ECLI:NL:RBZWB:2026:2960

ECLI:NL:RBZWB:2026:2960

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer 02-341211-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Openlijke geweldpleging in vereniging. Voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van twee jaar en werkstraf.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-341211-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 14 april 2026

in de strafzaak tegen de minderjarige

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats]

wonende aan [adres]

raadsvrouw mr. N. Limbourg, advocaat te Breda.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 31 maart 2026, waarbij de officier van justitie, mr. D.E. van Hout, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 22 september 2025 openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] .

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte openlijk en in verenging geweld tegen [slachtoffer] heeft gepleegd, zoals ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is eveneens van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de openlijke geweldpleging in vereniging tegen [slachtoffer] . Verdachte heeft het feit bekend.

Het oordeel van de rechtbank

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2025254638 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 90.

Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 31 maart 2026;

- de aangifte van [slachtoffer] , pagina’s 13 t/m 16;

- het proces-verbaal van bevindingen, pagina 37 t/m 40.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 22 september 2025 te Prinsenbeek, gemeente Breda, aan de Groenstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- het duwen en trekken tegen/aan het lichaam van die [slachtoffer] , en - het vastpakken van die [slachtoffer] aan zijn arm en keel en - het slaan tegen het gezicht en het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] , en - het trappen tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer] , en - het geven van een knietje tegen het been van die [slachtoffer] .

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 8 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden die de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) heeft geadviseerd. De officier van justitie vordert dat het toezicht van de jeugdreclassering en de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een werkstraf van 80 uur te vervangen door 40 dagen jeugddetentie voor het geval verdachte deze werkstraf niet, dan wel niet naar behoren, verricht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om bij de strafmaat rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte naar aanleiding van het feit door de vader van het slachtoffer is lastiggevallen en mishandeld. De verdediging verzoekt te volstaan met een onvoorwaardelijke werk- en/of leerstraf en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie met de door de Raad geformuleerde bijzondere voorwaarden, behalve de bijzondere voorwaarde van plaatsing bij Almata of een soortgelijke instelling. Plaatsing bij Almata vindt de verdediging niet in het belang van verdachte. Hij heeft er, zeker gelet op zijn belaste geschiedenis, baat bij om bij zijn ouders thuis te kunnen blijven wonen, waar hij zich fijn en veilig voelt.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en de ernst van het feit

Verdachte heeft zich samen met twee vrienden schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] . Zij zijn zonder enige aanleiding achter het slachtoffer aangegaan, hebben hem van zijn fiets geduwd, geslagen en getrapt, waaronder meerdere keren tegen zijn hoofd. De rechtbank is behoorlijk geschrokken van de beelden die van deze geweldpleging zijn gemaakt en die op de zitting zijn getoond.

Wat deze geweldsexplosie in de beleving van verdachte heeft gerechtvaardigd, is niet duidelijk geworden. De rechtbank heeft allerminst de indruk dat het slachtoffer, zoals verdachte het doet voorkomen, de aanjager is geweest in de confrontatie tussen de vriendengroepen. Zinloos uitgaansgeweld raakt het veiligheidsgevoel van de samenleving in het algemeen en dat van slachtoffers en getuigen ervan in het bijzonder. Zoals blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van het slachtoffer, heeft dit feit een enorme impact op hem en zijn gezin gehad. Niet alleen vanwege het letsel als gevolg van het slaan en schoppen, maar ook omdat hij op het moment van de geweldpleging vreselijk angstig is geweest en zelfs dacht dat hij doodging. Hier zit hij nog steeds mee. Het geweld en de nasleep heeft zodanige gevolgen dat hij zal starten met EMDR om deze gebeurtenis een plek te kunnen geven. De rechtbank neemt verdachte de gevolgen van dit feit voor het slachtoffer en zijn gezin zeer kwalijk. Verdachte dient zich te realiseren dat een feit als dit waarbij veel geweld, ook tegen het hoofd van het slachtoffer, is gebruikt veel erger voor het slachtoffer had kunnen aflopen. Het gemak waarmee verdachte tot dit feit is overgegaan en de laconieke manier waarop hij hierover heeft verklaard, vindt de rechtbank zeer zorgelijk.

De persoon van verdachte

Naast de ernst van de feit houdt de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening met het blanco strafblad van verdachte.

Ook houdt de rechtbank rekening met het rapport van de Raad van 23 januari 2026 (met als bijlagen de rapporten van de Raad van 17 april 2025 in twee andere strafzaken) en de toelichting hierop tijdens de zitting. In het rapport van 23 januari 2026 heeft de Raad één strafadvies geformuleerd dat geldt voor de onderhavige strafzaak en drie andere strafzaken waarvoor verdachte gelijktijdig bij de rechtbank moest voorkomen. Deze strafzaken zijn echter op verzoek van de verdediging wel gezamenlijk, maar niet gevoegd behandeld. De Raad heeft aangegeven dat er op meerdere gebieden zorgen over verdachte zijn. Zo heeft verdachte in zijn jonge leven al veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Daarnaast zijn er zorgen over de schoolgang van verdachte, zijn vrijetijdsbesteding en de jongens met wie hij omgaat. Verder zijn er zorgen over de houding en de vaardigheden van verdachte. Het blijft onduidelijk wat er in hem omgaat en waarom hij tot bepaald gedrag komt. Hierdoor is het lastig om goed te kunnen inschatten wat verdachte nodig heeft ter voorkoming van recidive, welk risico hoog wordt ingeschat. Daarom vindt de Raad een breed persoonlijkheidsonderzoek naar verdachte noodzakelijk. Dan kan er beter zicht komen op de (kindeigen) problematiek van verdachte en welke hulpverlening daar het beste bij aansluit. De Raad is met de jeugdreclassering van mening dat deze hulpverlening op een open groep van Almata of een soortgelijke instelling moeten worden gegeven. Al met al adviseert de Raad om aan verdachte (in alle vier de strafzaken van verdachte) op te leggen een onvoorwaardelijke werkstraf en een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest met aftrek van dat voorarrest, met als bijzondere voorwaarden dat:- verdachte tot aan zijn meerderjarigheid onderwijs volgt en/of een zinvolle dagbesteding heeft;- verdachte zijn medewerking verleent aan de afname van een breed persoonlijkheidsonderzoek;- verdachte meewerkt aan hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk vindt ter voorkoming van recidive;

- verdachte meewerkt aan plaatsing bij Almata dan wel een soortgelijke instelling welke de jeugdreclassering nodig vindt en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt.

Verder houdt de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening met hetgeen namens de jeugdreclassering op de zitting naar voren is gebracht. De jeugdreclassering heeft aangegeven dat de begeleiding van verdachte in het afgelopen anderhalf jaar moeizaam is verlopen. Er zijn in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis in één van de drie andere strafzaken van verdachte aan hem veel voorwaarden gesteld en hulpverlening ingezet. Dit heeft tot weinig, althans geen, succes geleid. Ook op het gebied van school is er veel ingezet. Uiteindelijk is er een kleinschalige school voor verdachte gevonden, waar hij goede en slechte dagen heeft.

De jeugdreclassering betreurt het dat er in de strafzaken van verdachte geen gedegen persoonlijkheidsonderzoek naar hem heeft plaatsgevonden. Hiertoe zou naar de mening van de jeugdreclassering alsnog moeten worden overgegaan. Aan de hand van de uitkomsten van een persoonlijkheidsonderzoek kan vervolgens aan verdachte passende hulpverlening worden geboden. Wat de jeugdreclassering betreft dient deze hulpverlening op een open groep bij Almata of een soortgelijke instelling te worden gegeven. In de afgelopen periode is immers gebleken dat het thuis niet is gelukt om de zorgen te doen afnemen. Het toezicht en de begeleiding door de jeugdreclassering heeft verdachte er niet van weerhouden om strafbare feiten te blijven plegen. Dit is niet alleen slecht voor de slachtoffers die verdachte hiermee heeft gemaakt, maar ook voor de ontwikkeling van verdachte en zijn toekomst.

De op te leggen straf

Naast het voorgaande houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ook houdt de rechtbank hierbij rekening met de straffen die aan verdachte bij vonnissen van heden in de drie andere strafzaken van hem worden opgelegd, in het bijzonder het vonnis inzake parketnummer 02-401805-24, waarbij aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar met de (dadelijk uitvoerbare) bijzondere voorwaarden die de Raad heeft geadviseerd is opgelegd.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een jeugddetentie van 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Hierbij zal (enkel) als algemene voorwaarde worden opgelegd dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte opleggen een werkstraf van 40 uur te vervangen door 20 dagen jeugddetentie, mocht verdachte de werkstraf niet, of niet naar behoren, verrichten.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 6 weken met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf, van 40 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 20 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. de Jong, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. E.B. Prenger en mr. C.R.R. Loeve, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. W.T.C. Venekamp, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 april 2026.

Mr. C.R.R. Loeve is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

hij, op of omstreeks 22 september 2025 te Prinsenbeek, gemeente Breda aan de Groenstraat, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- het duwen en/of trekken tegen/aan het lichaam van die [slachtoffer] , en/of- het vastpakken van die [slachtoffer] aan zijn arm en/of keel, althans aan het lichaam, en/of- het slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] , en/of- het trappen en/of schoppen op/tegen het hoofd en/of lichaamm van die [slachtoffer] , en/of- het geven van een knieëtje tegen het been, althans het lichaam, van die [slachtoffer] ;

(art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R. de Jong
  • mr. E.B. Prenger
  • mr. C.R.R. Loeve

Griffier

  • mr. W.T.C. Venekamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?