Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-172924-21
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 april 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1998,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
verblijvende te [verblijfplaats] ,
raadsman mr. J. Zaim, advocaat te Utrecht.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. mr. R. in 't Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op
29 juni 2021in [plaats] :
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij vrijspraak heeft gevorderd van dit feit. Ook ten aanzien van feit 2 primair is vrijspraak gevorderd, nu er geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond.
De feiten 2 subsidiair en 3 acht hij wel wettig en overtuigend bewezen. Van noodweer kan geen sprake zijn nu de gedraging van verdachte primair als aanvallend kan worden gezien.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is eveneens van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 tenlastegelegde. Zij heeft naar voren gebracht dat de verklaring van aangever onbetrouwbaar is en daarom niet voor het bewijs mag worden gebruikt.
Aangaande feit 2 is vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde wegens het ontbreken van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voor het subsidiair en meer subsidiair onder 2 tenlastegelegde is allereerst bepleit dat geen sprake was van voorwaardelijk opzet op het mishandelen of bedreigen van aangever. Daarnaast is vrijspraak bepleit in verband met noodweer. Verdachte werd achterna gezeten door aangever en kon geen kant op. Door met een airsoftwapen in de richting van aangever op de grond te schieten heeft hij gehandeld volgens de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De verdediging heeft zich aangaande feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
- De betrouwbaarheid van de verklaring van aangever
De Wat betreft het betrouwbaarheidsverweer van de verdediging oordeelt de rechtbank als volgt. Aangever heeft meerdere verklaringen afgelegd. De rechtbank stelt vast dat het grootste deel van zijn verklaringen overeenkomt met de verklaringen van verdachte en medeverdachte, te weten dat zij naar de woning van aangever zijn gekomen, en dat aangever achter hen aan rende, waarbij hij met een airsoftwapen werd beschoten door verdachte. Aangever heeft weliswaar inconsistent verklaard over het (zelf) openen van de deur en over het al dan niet binnenkomen van de woning door verdachte en medeverdachte, maar dit betekent niet dat de verklaring van aangever op voorhand in zijn totaliteit als onbetrouwbaar wordt beoordeeld. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.
- Ten aanzien van feit 1
Vaststaat dat verdachte samen met de medeverdachte op 29 juni 2021 in de ochtend aan de deur is geweest bij de woning van aangever. Op enig moment is de deur geopend. Nadat aangever verdachte en medeverdachte zag, zijn zij weggerend.
De rechtbank kan niet vaststellen wat de reden was dat verdachte en medeverdachte bij de woning aanwezig waren, wie de deur van de woning heeft geopend, wat zich bij de deur heeft afgespeeld. Gelet hierop bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het primair ten laste gelegde feit, zodat de rechtbank verdachte daarvan zal vrijspreken.
Nu uit de bewijsmiddelen evenmin voldoende onomstotelijk blijkt dat verdachte en medeverdachte daadwerkelijk in de woning van aangever zijn geweest zal de rechtbank verdachte eveneens vrijspreken van het subsidiair tenlastegelegde.
- Ten aanzien van feit 2
Vaststaat dat aangever achter verdachte aan is gerend, dat verdachte met een airsoftwapen op aangever heeft geschoten en dat aangever hierdoor gewond is geraakt aan zijn teen.
feit 2 primair
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt voor de opzet van verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 primair tenlastegelegde.
feit 2 subsidiair
Wat betreft het beroep op noodweer oordeelt de rechtbank als volgt, De verdediging heeft gesteld dat verdachte zich bevond in een doodlopende brandgang en geen kant op kon. De rechtbank stelt vast dat dit feitelijk onjuist is. Uit de foto’s en de getekende plattegrond in het dossier van de situatie ter plaatse blijkt dat de brandgang niet doodlopend is: vanaf de [straat 1] kan via de brandgang de [straat 2] worden bereikt. Gelet op de bloedsporen (afkomstig van de teen van aangever) in deze brandgang bij de ingang in de [straat 1] stond aangever daar toen hij werd geraakt door de rubberen kogels uit het airsoftwapen van verdachte. Aangever heeft verklaard dat verdachte ongeveer zeven meter van hem vandaag stond toen verdachte op hem schoot. Dit sluit aan op de gegevens zoals opgenomen in de plattegrond op pagina 53, waaruit blijkt dat aangever en verdachte zich op een afstand van 7,40 meter van elkaar bevonden op het moment dat verdachte schoot. Verdachte bevond zich tijdens het schieten op de hoek waar de brandgang naar de [straat 2] leidt.
Gelet op de afstand tussen verdachte en aangever op het moment van schieten was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo’n aanranding is daartoe niet voldoende. Er kan daarom niet worden gesproken van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangever. De rechtbank verwerpt daarom het verweer op noodweer, en acht feit 2 subsidiair wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
2 subsidiair
op 29 juni 2021 te [plaats] , gemeente Halderberge
[aangever] heeft mishandeld door meerdere keren met een
(airsoft)wapen te schieten op het lichaam en/of de voet van
die [aangever] .
3
op 29 juni 2021 te [plaats] , gemeente Halderberge, voorhanden
heeft gehad, een nabootsing van een handvuurwapen (airsoftwapen),
merk Umarex, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmetingen en
kleur een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen,
zijnde een voorwerp door de Minister bij of krachtens artikel 3 van de
Regeling Wapens en Munitie aangewezen als een voorwerp die een
ernstige bedreiging van personen kan vormen of dat zodanig gelijkt op
een wapen dat het een ernstige bedreiging van personen kan vormen
en dat zodanig op een wapen gelijkt dat zij voor bedreiging of
afdreiging geschikt is en derhalve een wapen is van categorie I onder sub
7 van de Wet wapens en Munitie.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
De strafbaarheid van het feit
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft een beroep op noodweerexces gedaan. Verdachte moest zich noodzakelijkerwijs verdedigen door te schieten met het airsoftwapen, doordat hij werd aangevallen, bedreigd, uitgescholden en geen kant op kon. Verdachte was erg angstig omdat aangever dreigend op hem afstormde. Dit veroorzaakte een hevige gemoedsbeweging waardoor verdachte zichzelf heeft verdedigd en in deze noodzakelijke verdediging de grenzen heeft overschreden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat een noodweerexces situatie niet aannemelijk is geworden, omdat de gedraging van verdachte primair als aanvallend kan worden gezien.
Het oordeel van de rechtbank
Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen onder 4.3.2 was geen sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangever, zodat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen. Dit betekent dat verdachte strafbaar is.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte voor de feiten 2 subsidiair en 3 op te leggen een gevangenisstraf van 192 dagen met aftrek van voorarrest. In de strafeis is onder meer rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft erop gewezen dat verdachte in Polen een relatie en een baan heeft. Zijn salaris gebruikt hij ook om voor zijn ouders te zorgen. Een detentie zou baanverlies betekenen. De verdediging heeft verzocht een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. De verdediging heeft daarnaast gewezen op het tijdsverloop.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft aangever beschoten met een airsoftwapen waarbij deze gewond is geraakt aan een teen. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Het handelen van verdachte heeft een flinke impact op hem gehad, zo blijkt ook uit de door hem ter zitting afgelegde slachtofferverklaring en de onderbouwing van de gevorderde schadevergoeding. Verdachte heeft met zijn handelen gevoelens van angst en onveiligheid bij aangever veroorzaakt.
Het airsoftwapen leek op een echt vuurwapen wat de angst bij aangever moet hebben vergroot, zeker toen ermee geschoten werd.
Uit het strafblad van verdachte van 11 februari 2026 komt naar voren dat verdachte in Nederland niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.
De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als zo'n handeling worden aangemerkt.
Als uitgangspunt geldt dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Gezien de datum van inverzekeringstelling van 29 juni 2021 zou het vonnis in deze zaak gewezen moeten zijn op uiterlijk 29 juni 2023.
Er is sprake van een fors tijdsverloop sinds de arrestatie van verdachte op 29 juni 2021 en de datum van dit vonnis. Dat tijdsverloop is naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet te wijten aan de complexiteit van de zaak. Het tijdsverloop is voor een deel veroorzaakt door de detentie van verdachte in Polen nadat het bevel tot voorlopige hechtenis op
6 januari 2022 was geschorst. Daarna bestond er lange tijd onzekerheid over het einde van de detentie en de mogelijkheid van verdachte om een zitting in deze zaak in Nederland bij te wonen. Het dossier bevat hierover weinig correspondentie, zowel van de zijde van de verdediging als van de zijde van het openbaar ministerie.
Onduidelijk is of de overschrijding van de redelijke termijn in zijn totaliteit te wijten is aan de verdediging, zodat de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat rekening zal houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Gelet op de hierboven genoemde feiten en omstandigheden en op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd kan niet worden volstaan met een andersoortige straf dan een gevangenisstraf. De straf zoals gevorderd door de officier van justitie, een gevangenisstraf van 192 dagen, acht de rechtbank passend en geboden. Deze gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en die van deze straf zal worden afgetrokken. Verdachte hoeft dus niet meer terug naar de gevangenis.
7. Het beslag
De onttrekking aan het verkeer
Het inbeslaggenomen airsoftwapen en de bijbehorende patronen en kogels worden onttrokken aan het verkeer. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die voorwerpen te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en de onder feit 2 subsidiair en 3 bewezen feiten met betrekking tot voornoemde voorwerpen zijn begaan.
Aangaande de katapult en het mes overweegt de rechtbank dat deze voorwerpen die aan verdachte toebehoren eveneens vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd is met de wet, en deze voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.
De teruggave
Ten aanzien van de in beslag genomen tie-wraps en bijl wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte.
8. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 2.197,- voor feit 2 subsidiair, te weten € 197,- voor geleden materiële schade en € 2.000,- voor immateriële schade. Daarnaast heeft hij € 64,- voor proceskosten gevorderd.
De verdediging heeft primair aangevoerd dat de vordering te complex is om in deze strafzaak te worden behandeld, omdat de eigen-schuldcomponent niet is meegenomen. Dat maakt de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces. De vordering moet daarom volgens de verdediging worden afgewezen.
Subsidiair is het volgende aangevoerd. Door steeds op en neer te reizen naar zijn advocaat heeft de benadeelde partij niet voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht. Hij had ook kunnen bellen met zijn advocaat. Er is geen schade aan de deur vastgesteld, en er is geen sprake van rechtstreekse schade.
Over de gevorderde immateriële schade is naar voren gebracht dat de uitspraak die ter onderbouwing bij de vordering is gevoegd geen soortgelijke zaak is, zodat de vordering sterk gematigd dient te worden.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De rechtbank ziet in het bewezenverklaarde geen eigen-schuldcomponent. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond om de vordering als te complex en daarmee als een onevenredige belasting voor het strafproces te beoordelen, zodat de rechtbank het primaire verweer verwerpt.
- Materiële schade
Aangaande de gevorderde kosten voor het vervangen van het slot en de aanschaf van een deurketting is de rechtbank van oordeel dat voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, zodat geen sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dat deel van de vordering.
De reiskosten van de benadeelde partij voor het bezoeken van zijn raadsman acht de rechtbank wel toewijsbaar. De benadeelde partij heeft een advocaat ingeschakeld in verband met het door verdachte jegens hem gepleegde bewezenverklaarde feit, en het staat hem vrij om op de wijze die hem het meest aangewezen lijkt overleg te voeren met die advocaat in de voorbereiding van de schadevordering en de voorbereiding op de zitting. De reiskosten die daarmee gemoeid waren komen de rechtbank niet buitensporig voor.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gevorderde materiële kosten toewijzen tot een bedrag van € 127,-.
- Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden, doordat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft voor wat betreft de hoogte van de vordering aansluiting gezocht bij een strafzaak uit 2000 waarin sprake was van ernstiger lichamelijk letsel, en heeft om die reden een lager schadebedrag gevorderd dan in die zaak was toegewezen. Gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het feit is begaan en de aard van het letsel van de benadeelde partij acht de rechtbank een schadevergoeding van € 1.500,- billijk en zal zij de vordering daarom tot dat bedrag toewijzen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
- Proceskosten
Deze schadepost is opgebouwd uit een bedrag wegens gederfde inkomsten (€ 47,-) en wegens reiskosten van de woonplaats van de benadeelde partij naar de rechtbank (€ 17,-),
Aangaande de gederfde inkomsten overweegt de rechtbank dat deze schade onvoldoende is onderbouwd. Nader onderzoek naar deze schade zou nodig zijn om deze schadepost goed te kunnen beoordelen. Dit zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit gedeelte van de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Omdat verdachte zich in verband met zijn vordering tot schadevergoeding heeft laten bijstaan door een advocaat bestaat voor het vorderen van reiskosten geen grond. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom afwijzen.
- Samenvattend
De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.627,-, te weten € 127,- wegens materiële schade en € 1.500,- wegens immateriële schade.
Voor het overige gevorderde verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk (€ 47,-) in de vordering, dan wel wijst de rechtbank de vordering af (€ 17,-).
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd (immateriële schade) dan wel vanaf het moment dat de schade is ontstaan (de data van de bezoeken aan de raadsman).
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en subsidiair, en feit 2 primair ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 2 subsidiair: eenvoudige mishandeling;
feit 3: handelen in strijd met artikel 13, lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet wapens en munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 192 (honderdtweeënnegentig) dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever] van € 1.627,- (duizendzeshonderdzevenentwintig euro), waarvan € 127,- (honderdzevenentwintig euro) aan materiële schade en € 1.500,- (duizendvijfhonderd euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf:
- 3 augustus 2021 voor wat betreft reiskosten van € 59,- (negenenvijftig euro),
- 5 mei 2022 voor wat betreft reiskosten van € 68,- (achtenzestig euro),
- 29 juni 2021 voor wat betreft de immateriële schade van € 1.500,- (duizendvijfhonderd euro),
tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het gedeelte van de vordering betreffende de reiskosten gevorderd onder de post ‘proceskosten’ af;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever] , € 1.627 (duizendzeshonderdzevenentwintig euro) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf:
- 3 augustus 2021voor wat betreft reiskosten van € 59,- (negenenvijftig euro),
- 5 mei 2022 voor wat betreft reiskosten van € 68,- (achtenzestig euro),
- 29 juni 2021 voor wat betreft de immateriële schade van € 1.500,- (duizendvijfhonderd euro),
tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 16 (zestien) dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:
- wapen Umarex T4e Hdr 50, G2351597;
- 5 STK wapen, G2351605;
- 1 STK wapen, G2351607;
- 1 STK wapen, G2351610;
- 2 STK wapen, G2351612;
- 1 STK wapen, G2351614;
- 1 STK wapen, G2351618
- 1 STK katapult, G2351760;
- 1 STK mes, G2349454;
- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
- bouwmateriaal, G2351574;
-1 STK bijl, G2351709;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.M. Fleskens, voorzitter,
en mr. D.S.G. Froger-Zeeuwen en J.F.C. Janssen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 14 april 2026.
De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 29 juni 2021 te [plaats] , gemeente Halderberge
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om een of meer goederen, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander
dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te
nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of
dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te
brengen door middel van een valse sleutel, te weten door onrechtmatig
gebruik te maken van een sleutel, in elk geval een voorwerp, waarmee
verdachte en/of zijn mededader(s) de deur van de woning hebben
kunnen openen,
met dat opzet de (voor)deur van de woning, toehorende aan [aangever]
, te openen en/of de woning te betreden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen [aangever] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of
om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere deelnemers
aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van
het gestolene te verzekeren, door een of meerdere keren met een
(luchtdruk/airsoft)wapen in de richting van die [aangever] te schieten;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van
Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 451id 1 Wetboek van
Strafrecht, art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 juni 2021 te [plaats] , gemeente Halderberge,
tezamen en in vereniging met een of ineer anderen, althans alleen, in de
woning (gelegen aan de [straat 1] ) bij een ander, te weten bij [aangever]
, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in
gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;
( art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 29 juni 2021 te [plaats] , gemeente Halderberge
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
door met dat opzet een of meerdere keren met een
(luchtdruk/airsoft)wapen in de richting van die [aangever] te schieten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 3021id 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht,
art 471id 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 juni 2021 te [plaats] , gemeente Halderberge
[aangever] heeft mishandeld door een of meerdere keren met een
(luchtdruk/airsoft)wapen te schieten op het lichaam en/of de voet van
die [aangever] ;
( art 3001id 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een
veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 juni 2021 te [plaats] , gemeente Halderberge
[aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,
althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk
dreigend op/aan die [aangever] een (luchtdruk/airsoft)wapen gericht
en/of getoond en/of (daarbij) meermalen in de richting van die
[aangever] geschoten;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3
op 29 juni 2021 te [plaats] , gemeente Halderberge, voorhanden
heeft gehad,
een nabootsing van een handvuurwapen (luchtdruk/airsoft)wapen),
merk Umarex,
zijnde een voorwerp die voor wat betreft zijn vorm, afmetingen en/of
kleur een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen,
zijnde een voorwerp door de Minister bij of krachtens artikel3 van de
Regeling Wapens en Munitie aangewezen als een voorwerp die een
ernstige bedreiging van personen kan vormen of dat zodanig gelijkt op
een wapen dat het een ernstige bedreiging van personen kan vormen
en/of dat zodanig op een wapen gelijkt dat zij voor bedreiging of
afdreiging geschikt is en derhalve een wapen is van categorie I onder sub
7 van de Wet wapens en Munitie;
( art 13 lid 1 Wet wapens en munitie )