ECLI:NL:RBZWB:2026:3059

ECLI:NL:RBZWB:2026:3059

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 02-235273-25 en 01-306607-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verdachte wordt vrijgesproken van het de poging zware mishandeling, subsidiair mishandeling van twee aangevers. Niet kan worden bewezen dat hij de verwondingen bij aangevers opzettelijk heeft toegebracht. Benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard en de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk straf wordt afgewezen. Gelet op zijn bekennende verklaring wel een bewezenverklaring voor het bezit van een stroomstootwapen en een boksbeugel. Veroordeling voor die feiten tot een geldboete van €890,- euro.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02-235273-25 en 01-306607-25

Parketnummer TUL: 02-173886-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 april 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,

ingeschreven op het [adres] ,

raadsvrouw mr. N. Heijkant, advocaat te Dongen.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 01 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. E.A. Kool en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is aanwezig geweest mr. B. Herijgers, advocaat te Oosterhout.

Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak met parketnummer 02-235273-25 naar deze kamer verwezen.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Ten aanzien van parketnummer 02-235273-25:

Opzettelijk geprobeerd heeft met een mes zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , dan wel hen mishandeld heeft door hen met een mes te verwonden.

Ten aanzien van parketnummer 01-306607-25:

Een stroomstootwapen (feit 1) en een boksbeugel (feit 2) in strijd met de Wet Wapens en Munitie voorhanden heeft gehad.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich ten aanzien van parketnummer 02-235273-25 schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Ook acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een stroomstootwapen en boksbeugel voorhanden heeft gehad.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van parketnummer 02-235273-25:

Verdachte is op 7 september 2025 uitgelokt om naar de locatie te komen. Daar stond een overmacht aan mannen op hem te wachten. Verdachte probeerde zich aan deze situatie te onttrekken door naar achteren te bewegen. Het is [slachtoffer 2] die vervolgens de confrontatie opzocht. Daarna kwam [slachtoffer 1] de woning uitrennen met een stalen pijp of ijzeren voorwerp in zijn hand. Hij rende daarmee richting verdachte en haalde uit met dat voorwerp in de richting van het hoofd van verdachte. Verdachte heeft zich hiertegen verweerd door zijn armen omhoog te doen. Op dat moment had hij een mes vast, waardoor [slachtoffer 1] verwond raakte. De verdediging stelt zich op het standpunt dat dit als noodweer en subsidiair als noodweerexces moet worden gezien. Dit moet met betrekking tot [slachtoffer 1] leiden tot vrijspraak.

Voor verdachte is onbekend hoe [slachtoffer 2] verwond is geraakt. Dit kan in de worsteling zijn gebeurd, toen verdachte zijn hoofd naar beneden had om de klappen op te vangen, die hij van meerdere mannen kreeg. Verdachte heeft geen stekende bewegingen gemaakt en het letsel is niet opzettelijk of bewust toegebracht. Ten aanzien van [slachtoffer 2] kan het primair tenlastegelegde niet bewezen worden verklaard. Bovendien kan het letsel niet als zwaar lichamelijk letsel gekwalificeerd worden. Verdachte moet vrijgesproken worden van het primair ten laste gelegde. Dit geldt ook voor de subsidiair tenlastegelegde mishandeling.

Ten aanzien van parketnummer 01-306607-25:

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Aangezien verdachte in de zaak met parketnummer 01-306607-25 ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 1 april 2026;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 28 augustus 2025, pagina 7 en 8 van het eindproces-verbaal met nummer PL2100-2025192966.

Parketnummer 02-235273-25:

Op 7 september 2025 heeft er tussen verdachte en aangevers een confrontatie plaatsgevonden. Hierbij zijn [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en zijn zoon [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) verwond geraakt.

Verklaringen verdachte en aangevers

Aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben aangifte gedaan tegen verdachte met betrekking tot de verwondingen die zij hebben opgelopen. Zij hebben daarbij niet verklaard over geweldshandelingen gepleegd tegen verdachte. [slachtoffer 1] heeft enkel verklaard tussenbeide gekomen te zijn en [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij in een worsteling belandde met verdachte.

Verdachte heeft echter verklaard dat [slachtoffer 1] hem met een stalen pijp sloeg. Hij verweerde zich door zijn armen voor zijn hoofd te kruisen. Daarbij had hij een mes in zijn rechterhand. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] geraakt werd door dat mes, toen hij, [slachtoffer 1] , hem met die stalen pijp sloeg.

Daarna ontstond een worsteling tussen verdachte, [slachtoffer 2] en nog twee andere personen. Daaromheen stonden volgens verdachte meer personen. Verdachte had nog steeds een mes in zijn hand en hield zijn hoofd naar beneden. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij geslagen werd, zich probeerde los te rukken en dat hij daarbij zwaaiende bewegingen maakte met zijn armen. Volgens verdachte zou het kunnen dat de verwondingen bij [slachtoffer 2] daardoor ontstaan zijn.

Vaststellen feiten

Op grond van de camerabeelden van Anas Barouni stelt de rechtbank het volgende vast.

Verdachte staat op straat met een aantal andere personen. Verdachte is druk in gesprek en zwaait daarbij met zijn armen. Hij lijkt iets in zijn rechterhand vast te hebben. Op de camerabeelden is te horen dat er gezegd wordt “hij heeft gewoon een mes”. Om deze reden gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte op dat moment een mes in zijn handen had. Er is dan echter nog geen sprake van een fysieke confrontatie. Verdachte loopt achteruit weg en één persoon volgt hem nadrukkelijk. Op grond van de verklaring van verdachte zou dit [slachtoffer 2] zijn. De andere personen blijven op enige afstand. Op seconde 21 komt onder in het beeld een persoon met een lang voorwerp in zijn hand in beeld. Op grond van de verklaring van verdachte zou dit [slachtoffer 1] moeten zijn. Deze verklaring wordt ondersteund door de foto’s in het dossier van aangever [slachtoffer 1] in de ambulance. Hierop is te zien dat de kleding van [slachtoffer 1] overeenkomt met die van de rennende man met het lange voorwerp. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de man die uithaalt met het lange voorwerp [slachtoffer 1] is.

Op seconde 26 staat [slachtoffer 2] kort voor verdachte en is te zien dat verdachte een hoekbeweging richting [slachtoffer 2] maakt met zijn rechterarm. Niet te zien is of [slachtoffer 2] hierbij geraakt wordt door verdachte. [slachtoffer 2] deinst terug en verdachte loopt verder achteruit. Er is enkele meters afstand tussen verdachte en [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] op verdachte afrent met het lange voorwerp in zijn hand en hiermee op seconde 33 richting verdachte uithaalt. Verdachte probeert weg te komen, maar wordt door [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en nog een aantal personen achtervolgd.

Op de camerabeelden van [persoon] is te zien hoe een aantal personen achter verdachte aan rent. Onttrokken aan het zicht door een wit voertuig rechts in het beeld vindt een schermutseling plaats, waarbij meerdere keren een langwerpig voorwerp boven het dak van dat voertuig te zien is en gelijktijdig ook het geluid van klappen te horen is.

Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de verklaring van verdachte grotendeels ondersteund wordt door de camerabeelden in het dossier. Daar tegenover staat dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] deels onvolledig en onjuist zijn en niet (helemaal) passen bij de camerabeelden. Zo wordt door hen met geen woord gerept over het slaan door [slachtoffer 1] met een langwerpig voorwerp richting verdachte. Voorts heeft [slachtoffer 2] verklaard dat verdachte meteen zou zijn begonnen met steken; ook dat volgt niet uit de beelden. Tot slot is niet door hen verklaard dat verdachte zich aan het onttrekken was aan de situatie (achteruit liep).

Verwonding [slachtoffer 1]

heeft een verwonding in zijn onderarm opgelopen. Op grond van het dossier is niet uit te sluiten dat deze verwonding is ontstaan op de door verdachte omschreven wijze en dat dus niet bewezen kan worden verklaard dat hij die verwonding opzettelijk aan [slachtoffer 1] heeft toegebracht.

Verwondingen [slachtoffer 2]

De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte één hoekbeweging met zijn rechterarm richting [slachtoffer 2] heeft gemaakt. Dat is een slaande beweging met vermoedelijk een mes in zijn rechterhand. De rechtbank kan echter niet vaststellen of op dat moment het mes gericht was op [slachtoffer 2] en of [slachtoffer 2] op dat moment geraakt is met het mes. [slachtoffer 2] heeft daar zelf ook niet over verklaard.

Vervolgens rent verdachte weg en gaan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en een aantal andere personen achter hem aan. Daarop vindt er een worsteling plaats waarbij [slachtoffer 2] zelf verklaard heeft dat hij in het mes gegrepen heeft. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de verwondingen aan zijn hand op dat moment zijn ontstaan. Ten aanzien van de andere verwondingen geldt dat niet is vast te stellen hoe en wanneer deze precies zijn ontstaan. Dat deze verwondingen tijdens de worsteling tussen verdachte en meerdere andere personen zijn ontstaan, zoals door verdachte verklaard, is aannemelijk. Bij die worsteling waren ook twee personen aanwezig met een staaf of stok in hun handen en op de camerabeelden is te zien en horen dat daarmee is geslagen naar verdachte. Dit betekent dat ook hier niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte opzettelijk de verwondingen aan [slachtoffer 2] heeft toegebracht.

Vrijspraak

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is wat aan verdachte onder parketnummer 02-235273-25 is ten laste gelegd, zodat van dit feit in de primaire en subsidiaire vorm zal worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

parketnummer 01-306607-25

1

op 28 augustus 2025 te Drunen, gemeente Heusden een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad;

2

op 28 augustus 2025 te Drunen, gemeente Heusden, een wapen, van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 116 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de 64 dagen, die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel moeten volgens de officier van justitie de bijzondere voorwaarden gekoppeld worden, zoals door de reclassering geformuleerd en geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit verdachte van het feit onder parketnummer 02-235273-25 vrij te spreken. Ten aanzien van de feiten onder parketnummer 01-306607-25 heeft de verdediging aangevoerd dat een geldboete een gebruikelijke strafoplegging is.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een stroomstootwapen en een boksbeugel. Dit zijn verboden wapens die bij uitstek geschikt zijn om letsel toe te brengen en bijdragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij niet slechts één, maar meerdere verboden wapens gelijktijdig in zijn bezit had.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte vóór deze feiten niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor verboden wapenbezit.

Alles afwegende zal de rechtbank volstaan met het opleggen van een geldboete van € 890,-.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vorderen een schadevergoeding van respectievelijk € 44.345,78 en € 11.170,00 voor het tenlastegelegde feit onder parketnummer 02-235273-25.

Ter zitting heeft de raadsvrouw van de benadeelde partijen de vordering aangepast in die zin dat de immateriële schade van [slachtoffer 1] in ieder geval €8.500,- is en dat verzocht wordt dat deel toe te wijzen. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] is de vordering ter zitting aangepast in die zin dat de vordering voor het deel dat ziet op het eigen risico over 2026 niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat er geen onderliggende stukken zijn ter onderbouwing.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

8. De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke taakstraf van 40 uren die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Breda van 20 augustus 2025 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast de vordering tot tenuitvoerlegging gekoppeld is aan de hoofdzaak met parketnummer 02-235273-25. Nu verdachte van het tenlastegelegde feit onder dat parketnummer wordt vrijgesproken, dient de vordering tot tenuitvoerlegging te worden afgewezen.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. Beslissing

Vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 02-235273-25 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 2: Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 890,-;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 8 dagen;

Benadeelde partijen

Ten aanzien het feit onder parketnummer 02-235373-25:

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter,

en mr. K. Verschueren en mr. D.M. Snoep, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Tafazzul, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 april 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

parketnummer 02-235273-25

hij op of omstreeks 7 september 2025 te Waalwijk ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp, stekende en/of prikkende en/of slaande en/of zwaaiende bewegingen

heeft gemaakt in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 september 2025 te Waalwijk [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft

mishandeld, door meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp

en/of puntig voorwerp, in/tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1]

te steken en/of te prikken en/of te snijden en/of te slaan;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

parketnummer 01-306607-25

1

hij op of omstreeks 28 augustus 2025 te Drunen, gemeente Heusden

een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te

weten een stroomstootwapen,

zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen

weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht

voorhanden heeft gehad;

( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

2

hij op of omstreeks 28 augustus 2025 te Drunen, gemeente Heusden, een wapen,

van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een

boksbeugel, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;

( art 13 lid 1 Wet wapens en munitie )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?