Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-175002-25 en 02-300393-25 (gev. ttz.)
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 april 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd in de [detentieadres] ,
raadsman: mr. R. el Bellaj, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 maart 2026, waarbij de officier van justitie mr. H.E. de Haze en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2. De tenlastelegging
De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht. In de zaak met parketnummer 02-175002-25 is de tenlastelegging gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan:
02-175002-25
feit 1: afpersing van [benadeelde 1] ;
feit 2: diefstal van goederen door middel van braak;
02-300393-25
diefstal van drie voertuigen door middel van braak.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
02-175002-25 en 02-300393-25
De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
02-175002-25
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bewijsvraag van de ten laste gelegde feiten.
02-300393-25
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde wegens gebrek aan bewijs. Verdachte heeft de daders in de buurt van de plaats delict afgezet en hij heeft daar op hen gewacht, maar verdachte was niet op de hoogte van hun voornemen tot het wegnemen van de voertuigen en heeft daarbij geen betrokkenheid gehad. Van opzet bij verdachte was dus geen sprake en ook niet van een nauwe en bewuste samenwerking met de daders, zodat niet kan worden geconcludeerd tot medeplegen.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-300393-25
De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat in de nacht van 23 mei 2025 tussen 02:16 uur en 02:46 uur een inbraak heeft plaatsgevonden op het bedrijventerrein van autobedrijf [autobedrijf] . Bij deze inbraak zijn drie personenauto’s weggenomen. Verder kan worden vastgesteld dat bij de wegnemingshandelingen vier mannen waren betrokken, onder wie [medeverdachte] .
Verdachte kreeg een dag eerder, op 22 mei 2025, het adres van [autobedrijf] toegestuurd van [medeverdachte] en is in de nacht van 23 mei 2025 opgetreden als chauffeur. Verdachte heeft [medeverdachte] en drie andere mannen opgehaald met zijn Seat, is naar Raamsdonkveer gereden en heeft de vier mannen afgezet in de buurt van het bedrijventerrein van [autobedrijf] . Afgesproken was dat verdachte in zijn Seat zou blijven wachten, wat hij ook heeft gedaan. Vervolgens zag verdachte drie personenauto’s voorbijrijden. [medeverdachte] zat in één van deze auto’s en seinde met zijn autolampen richting verdachte. Hij zei dat verdachte hen moest volgen totdat ze in Gilze waren. Ook dit heeft verdachte gedaan. Hij dacht dat hij dit moest doen, zodat de politie [medeverdachte] niet zou zien.
De verklaring van verdachte dat hij niet wist wat er die nacht zou gaan gebeuren vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Verdachte is midden in de nacht met vier mannen op pad gegaan en heeft hen afgezet in de buurt van een verlaten bedrijventerrein. Eén van die mannen was [medeverdachte] , door wie verdachte vaker werd benaderd voor het verrichten van criminele activiteiten waarmee verdachte geld kon verdienen.
De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte] en de drie andere mannen bij het wegnemen van de personenauto’s en dat verdachte hierbij een wezenlijke schakel was. Verdachte is een dag voor de inbraak benaderd om te chauffeuren, hij heeft de daders naar de plaats delict gebracht en hij heeft de anderen in zijn Seat geëscorteerd bij het rijden van de gestolen voertuigen naar Gilze. Hier komt nog bij dat de onderzochte telefoongegevens van verdachte erop duiden dat verdachte de dag na de inbraak in de nabijheid was van de gestolen waar. Met zijn telefoon is immers een dag na de diefstal een foto gemaakt van één van de gestolen voertuigen. De rechtbank acht het medeplegen dan ook bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-175002-25
feit 1
op 6 juni 2025 te Rijen tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (in totaal 2200 EUR), dat aan die [benadeelde 1] toebehoorde door:
- die [benadeelde 1] de woorden toe te voegen: 'stop of ik schiet' en
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te pakken en te richten op die [benadeelde 1] en gericht te houden op die [benadeelde 1] en
- die [benadeelde 1] de woorden toe te voegen: 'geef je geld' en
- die [benadeelde 1] naar de grond te duwen en/of werpen en
- terwijl die [benadeelde 1] op de grond lag die [benadeelde 1] meermalen te slaan tegen het hoofd en tegen het lichaam;
feit 2
op 14 maart 2025 te Gilze tezamen en in vereniging met een ander twee gereedschapskisten (merk: Festool) en een steekwagen die aan [bedrijf 1] BV toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;
02-300393-25
op 23 mei 2025 te Raamsdonksveer tezamen en in vereniging met anderen meerdere voertuigen, te weten:
- een Volkswagen Tiguan ( [kenteken 1] ), en
- een Volkswagen Tiguan ( [kenteken 2] ), en
- een Volkswagen Passat ( [kenteken 3] ),
die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest met een proeftijd van 2 jaar, met oplegging van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte tot niet meer te veroordelen dan een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en aftrek van het voorarrest, met oplegging van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
De thans 22-jarige verdachte heeft zich in 2025 samen met twee anderen schuldig gemaakt aan afpersing van aangever [benadeelde 1] . Zij gingen hierbij op planmatige en gewelddadige wijze te werk. Met aangever werd via Marktplaats een afspraak gemaakt voor de verkoop van een minishovel voor € 2.200,00. Aangever werd gevraagd te komen naar een afgelegen industrieterrein, waar hij werd overmeesterd door de drie mannen en werd gedwongen om zijn geld af te geven. Aangever werd met geweld naar de grond gebracht, meerdere keren geslagen en bedreigd met een nepvuurwapen. Verdachte lijkt niet de initiator te zijn geweest, maar was wel op de hoogte van het plan om aangever het geld afhandig te maken en hij was degene die het nepvuurwapen heeft gericht op aangever. Ook heeft verdachte gedeeld in de van aangever afgenomen € 2.200,00.
Door het plegen van dit feit heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en
psychische integriteit van aangever en hem gevoelens van angst en onveiligheid bezorgd.
Uit niets blijkt dat verdachte zich op enig moment heeft bekommerd om het welzijn van aangever. Getuige zijn handelen heeft verdachte op een makkelijke en snelle manier geld willen verkrijgen en enkel gehandeld uit eigen financieel gewin, wat de rechtbank zeer kwalijk vindt.
Verdachte heeft in datzelfde jaar samen met anderen ook nog twee diefstallen met braak gepleegd, waarbij respectievelijk goederen uit een bestelbus en drie personenauto’s zijn weggenomen. Dit soort vermogensdelicten zijn ernstige feiten die leiden tot overlast en schade voor de slachtoffers. Daarnaast dragen dit soort feiten bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Ook hier lijkt eigen financieel gewin de drijfveer te zijn geweest van verdachte, waarbij hij geen respect heeft getoond voor de eigendommen van een ander.
Bij de strafbepaling slaat de rechtbank acht op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.
De rechtbank weegt in het nadeel van verdachte mee dat uit zijn strafblad van 12 maart 2026 naar voren komt dat sprake is van recidive ten aanzien van het plegen van vermogensdelicten. In 2022 en 2023 heeft de politierechter verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor respectievelijk het stelen van een fiets en het in vereniging plegen van een diefstal waarbij sprake was van inklimming. Vrij recent, te weten op 15 oktober 2025,
is verdachte door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden voor onder andere het plegen van bedrijfsinbraken in 2024. Gezien deze veroordelingen en de in deze zaak bewezenverklaarde feiten uit 2025 lijkt het delictgedrag van verdachte in ernst toe te nemen. De rechtbank vindt dit een zorgwekkende ontwikkeling.
De rechtbank slaat ook acht op het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van
26 maart 2026. De reclassering signaleert zorgen dan wel criminogene factoren op het gros van de leefgebieden. Verdachte heeft geen stabiele huisvesting, geen dagbesteding, een hoge schuldenlast, moeite met het naleven van regels, een negatief sociaal netwerk en een pro-criminele attitude. Positief is dat verdachte gemotiveerd lijkt te zijn voor gedragsverandering en een leven wil zonder delictgedrag. Tot op heden is het hem echter niet gelukt dit te realiseren, ondanks eerdere ingezette hulpverlening al dan niet binnen een strafrechtelijk kader. Er zijn aanwijzingen voor een verstandelijke beperking en mogelijk is sprake van een posttraumatische stressstoornis, waarbij wordt opgemerkt dat verdachte een oorlogsverleden heeft. De reclassering acht het nodig dat hier duidelijkheid over wordt verkregen en dat wordt ingezet op behandeling gericht op copingsvaardigheden. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog en geadviseerd wordt oplegging van een deels voorwaardelijke straf met daaraan als bijzondere voorwaarden verbonden de meldplicht, ambulante behandeling, verblijf bij begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding, meewerken aan het aflossen van schulden en beheersing van middelengebruik.
Tijdens het onderzoek ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij een nieuwe start wil maken. Hij wil zijn school afmaken, stage gaan lopen en verder gaan met woonbegeleiding. Af en toe gebruikt hij softdrugs “om niet slecht te hoeven dromen”. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat bij verdachte sprake is van (psychische) problematiek en dat behandeling nodig is zoals door de reclassering wordt geadviseerd.
Ten slotte houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht meerdere keren van toepassing is.
Alles afwegend acht de rechtbank een substantiële gevangenisstraf passend en geboden.
Zij zal verdachte, anders dan door de officier van justitie geëist, veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, om oplegging van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden mogelijk te maken en verdachte een stok achter de deur te bieden bij het opbouwen van een delictvrij bestaan.
7. Het beslag
De teruggave
02-175002-25
Ten aanzien van het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 641,50 (G2869637) wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
8. De vorderingen van de benadeelde partijen
02-175002-25
De benadeelde partij [bedrijf 1] B.V. vordert een schadevergoeding van € 1.053,15 voor materiële schade (feit 2).
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte feit 2 heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 562,22, waarvan € 162,22 voor de weggenomen steekwagen en
€ 400,00 voor het vervangen van sluitwerk. Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen nu die schade onvoldoende vast is komen te staan.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 14 maart 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
02-300393-25
De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 27.214,41 voor materiële schade.
De rechtbank constateert dat de schadepost ziet op de waarde van één van de drie gestolen voertuigen en op reparatiekosten van de twee teruggevonden voertuigen. De rechtbank is van oordeel dat niet duidelijk is geworden wie op het moment van de diefstal de eigenaar was van deze voertuigen. Deze onduidelijkheid is niet weggenomen met de op zitting overgelegde uitdraai van de RDW-administratie van 18 februari 2026. Hieruit komt weliswaar naar voren dat de betreffende voertuigen op naam waren gesteld van [bedrijf 2] ten tijde van de diefstal, maar mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging, staat hiermee niet vast wie het civielrechtelijke eigendom had. Dit vergt nader onderzoek wat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
02-175002-25
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: Afpersing door twee of meer verenigde personen;
feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,
02-300393-25
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;
02-175002-25 en 02-300393-25
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich binnen 5 werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland en zich gedurende de proeftijd blijft melden zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat behandelen door een zorgverlener te bepalen door de reclassering. De zorgverlener bepaalt de behandelwijze en deze zal gericht zijn op cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en andere problematiek. Daarbij zal het verstandelijk vermogen van verdachte worden onderzocht en zal worden nagegaan of verdachte PTSS klachten heeft;
* dat verdachte gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra er plek is. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur;
* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het middelengebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen (harddrugs en/of softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst 1A in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partijen
02-175002-25
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 1] B.V. van € 562,22 voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 14 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 1] B.V. € 562,22 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 14 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 5 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
02-300393-25
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van € 641,50 (G2869637).
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter,
en mr. W.J.M. Fleskens en mr. D.M. Snoep, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.E.M. Hoezen, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 april 2026.
Bijlage I: De tenlasteleggingen
02-175002-25
1
hij op of omstreeks 6 juni 2025 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (in totaal 2200 EUR), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde 1] en/of een derde toebehoorde(n) door:
- die [benadeelde 1] de woorden toe te voegen: 'stop of ik schiet', althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of
- ( vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te pakken en/of te richten op die [benadeelde 1] en/of gericht te houden op die [benadeelde 1] , en/of
- ( daarbij) die [benadeelde 1] meermaals de woorden toe te voegen: 'geef je geld', althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of
- ( vervolgens) die [benadeelde 1] op/naar de grond te duwen en/of werpen, en/of
- ( terwijl die [benadeelde 1] op de grond lag) die [benadeelde 1] meermalen, althans eenmaal, te slaan tegen het hoofd en/of tegen het (boven)lichaam;
(art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 14 maart 2025 te Gilze, gemeente Gilze en Rijen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een systainer/gereedschapskist (merk: Festool) en/of een steekwagen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] BV, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
(art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)
02-300393-25
hij op of omstreeks 23 mei 2025 te Raamsdonksveer (gemeente Geertruidenberg), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere voertuigen, te weten:
- een Volkswagen Tiguan ( [kenteken 1] ), en/of
- een Volkswagen Tiguan ( [kenteken 2] ), en/of
- een Volkswagen Passat ( [kenteken 3] ),
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [autobedrijf] B.V. en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel (te weten een gestolen sleutel);
(art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)