Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-245170-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 16 april 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Noord-Jemen) op [geboortedag] 1987,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,
raadsvrouw mr. E.V.W. Buijsen, advocaat te Goes.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 02 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. van Leeuwen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 17 september 2025 te [plaats] openlijk geweld in vereniging heeft gepleegd tegen [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , subsidiair [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft mishandeld.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit, de openlijke geweldpleging, heeft gepleegd en baseert zich hierbij op de bewijsmiddelen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten. Er is geen sprake van openlijkheid, nu het vermeende geweld op een afgesloten terrein van [woonadres] heeft plaatsgevonden. Daarnaast kan uit het dossier onvoldoende worden opgemaakt of verdachte een bijdrage heeft geleverd aan het geweld. Mocht hier al sprake van zijn, dan heeft verdachte geen opzet gehad op het al dan niet in vereniging plegen van dat geweld. Verder kan van mishandeling geen sprake zijn omdat de ten laste gelegde gedragingen niet kunnen worden toegeschreven aan verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststelling van de feiten
Op 17 september 2025 vindt er op het terrein van het [woonadres] in [plaats] een ruzie plaats bij de fietsreparatiecontainer (hierna: de container). Bij deze ruzie zijn in eerste instantie drie personen betrokken, namelijk drie mannen die op dat terrein gehuisvest zijn binnen de afdeling voor volwassenen.
Twee van deze mannen, de een gekleed in een zwarte trui met rode details en de ander in een groene trui of shirt, schreeuwen en vechten met de derde man. Aangever [benadeelde 1] probeert deze ruzie te sussen, waarna de agressie zich op hem en zijn vriend, aangever [benadeelde 2] , richt en niet langer op de derde volwassen man. Tijdens de ruzie tussen de aangevers, allebei minderjarig, en de twee volwassen mannen wordt aangever [benadeelde 2] op zijn been en tegen zijn hoofd geslagen met een hamer en in zijn gezicht met een moersleutel. Aangever [benadeelde 1] wordt met een hamer op zijn been en arm geslagen. Hierdoor lopen beiden letsel op.
Rol van verdachte
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte het volgende af.
Verdachte was op 17 september 2025, samen met [medeverdachte] aan het werk in de container. Verdachte was betrokken bij de ruzie. Dit volgt uit de verklaring van [getuige 1] , die verdachte aanwijst als een van de twee betrokken volwassen mannen en uit de verklaring van verdachte zelf. Verdachte bevestigt zijn betrokkenheid in zijn verklaring bij de politie, maar geeft aan daarbij alleen uit zelfverdediging te hebben gehandeld. Verdachte had op dat moment gereedschap tot zijn beschikking. Ter zitting heeft verdachte verklaard gereedschap in zijn handen te hebben gehad tijdens de ruzie.
Openlijke geweldpleging
Voor een bewezenverklaring van het plegen van openlijk geweld in vereniging is niet vereist dat elk van de deelnemers zich schuldig heeft gemaakt aan alle onderdelen van de tenlastelegging. Van het in vereniging plegen van geweld is sprake indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. Deze bijdrage hoeft niet van fysiek gewelddadige aard te zijn, maar er moet wel sprake zijn van een gedraging die het geweld bevordert. Daarnaast moet dit geweld ‘openlijk’ zijn gepleegd. Dat wil zeggen dat de geweldpleging zich op zodanige wijze en op een zodanige plaats moet hebben voltrokken dat de openbare orde is verstoord. Hiervoor is niet vereist dat ten tijde en ter plaatse van het plegen van het geweld publiek aanwezig was of feitelijk vrije toegang of zicht bestond op hetgeen gebeurde. De mogelijke aanwezigheid van in zekere zin willekeurig publiek bepaalt mede of van openlijkheid sprake is. Ook de mate van verstoring van de normale gang van zaken kan daarbij van belang zijn.
Verdachte was samen met de medeverdachte betrokken bij de ruzie. Uit de verklaringen van aangevers en van [getuige 1] leidt de rechtbank af dat beiden geweldshandelingen hebben verricht tegen de aangevers door hen te slaan met gereedschap. Verdachte heeft aldus een voldoende significante bijdrage geleverd aan het geweld. Door de verdediging is betoogd dat verdachte van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging moet worden vrijgesproken, omdat de geweldpleging zich niet heeft afgespeeld op een voor het publiek toegankelijke plaats. Het geweld is gepleegd op het terrein van het [woonadres] . Een terrein dat toegankelijk is voor alle daar gehuisveste asielzoekers, voor het personeel en voor bezoekers. De rechtbank ziet dit als een voor het publiek toegankelijke plaats. Het enkele feit dat het terrein omgeven is door een hekwerk maakt dit niet anders. Het geweld vond plaats op de binnenplaats, een plek voor gemeenschappelijk gebruik. Van het geweld zijn meerdere asielzoekers en personeelsleden van het [woonadres] getuige geweest, zo blijkt uit de verklaring van [getuige 1] , zelf medewerker van het [woonadres] . Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank dan ook vast dat de geweldpleging openlijk heeft plaatsgevonden.
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit, de openlijke geweldpleging in vereniging, wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 17 september 2025 te [plaats] openlijk, te weten op de binnenplaats van het [woonadres] te [plaats] (gelegen aan [adres 2] ), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meerdere personen, te weten [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] ,door die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] met een hamer en/of moersleutel te slaan op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de arm en/of het been.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval door aangevers. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte vast werd gepakt bij zijn keel en er meerdere personen om hem heen stonden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat noodweer(exces) niet aannemelijk is geworden, omdat uit de verklaringen van aangevers en de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] niet volgt dat verdachte werd aangevallen. De bewijsmiddelen wijzen eerder op zelfverdediging door de aangevers.
Het oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op zelfverdediging (noodweer) is vereist dat er sprake is van verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding, maar de enkele vrees daartoe is niet voldoende. De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten bevat dat sprake is geweest van een noodweersituatie, waartegen verdachte zich heeft moeten verdedigen. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen. In zo een geval kan ook een beroep op noodweerexces niet slagen.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van veertien weken waarvan drie weken voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaar.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (verder: LOVS) die zien op mishandeling met droge klappen. Hieruit volgt dat een geldboete op zijn plaats zou zijn. Nu verdachte first offender is en voor deze zaak al vier dagen in voorarrest heeft gezeten, verzoekt de verdediging een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich met de medeverdachte schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] . Zij zijn door de verdachten geslagen met een hamer en moersleutel. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Voor de slachtoffers is het een zeer bedreigende en beangstigende situatie geweest die bovendien, zoals volgt uit de toelichtingen bij de verzoeken tot schadevergoeding, nog steeds voor gevoelens van angst en onveiligheid bij hen zorgt. Daarbij had het letsel met het gebruik van genoemd gereedschap vele malen ernstiger kunnen zijn. Daarnaast leiden feiten als deze tot gevoelens van onrust in de maatschappij.
Ten aanzien van de strafoplegging heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten, de aard en ernst van het feit en de impact daarvan op de slachtoffers alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank acht een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend en geboden met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen
[benadeelde 1]
heeft een immateriële schadevergoeding van € 325,- gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte het openlijk geweld in vereniging gericht tegen [benadeelde 1] heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij als gevolg daarvan te vergoeden.
Als schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad, een nadeel betreft dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
[benadeelde 1] heeft ten gevolge van het bewezenverklaarde feit lichamelijk letsel opgelopen. Dit betekent dat sprake is van een geval waarin recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. De verdediging heeft de hoogte van deze schade niet betwist. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 325,- toewijzen.
[benadeelde 2]
heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 1.005,95, waarvan 105,95 aan materiële schade en € 900,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte het openlijk geweld in vereniging tegen [benadeelde 2] heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij als gevolg daarvan te vergoeden.
[benadeelde 2] stelt dat als gevolg van het openlijk geweld zijn telefoonscherm is gebarsten. Hij stelt zijn scherm hierdoor te hebben laten maken. De rechtbank acht het aannemelijk dat het telefoonscherm kapot was en dat het maken ervan € 99,00 kost. De vordering zal in zoverre worden toegewezen.
Voor zover de vordering ziet op schade als gevolg van het verlies van de oordopjes, zal [benadeelde 2] niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Uit de overlegde stukken kan niet zonder meer worden afgeleid dat [benadeelde 2] deze vanwege het strafbare feit is verloren. Mede in het licht daarvan, is door de verdediging voldoende gemotiveerd betwist dat [benadeelde 2] de gestelde schade heeft geleden. Ter beoordeling van dit deel van de vordering is nader debat nodig en eventuele bewijsvoering waarvoor dit strafgeding zich niet leent. Dit deel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De vordering met betrekking tot de immateriële schade wordt volledig toegewezen, gelet op de onderbouwing en de hoogte van schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Immateriële schade komt op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking indien - onder andere - sprake is van lichamelijk letsel bij de benadeelde. Uit de stukken blijkt dat [benadeelde 2] ten gevolge van het bewezenverklaarde feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en voorts dat zijn lopende behandeling in verband met PTSS door het feit aanzienlijk is belemmerd.
Hoofdelijkheid, wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald, en andersom.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 17 september 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 60 (zestig) dagen, waarvan 56 (zesenvijftig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen
[benadeelde 1]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 325,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 17 september 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] , € 325,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 17 september 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 3 (drie) dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 2]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 999,-, waarvan € 99,- aan materiële schade en € 900,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 17 september 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] , € 999,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 17 september 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 9 (negen) dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter, en mr. N.C.W. Haesen en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van C.A. Lequin, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 april 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 17 september 2025 te [plaats] , te weten op de binnenplaats van de[woonadres] te [plaats] (gelegen aan [adres 2] ), in elk geval op of aan deopenbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging,geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere personen te weten [benadeelde 1][benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] ,door die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] :- (met een hamer en/of schroevendraaier en/of moersleutel) te slaan op/tegen hetgezicht en/of het hoofd en/of de arm en/of het been, althans op/tegen het lichaam;
( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 september 2025 te [plaats] , [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2][benadeelde 2] heeft mishandeld, door die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] :- (met een hamer en/of schroevendraaier en/of moersleutel) te slaan op/tegen hetgezicht en/of het hoofd en/of de arm en/of het been, althans op/tegen het lichaam;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )