hem was. Het viel haar op dat hij abnormaal stil was. Zij herkende zijn gedrag niet en hij was anders dan anders. Hij was in zichzelf gekeerd en sprak met niemand. Het viel haar die middag op dat hij over zijn eigen kleuren heen kleurde, iets wat hij daarvoor nooit deed.
[getuige 8] merkte ook op dat haar echtgenoot vóór het incident minder trilde door zijn Parkinson dan daarna. Tot slot viel haar op dat hij opstandiger was en boos reageerde; iets was hij nooit had gehad.
Ook [getuige 8] heeft verklaard dat de heer [slachtoffer 3] suïcidale uitspraken deed. Die had hij daarvoor nooit geuit.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat bij alle drie de vermeende slachtoffers in meer of mindere mate sprake is geweest van een gedragsverandering. Deze veranderingen zijn niet alleen door familieleden beschreven, maar ook door professionele zorgmedewerkers geconstateerd. Bovendien is een gedragsverandering een algemeen bekend verschijnsel dat (ook) past bij een situatie van seksueel misbruik.
Zoektermen op internet en bezochte websites
Uit onderzoek van de telefoon van verdachte blijkt dat hij in de middag van 20 april 2024 in Google onder andere op de volgende termen heeft gezocht: “kis fucjing grandma” en “Demente vrouw neuken”. Vervolgens heeft hij de websites “ [website 1] ”, “ [website 2] ” en “ [website 3] ” bezocht. De politie heeft vastgesteld dat sprake is geweest van zoektermen die via een fysieke handmatige handeling door de gebruiker van de gegevensdrager uitgevoerd zijn. Dit houdt dus in dat verdachte zelf enkele uren voor de ten laste gelegde feiten 1 tot en met 3 deze zoektermen in het zoekprogramma van Google op zijn telefoon heeft getypt.
Spermasporen
Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat op het hoeslaken van het bed van mevrouw [slachtoffer 1] en onder een aantal van haar nagels sporen van sperma zijn aangetroffen.
Van de spermasporen op het hoeslaken, onder de nagel van de duim van de linkerhand en onder de nagel van de middelvinger van de rechterhand van mevrouw [slachtoffer 1] heeft het NFI een DNA-profiel verkregen. Het DNA-profiel van deze drie bemonsteringen is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer verdachte daarvan de donor is, dan wanneer dit niet zo is.
Gebleken is dat het DNA-mengprofiel dat is verkregen uit de bemonstering van het spermaspoor onder de nagel van de wijsvinger van de linkerhand ongeveer 980.000 keer waarschijnlijker is wanneer verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is.
Gelet op de grote bewijskracht gaat de rechtbank er van uit dat het sperma daadwerkelijk van verdachte was.
Samenvattend:
- drie oudere bewoners van een zorginstelling hebben onafhankelijk van elkaar op 21 april 2024 spontaan en gedetailleerd verklaard dat zij slachtoffer zijn geworden van een seksueel misdrijf;
- bij alle drie zou dit zijn gebeurd in de nacht van 20 op 21 april 2024;
- zij hebben alle drie verklaard dat een jongeman dat heeft gedaan; mevrouw [slachtoffer 2] verklaarde dat het de nachtbroeder was. Mevrouw [slachtoffer 1] en de heer [slachtoffer 3] spraken over een lange, jonge man;
- alle drie verklaarden zij dat de jonge man zich ruw had gedragen;
- verdachte is een lange, jonge man en de enige man die die nacht op de betreffende afdeling is geweest;
- de vermeende slachtoffers hebben niet met elkaar gesproken en uit niets blijkt dat zij op de hoogte waren van elkaars verhalen;
- bij de vermeende slachtoffers zijn zowel door verzorgend personeel als familie gedragsveranderingen waargenomen;
- verdachte heeft kort voor zijn nachtdienst op internet gezocht naar porno die ziet op seks met oudere demente vrouwen;
- bij mevrouw [slachtoffer 1] is DNA (in sperma) van verdachte aangetroffen;
- verdachte heeft meermalen zijn verklaring aangepast, veelal op een moment dat er nieuwe, belastende informatie aan het dossier werd toegevoegd.
De verklaringen van de vermeende slachtoffers zijn dan ook niet alleen betrouwbaar, maar worden in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen. De overtuiging dat verdachte de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd baseert de rechtbank per feit steeds mede op de bewijsmiddelen die (primair) zien op de andere twee feiten.
Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de heer [slachtoffer 3] met een voorwerp heeft verkracht, zoals onder feit 1 primair ten laste is gelegd. Het met de penis en/of meerdere vingers in de anus brengen kan niet worden bewezen, evenals het bij de heer [slachtoffer 3] in bed kruipen. Van die onderdelen wordt verdachte partieel vrijgesproken.
Ook kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte mevrouw [slachtoffer 1] heeft verkracht, zoals onder feit 2 primair ten laste is gelegd.
Tot slot kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd jegens mevrouw [slachtoffer 2] , zoals onder feit 3 primair ten laste is gelegd.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
in de periode 20 april 2024 tot en met 21 april 2024 te [plaats 1] , door geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , hebbende verdachte
- een voorwerp in de anus van die [slachtoffer 3] gebracht en geduwd
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte
- in de voor nachtrust bestemde tijd de (slaap)kamer van die [slachtoffer 3] is binnengegaan en
- die [slachtoffer 3] – terwijl hij lag te slapen - heeft overrompeld en vastgepakt en
- een fysiek overwicht heeft gehad op die [slachtoffer 3] en
- misbruik heeft gemaakt van de lichamelijke gezondheid en gesteldheid van die [slachtoffer 3] en
- terwijl die [slachtoffer 3] heeft geroepen of het niet zachter kon en dat het pijn deed, voorbij is gegaan aan de verbale signalen van verzet van die [slachtoffer 3] en
- aldus voor die [slachtoffer 3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan hij zich niet kon onttrekken;
2
in de periode 20 april 2024 tot en met 21 april 2024 te [plaats 1] , door geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die
[slachtoffer 1] , hebbende verdachte
- zijn penis in de vagina en de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en geduwd en
- de borsten en vagina van die [slachtoffer 1] vastgepakt/betast en
- zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 1] vast laten pakken
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte
- in de voor nachtrust bestemde tijd de (slaap)kamer van die [slachtoffer 1] is binnengegaan en
- de onderbroek en/of luier van die [slachtoffer 1] heeft uitgetrokken en
- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd “ik moet even wat doen” en “even je benen uit elkaar” en
- een fysiek overwicht heeft gehad op die [slachtoffer 1] en
- misbruik heeft gemaakt van de lichamelijke gezondheid en gesteldheid van die [slachtoffer 1] en
- aldus voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan zij zich niet kon onttrekken;
3
in de periode 20 april 2024 tot en met 21 april 2024 te [plaats 1] , door andere feitelijkheden [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit
- het vastpakken/betasten van de borsten van die [slachtoffer 2] en
- het tonen van zijn, verdachtes, penis aan die [slachtoffer 2] en daarbij aan die [slachtoffer 2] – zakelijk weergegeven - vragen of zij die kon maken
en bestaande die andere feitelijkheden hierin dat verdachte
- in de voor nachtrust bestemde tijd de (slaap)kamer van die [slachtoffer 2] is binnengegaan en terwijl die [slachtoffer 2] in bed lag en
- een fysiek overwicht heeft gehad op die [slachtoffer 2] en
- misbruik heeft gemaakt van de lichamelijke gezondheid en gesteldheid van die [slachtoffer 2] en
- aldus voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan zij zich niet kon onttrekken;
4
in de periode van 13 december 2023 tot en met 24 april 2024 te [plaats 2] , België
meermalen een gegevensdrager, te weten
- een mobiele telefoon (merk Samsung Galaxy S20), goednummer PL2000-2024100058_2718251, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is
betrokken,
in bezit heeft gehad en/of
zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:
het met een penis, een vinger/hand en/of mond/tong oraal en/of
vaginaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de
leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
en
het met vinger/hand, vaginaal penetreren van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
(foto’s in toonmap 01, 02, 03, 04, 05, 06, 07 en 08)
en
het met een penis en/of mond/tong aanraken van het
geslachtsdeel en/of billen van een persoon die kennelijk de leeftijd van
18 jaar nog niet had bereikt
en
het met een vinger/hand en/of een voorwerp aanraken
van het eigen geslachtsdeel en/of billen door een persoon die kennelijk
de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
(foto`s in toonmap 05, 07 en 03)
en
waarbij de afbeeldingen (aldus) telkens een onmiskenbaar seksuele
strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van acht jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Tevens vordert zij oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en een beroepsverbod voor de duur van dertien jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over een strafoplegging bij enige bewezenverklaring.
Het oordeel van de rechtbank
De ernst van de feiten
Verdachte heeft twee bewoners van de zorginstelling waar hij als verzorgende werkzaam was verkracht en een derde bewoner aangerand. Dit zijn uitzonderlijk ernstige feiten.
De slachtoffers waren (hoog)bejaard en leden aan een vorm van dementie. Zijn slachtoffers verloren langzaam hun grip op de wereld om hen heen, waardoor zij afhankelijk waren van de zorg van anderen. Zij vonden houvast bij hun families en de zorgmedewerkers van de instelling waar zij verbleven. Verdachte heeft in die ene nacht dat hij in de instelling werkte op zorgwekkend gewetenloze wijze de slachtoffers dat houvast ontnomen. De slachtoffers konden zich niet of nauwelijks verweren tegen verdachte. Hij heeft misbruik gemaakt van hun bijzondere kwetsbaarheid en van zijn vertrouwenspositie als zorgverlener. Hij deed dat bovendien in het holst van de nacht in de eigen kamers van de slachtoffers – een omgeving die bij uitstek veiligheid en geborgenheid dient te bieden.
Verdachte dacht kennelijk alleen aan zijn eigen behoeftebevrediging. Verdachte moet gezien en gemerkt hebben hoe groot de angst en ontreddering van zijn slachtoffers was. Toch heeft hij die bewuste nacht meerdere keren besloten om zich te vergrijpen aan de slachtoffers.
Verdachte heeft een ernstige en diep ingrijpende inbreuk gemaakt op hun lichamelijke en psychische integriteit. Uit het dossier blijkt voldoende dat het misbruik diepe sporen bij de slachtoffers heeft achtergelaten. Zorgmedewerkers en familieleden hebben daarna bij alle drie de slachtoffers een gedragsverandering geconstateerd. Niet alleen voor de slachtoffers, maar ook voor de familieleden heeft het seksuele misbruik door verdachte van hun geliefde moeders, grootmoeders, echtgenoot, stiefvader en grootvader enorme gevolgen gehad. Zij hebben op zitting op indringende wijze duidelijk gemaakt hoe boos, bezorgd en verdrietig zij zijn. Zo heeft de dochter van mevrouw [slachtoffer 2] in haar spreekrechtverklaring naar voren gebracht dat zij als familie het idee hadden dat zij hun moeder en grootmoeder met een gerust hart op een veilige plek hadden ondergebracht, toen zij niet meer zelfstandig kon wonen. Verdachte heeft zowel het leven van mevrouw [slachtoffer 2] als dat van de familie kapot gemaakt. De familie maakt zich zorgen om mevrouw [slachtoffer 2] en zij voelen zich verantwoordelijk voor haar veiligheid. Zij hadden haar een onbezorgde oude dag gegund zodat ze kon genieten, maar nu hebben zij het gevoel dat zij tekortgeschoten zijn, omdat zij mevrouw [slachtoffer 2] niet hebben kunnen beschermen tegen verdachte.
De kleindochter van mevrouw [slachtoffer 1] heeft ter zitting verteld dat zij als familie sinds die dag niet meer zichzelf zijn. Er is sprake van pijn, onmacht en verdriet. Mevrouw [slachtoffer 1] leefde op in de zorginstelling en de familie dacht dat zij daar veilig was. Tot die dag van 21 april 2024. De familie zag toen meteen aan mevrouw [slachtoffer 1] dat er iets mis was. Zij heeft sinds het incident meerdere keren huilend gezegd: “voor mij hoeft het allemaal niet meer”. Voor mevrouw [slachtoffer 1] en de familie is het een enorm ingrijpende en traumatische gebeurtenis. “Woorden schieten tekort om het verdriet, de woede en de machteloosheid te beschrijven en om te zien hoe onze mama en oma elke dag opnieuw worstelt met iets dat haar nooit had mogen overkomen”, aldus de kleindochter van mevrouw [slachtoffer 1] .
De weduwe van de heer [slachtoffer 3] , mevrouw [getuige 8] , heeft verteld dat het leven van de familie en van de heer [slachtoffer 3] door het handelen van verdachte totaal ontwricht is geraakt. “Het zou nooit meer goed komen met onze lieve [slachtoffer 3] ”, zei mevrouw [getuige 8] op zitting. Het gemis van de heer [slachtoffer 3] en de ellende van deze ernstige gebeurtenis blijft voor de familie altijd aanwezig.
Verdachte heeft ook het vertrouwen dat de samenleving moet kunnen stellen in zorgverleners en zorginstellingen in ernstige mate geschaad. Dat dergelijk ernstig misbruik kan plaatsvinden in een zorginstelling voor kwetsbare ouderen zal onvermijdelijk leiden tot grote zorgen bij degenen die de zorg voor hun kwetsbare partner, ouder, grootouder of andere geliefde noodgedwongen aan anderen moeten overlaten.
De heer [slachtoffer 3] is gedurende deze strafzaak overleden en de dementie van mevrouw [slachtoffer 2] en mevrouw [slachtoffer 1] is na het misbruik verslechterd. Zij zullen nooit meer (kunnen) beseffen dat verdachte is veroordeeld voor wat hij hen heeft aangedaan.
Verdachte heeft ook een grote hoeveelheid kinderporno in bezit gehad. Hoewel in deze strafzaak de aandacht vooral op de misbruikfeiten was gericht, is ook dit een ernstig feit. Voor de vervaardiging van kinderpornografisch materiaal worden immers kinderen seksueel misbruikt en geëxploiteerd met alle verstrekkende en schadelijke gevolgen voor hen van dien. Door het downloaden en bewaren van kinderporno heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van de vraag ernaar en de productie ervan.
De persoon van de verdachte
Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking gekomen.
Verdachte heeft de misbruikfeiten bijna twee jaar lang ontkend en de geloofwaardigheid van de slachtoffers in niet mis te verstane bewoordingen ter discussie gesteld, terwijl ter zitting is gebleken dat het verdachte is die moedwillig lange tijd heeft gelogen tegen de rechtbank. Hij heeft met zijn advocaat bewerkstelligd dat er uiterst kostbaar en tijdrovend forensisch onderzoek is gedaan naar een - naar later bleek - verzonnen scenario. Tijdens de inhoudelijke behandeling verklaarde hij dat hij zich op de kamer van mevrouw [slachtoffer 1] zou hebben afgetrokken en dat hij een verklaring moest hebben waarom zijn sperma daar is aangetroffen: daarom had hij een scenario verzonnen.
Verdachte heeft met die proceshouding niet alleen onzekerheid, pijn en verdriet bij de familieleden van de slachtoffers veroorzaakt, maar ook een groot beslag gelegd op de zittingscapaciteit van de rechtbank en de onderzoekscapaciteit van het NFI en de aldaar werkzame deskundigen. Zijn advocaat heeft volstrekt onnodig de verdediging neergelegd tijdens de zitting van 4 september 2025 waarop de zaak aanvankelijk inhoudelijk behandeld zou worden, alleen al omdat het scenario dat hij nog verder wilde laten onderzoeken verzonnen blijkt te zijn. Deze strafzaak heeft daardoor een half jaar vertraging opgelopen en de familieleden van de slachtoffers hebben onnodig lang op een uitspraak moeten wachten. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat het morele kompas van verdachte kennelijk niet goed staat afgesteld.
Over de persoon van verdachte is door psycholoog drs. [psycholoog] op 31 augustus 2024 een rapport opgemaakt. In dat rapport komt de psycholoog tot de conclusie dat verdachte niet lijdt aan een psychische stoornis of verstandelijke beperking. Ook kon bij verdachte, mede door zijn ontkennende houding, niet worden vastgesteld of sprake was van een parafiele stoornis, maar deze kon ook niet worden uitgesloten. Op basis van die ontkennende houding kon evenmin een advies gegeven worden over de toerekenbaarheid. In statistische zin kon volgens de psycholoog wel gesproken worden van een in principe laag tot matig recidiverisico. Een individuele inschatting van het recidiverisico kon vanwege de ontkennende houding van verdachte niet gemaakt worden. De psycholoog zag geen indicaties om het jeugdstrafrecht toe te passen. Hij kon geen advies geven over een juridisch kader voor de afdoening.
Op 30 oktober 2025 is door psycholoog drs. [psycholoog] een aanvullend rapport opgemaakt, omdat ten tijde van het eerste rapport nog niet bekend was dat bij verdachte kinderporno was aangetroffen (feit 4). De psycholoog herhaalt in het aanvullende rapport zijn conclusie dat bij verdachte geen sprake is van een psychische stoornis of een verstandelijke beperking. Een parafiele stoornis kon ook in dit aanvullende rapport niet worden vastgesteld, maar ook niet worden uitgesloten. Het advies was en bleef om het tenlastegelegde volledig aan verdachte toe te rekenen.
Op 4 september 2024 heeft ook de reclassering een rapport uitgebracht over verdachte. Zij kan het recidiverisico niet vaststellen. De reclassering merkt wel op dat bij een bewezenverklaring de vraag gesteld kan worden waar het gedrag van verdachte vandaan komt. De rapporteur is van mening dat het gedrag van verdachte dusdanig sadistisch en bizar van aard is, dat het moeilijk te bevatten is dat geen stoornis vastgesteld is kunnen worden. Geadviseerd wordt om het volwassenenstrafrecht toe te passen en bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering zal bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in een later stadium in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling een en ander opnieuw beoordelen. Tot slot wordt een beroepsverbod in de zin van artikel 28 Sr geadviseerd, waarbij verdachte niet mag werken in de zorg of in een zorggerelateerde functie in de brede zin van het woord.
Straffen en maatregel
Bij het vaststellen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (verder: LOVS). De oriëntatiepunten van het LOVS gaan voor verkrachting met geweld of een daarmee vergelijkbare mate van dwang uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden. Voor de gepleegde aanranding bestaan geen oriëntatiepunten, maar de rechtbank is van oordeel dat in beginsel ook daarvoor gevangenisstraffen als uitgangspunt hebben te gelden.
Voor het bezit van kinderporno is het uitgangspunt een taakstraf van 240 uur en een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan een kort gedeelte onvoorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.
Gelet op het aantal feiten en de ernst daarvan ziet de rechtbank geen ruimte om een taakstraf op te leggen. Gelet op de uitgebrachte adviezen ziet zij evenmin ruimte voor een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.
Alles afwegend acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
De voorwaarden voor het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr zijn:
dat de maatregel noodzakelijk is voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen;
dat sprake is van een veroordeling wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld;
dat een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies van een reclasseringsinstelling door de officier van justitie wordt overgelegd.
Het reclasseringsrapport is ouder dan een jaar, maar de rechtbank stelt vast dat er sinds dat rapport niets is veranderd in de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij komt dat verdachte tijdens de gesprekken met de psycholoog en de reclassering is blijven ontkennen, wat het onderzoek naar zijn persoon heeft gefrustreerd. De rechtbank is verder van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten en overige signalen uit het dossier een zorgelijke ontwikkeling schetsen van een jonge man: van het kijken naar ‘reguliere’ volwassenenporno ging hij over tot het zelf maken van filmpjes waarin hij seksuele handelingen - alleen of met anderen- verricht en het verzamelen en bekijken van een grote hoeveelheid kinderporno, waarna hij is overgegaan tot het daadwerkelijk seksueel misbruiken van kwetsbare (hoog)bejaarde ouderen. Bovendien geeft zijn deels leugenachtige en deels ontkennende proceshouding er blijk van dat verdachte slechts in zeer beperkte mate verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en onvoldoende inzicht toont in de ernst en laakbaarheid daarvan. De rechtbank acht dit zorgwekkend, mede in het licht van het mogelijke risico op herhaling.
Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de proceshouding van verdachte, acht de rechtbank het risico op herhaling aanzienlijk, met name indien verdachte wederom in een positie zou verkeren waarin hij zorg draagt voor of gezag uitoefent over kwetsbare personen.
De rechtbank acht het ter bescherming van de algemene veiligheid van anderen dan ook nodig dat na de gevangenisstraf gedragsbeïnvloedende en/of vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden. De rechtbank zal dan ook de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opleggen, ondanks het ontbreken van een recent advies van de reclassering.
Beroepsverbod
In artikel 251, lid 2 (oud) Sr is bepaald dat de in artikel 28 Sr vermelde bijkomende straf van ontzetting van het recht een bepaald beroep uit te oefenen bij een veroordeling voor de bewezenverklaarde feiten 1 tot en met 3 kan worden uitgesproken, indien de verdachte de feiten in de uitoefening van dat beroep heeft begaan. De rechtbank stelt vast dat hiervan sprake is. De rechtbank ziet op grond van de aard van de delicten in combinatie met de werkomgeving waarin dit delict is begaan aanleiding om de ontzetting van het recht om het beroep van zorgmedewerker of een soortgelijke functie binnen de (sociaal) maatschappelijke zorg uit te spreken. De rechtbank acht het van groot belang dat wordt verzekerd dat verdachte voor een langere periode niet meer met van hem afhankelijke en kwetsbare personen in aanraking zal komen in de uitoefening van zijn beroep. Zij zal deze bijkomende straf opleggen voor de duur van dertien jaren (op grond van artikel 31, lid 1, sub 2 Sr: maximaal vijf jaren bovenop de op te leggen gevangenisstraf van acht jaren).
7. Het beslag
De onttrekking aan het verkeer
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de aan verdachte toebehorende mobiele telefoon terug te geven, na verwijdering van de aangetroffen kinderporno.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de mobiele telefoon van verdachte wordt onttrokken aan het verkeer. Op die telefoon is kinderporno aangetroffen en het verwijderen daarvan is een praktische onmogelijkheid. Er kunnen nog steeds sporen van kinderporno op achterblijven.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de onder verdachte in beslag genomen mobiele telefoon vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Op die telefoon is kinderporno aangetroffen en daarmee is de telefoon dus gebruikt bij feit 4. Bovendien is dat voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
8. De vorderingen van de benadeelde partijen
Mevrouw [slachtoffer 1] vordert als benadeelde partij een immateriële schadevergoeding van € 7.000,- voor feit 2.
Mevrouw [slachtoffer 2] vordert als benadeelde partij een immateriële schadevergoeding van € 5.000,- voor feit 3.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen goed zijn onderbouwd en voor toewijzing in aanmerking komen, inclusief wettelijke rente, en zij verzoekt de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van mevrouw [slachtoffer 1] toewijsbaar is en heeft verzocht om de vordering van mevrouw [slachtoffer 2] te matigen naar € 3.000,-.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partijen en dat hij verplicht is hun immateriële schade te vergoeden. De vorderingen zijn gebaseerd op artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de overgelegde stukken voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partijen ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast. Dat is ook niet betwist.
De door de benadeelden gevorderde bedragen aan schadevergoeding komen de rechtbank billijk voor en zij acht deze dan ook volledig toewijsbaar. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente voor beide vorderingen worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werden gepleegd, te weten 21 april 2024.
De rechtbank zal voor beide vorderingen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 28, 31, 36b, 36c, 36f, 38z, 57, 240b, 242 (oud), 246 (oud) en 251 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feiten 1 primair en 2 primair: telkens: verkrachting;
feit 3 primair: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;
feit 4: een gegevensdrager bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben en zich door middel van een geautomatiseerd werk de toegang daartoe verschaffen, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
- ontzet verdachte uit het recht tot de uitoefening van het beroep van zorgmedewerker, dan wel een soortgelijke functie binnen de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, voor de duur van 13 jaren;
Benadeelde partijen
T.a.v. feit 2
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij mevrouw [slachtoffer 1] van € 7.000,- aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 april 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer mevrouw [slachtoffer 1], € 7.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 april 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet-betaling 60 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
T.a.v. feit 3
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij mevrouw [slachtoffer 2] van € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 april 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer mevrouw [slachtoffer 2], € 5.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 april 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet-betaling 50 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- verklaart aan het verkeer onttrokken het voorwerp: een mobiele telefoon (merk Samsung Galaxy S20), goednummer PL2000-2024100058-2718251.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, voorzitter,
en mr. P.E. van Althuis en mr. D.L.J. Martens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.R. Tafazzul, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 13 april 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of in de periode 20 april 2024 tot en met 21 april 2024 te [plaats 1] ,
althans in Nederland,
door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met
geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot
het ondergaan van (een) handeling(en) die (mede) bestond(en) uit het
seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , hebbende
verdachte
- zijn penis en/of een of meerdere vinger(s) en/of een voorwerp in de
anus van die [slachtoffer 3] gebracht en/of geduwd
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die
bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat
verdachte
- in de voor nachtrust bestemde tijd de (slaap)kamer van die [slachtoffer 3] is
binnengegaan en/of
- die [slachtoffer 3] – terwijl hij lag te slapen - heeft overrompeld en/of
vastgepakt en/of
- bij die [slachtoffer 3] in/op bed is gekropen en/of
- een fysiek overwicht heeft gehad op die [slachtoffer 3] en/of
- misbruik heeft gemaakt van de lichamelijke gezondheid en gesteldheid
van die [slachtoffer 3] en/of
- terwijl die [slachtoffer 3] heeft geroepen of het niet zachter kon en/of dat het
pijn deed, voorbij is gegaan aan de verbale signalen van verzet van die
[slachtoffer 3] en/of
- aldus voor die [slachtoffer 3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan
waaraan hij zich niet onttrekken;
( art 242 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of in de periode 20 april 2024 tot en met 21 april 2024 te [plaats 1] ,
althans in Nederland,
terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of
maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 3] , die zich
als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had
toevertrouwd,
immers heeft verdachte zijn penis en/of een of meerdere vinger(s) en/of
een voorwerp in de anus van die [slachtoffer 3] gebracht en/of geduwd en/of
gedrongen;
( art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of in de periode 20 april 2024 tot en met 21 april 2024 te [plaats 1] ,
althans in Nederland,
door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met
geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1]
heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die (mede)
bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die
[slachtoffer 1] , hebbende verdachte
- zijn penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 1]
gebracht en/of geduwd en/of
- de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 1]
vastgepakt/betast en/of
- zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 1] vast laten
pakken/laten betasten
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die
bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat
verdachte
- in de voor nachtrust bestemde tijd de (slaap)kamer van die
[slachtoffer 1] is binnengegaan en/of
- de (onder)broek en/of luier van die [slachtoffer 1] heeft
uitgetrokken en/of
- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd “ik moet even wat doen”
en/of “even je benen uit elkaar” en/of
- een fysiek overwicht heeft gehad op die [slachtoffer 1] en/of
- misbruik heeft gemaakt van de lichamelijke gezondheid en gesteldheid
van die [slachtoffer 1] en/of
- aldus voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft
doen ontstaan waaraan zij zich niet onttrekken;
( art 242 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of in de periode van 20 april 2024 tot en met 21 april 2024 te
[plaats 1] , althans in Nederland,
terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of
maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1]
, die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes
hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft verdachte
- zijn penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 1]
gebracht en/of geduwd en/of
- de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 1]
vastgepakt/betast en/of
- zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 1] vast laten
pakken/laten betasten;
( art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of in de periode 20 april 2024 tot en met 21 april 2024 te [plaats 1] ,
althans in Nederland,
door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met
geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot
het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en),
bestaande uit
- het vastpakken/betasten van de borsten van die [slachtoffer 2] en/of
- het tonen van zijn, verdachtes, penis aan die [slachtoffer 2] en daarbij aan die
[slachtoffer 2] – zakelijk weergegeven - vragen of zij dat kon maken
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die
bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat
verdachte
- in de voor nachtrust bestemde tijd de (slaap)kamer van die [slachtoffer 2] is
binnengegaan en/of terwijl die [slachtoffer 2] in bed lag en/of
- een fysiek overwicht heeft gehad op die [slachtoffer 2] en/of
- misbruik heeft gemaakt van de lichamelijke gezondheid en gesteldheid
van die [slachtoffer 2] en/of
- aldus voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan
waaraan zij zich niet onttrekken;
( art 246 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of in de periode 20 april 2024 tot en met 21 april 2024 te [plaats 1] ,
althans in Nederland,
terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of
maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2] , die zich
als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had
toevertrouwd, immers heeft verdachte
- de borsten van die [slachtoffer 2] vastgepakt/betast en/of
- zijn, verdachtes, penis aan die [slachtoffer 2] getoond en daarbij aan die De
Widt – zakelijk weergegeven - vragen of zij dat kon maken;
( art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht )
4
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13
december 2023 tot en met 24 april 2024 te [plaats 2] , althans in
België,
meermalen, althans eenmaal afbeeldingen, te weten foto's en/of
video's en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, te weten
- een mobiele telefoon (merk Samsung Galaxy S20), goednummer
PL2000-2024100058_2718251,
van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van
achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is
betrokken,
heeft
verworven,
in bezit gehad en/of
zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met
gebruikmaking
van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele
gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:
het met een penis, een vinger/hand en/of mond/tong oraal en/of
vaginaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de
leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
en/of
het met een penis en/of een vinger/hand, vaginaal en/of anaal
penetreren van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de
leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
en/of
het met een voorwerp en/of vinger/hand, oraal penetreren van het
lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de
leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
(Foto’s in Toonmap 01, 02, 03, 04, 05, 06, 07 en 08)
en/of
het met een penis en/of mond/tong betasten en/of aanraken van het
geslachtsdeel en/of billen van een persoon die kennelijk de leeftijd van
18 jaar nog niet had bereikt
en/of
het met een vinger/hand en/of een voorwerp betasten en/of aanraken
van het eigen geslachtsdeel en/of billen door een persoon die kennelijk
de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
(Foto`s in Toonmap 05, 07 en 03)
en/of
(waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele
strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling
( art 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht )