ECLI:NL:RBZWB:2026:3060

ECLI:NL:RBZWB:2026:3060

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 02-220012-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en voor de verlengde uitvoer van 500,44 gram methamfetamine. Oplegging van twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met bijzondere voorwaarden. De duur van het voorarrest wordt hiervan afgetrokken.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-220012-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 16 april 2026

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1959 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] [adres] ,

raadsman mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. H.E. Thijssen-de Haze en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

zich op 23 juli 2025 schuldig heeft gemaakt aan

feit 1: het voorhanden hebben van een pistool;

feit 2: de (verlengde) uitvoer van 500,44 gram methamfetamine, het vervoeren en het aanwezig hebben daarvan.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van beide ten laste gelegde feiten, omdat verdachte geen wetenschap had van het pistool en de methamfetamine die in zijn auto zijn aangetroffen.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten en omstandigheden

Op 23 juli 2025 rond 19:45 uur is verdachte op de snelweg A16 tussen Breda en de Belgische grens, ter hoogte van verzorgingsplaats Hazeldonk-West, staande gehouden door de politie. Hij reed toen in een Ford Kuga personenauto met [kenteken] , geregistreerd op zijn naam. Aanleiding was een melding in het systeem Automatic Number Plate Recognition (ANPR) in verband met ondermijnende criminaliteit. Verdachte was op het moment van de staandehouding de bestuurder en enige inzittende van de auto. De navigatie van de auto stond ingesteld op een adres in Antwerpen. Met uitdrukkelijke toestemming van verdachte heeft de politie de auto doorzocht. Daarbij trof de politie onder de bijrijdersstoel een plastic tasje aan, met daarin een plastic bakje met doorzichtige kristallen. Deze kristallen zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) getest en bleken methamfetamine te bevatten. Het netto gewicht betrof in totaal 500,44 gram. Ook trof de politie in het opbergvak aan de achterzijde van bijrijdersstoel een plastic tasje aan met daarin een vuurwapen. Het bleek een merkloos, maar normaal functionerend pistool met magazijn zonder patronen, zijnde een wapen van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie (WWM). Tot slot lagen er twee Samsung-telefoons van verdachte in de auto.

Wetenschap en beschikkingsmacht

Voor opzet op het voorhanden hebben van het pistool en het aanwezig hebben van de methamfetamine is vereist dat bij verdachte sprake was van wetenschap van de aanwezigheid van deze goederen in de auto en dat deze goederen zich in zijn machtssfeer bevonden, dus dat hij daarover kon beschikken.

Uitgangspunt is dat de bestuurder van een auto wordt geacht wetenschap te hebben van de goederen die aanwezig zijn in de auto waar hij gebruik van maakt en dat deze goederen zich ook in de machtssfeer van die persoon bevinden. Op grond van bepaalde feiten of omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Van zulke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in het geval van verdachte niet gebleken.

Zowel de plastic tas met de methamfetamine als die met het pistool waren zonder nadere handelingen zichtbaar. Verdachte heeft verklaard dat hij de tassen niet heeft opgemerkt, dat hij de dag voor de staandehouding zijn auto tijdens het klussen voor een tweede keer had uitgeleend aan twee voor hem onbekende personen en dat deze personen vermoedelijk de harddrugs en het vuurwapen in zijn auto hebben laten liggen. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig.

Allereerst is de verklaring door het ontbreken van namen of andere informatie over deze twee personen niet concreet en daardoor niet verifieerbaar. Bovendien is het uitlenen van zijn auto aan personen van wie verdachte de naam niet eens weet op zichzelf al opmerkelijk. Temeer nu hij stelt enorme financiële problemen te ondervinden doordat onbekenden in het verleden met zijn auto hebben gereden toen hij in detentie zat. Verder is het zeer onaannemelijk dat onbekende personen een halve kilo harddrugs, die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt, in een auto leggen van een onwetende en daarmee onnodig risico op het verlies van die partij harddrugs lopen. Hetzelfde geldt voor het vuurwapen. Dat alles nog los van het risico op melding daarvan bij de politie.

Daarnaast rijmt de verklaring van verdachte, dat hij niets wist van het pistool en de methamfetamine in de auto, niet met de bevindingen in het dossier.

Ten aanzien van de methamfetamine is van belang dat op één van de aangetroffen Samsung-telefoons drie foto’s stonden van zakken met kristallen (op twee van de foto’s op een weegschaal), gelijkend op de kristallen die in de auto zijn aangetroffen. Deze foto’s zijn met de betreffende telefoon gemaakt in de avond van 22 juli 2025, de dag vóór de staandehouding. Verdachte erkent dat hij die foto’s heeft gemaakt en verklaart hierover dat het caustic soda betrof, wat hij voor schoonmaakwerkzaamheden in stallen gebruikt. Op de vraag waarom hij dit heeft afgewogen en hier foto’s van heeft gemaakt, verklaart hij echter inconsistent. Bij de rechter-commissaris verklaarde verdachte hierover dat hij vijf kilogram caustic soda had gekocht en dat hij zeker wilde weten dat hij niet werd besodemieterd. Ter zitting verklaarde hij dat hij zelf 25 kilogram caustic soda had gekocht, dat hij daarvan vijf kilogram heeft afgewogen en dat de rest naar derden is gegaan. Ook deze verklaringen over het afwegen van een relatief goedkoop product als caustic soda schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde.

Daarnaast vertoonde verdachte kort voor én ten tijde van de staandehouding nerveus gedrag. Nadat hem door de politie een volgteken was gegeven, was verdachte druk aan het rommelen in de auto, keek hij meerdere keren gedurende tien á vijftien seconden naar beneden en was zijn auto aan het slingeren. Achteraf verklaart verdachte hierover dat hij na het volgteken één van zijn Samsung-telefoons – die met daarop de hiervoor genoemde foto’s – een slinger naar achteren in de auto heeft gegeven. Een duidelijke reden voor deze handeling heeft hij niet gegeven en het verklaart evenmin de overige constateringen. Nadat verdachte was aangehouden en werd vervoerd naar het cellencomplex zei hij uit zichzelf onder meer: “Ik had dit niet moeten doen. Ik dacht even iets voor een vriend te doen. Ik dacht er iets aan over te houden.” Verdachte verklaart nadien over deze spontaan gedane uitspraken dat hij hiermee doelde op dat hij die betreffende avond niet naar Antwerpen had moeten gaan om een vriend geld te brengen, dat hij die avond ook nog jerrycans met alcohol voor een vriend had moeten wegbrengen en dat hij nog veel werk te doen had. Deze warrige, niet nader geconcretiseerde en dus niet verifieerbare verklaring acht de rechtbank eveneens ongeloofwaardig. Het is bovendien volstrekt onlogisch dat verdachte met de hiervoor genoemde uitspraken zou doelen op iets anders dan het pistool en de methamfetamine die kort daarvoor in zijn auto waren aangetroffen en als gevolg waarvan hij onderweg was naar het cellencomplex.

Gelet op het voorgaande had verdachte naar het oordeel van de rechtbank wetenschap van de aanwezigheid van het pistool en de methamfetamine in zijn auto. Aangezien verdachte de bestuurder en enige inzittende van de auto was, bevonden deze goederen zich ook in zijn machtssfeer. Dit betekent dat verdachte opzet heeft gehad op en zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van het pistool en het aanwezig hebben en vervoeren van de methamfetamine.

De rechtbank acht daarom het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, evenals het onder feit 2 ten laste gelegde aanwezig hebben en vervoeren van methamfetamine.

(Verlengde) uitvoer

Wat betreft het onder feit 2 ten laste gelegde, ziet de rechtbank zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte zich daarmee ook schuldig heeft gemaakt aan (verlengde) uitvoer van de methamfetamine. Onder het buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen wordt in de Opiumwet, blijkens artikel 1, vijfde lid, ook begrepen het in een naar het buitenland bestemd voertuig aanwezig hebben en met die bestemming vervoeren van die middelen. Hiervoor is dus niet vereist dat de verdovende middelen Nederland al daadwerkelijk hebben verlaten. Wel is vereist dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdovende middelen een bestemming hadden in het buitenland.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit laatste het geval. Direct bij de staandehouding verklaarde verdachte tegen de politie dat hij onderweg was naar Antwerpen en ook later heeft hij dit nog bevestigd. Bovendien stond de in werking zijnde navigatie in de auto ingesteld op een locatie in Antwerpen.

De rechtbank acht daarom ook de uitvoer van de methamfetamine wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1op 23 juli 2025 te Hazeldonk-West, gemeente Breda, een wapen van categorie III, onder

1. van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk onbekend, type onbekend, kaliber 9 x 19 millimeter, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;

2op 23 juli 2025 te Hazeldonk-West, gemeente Breda, opzettelijk

- buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet),

- heeft vervoerd en- aanwezig heeft gehad

500,44 gram van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde methamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, immers heeft verdachte die methamfetamine in een auto vervoerd met de bestemming België.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van veertien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om bij een bewezenverklaring te volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest van verdachte, eventueel in combinatie met een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf en een maximale taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verlengde uitvoer van zo’n 500 gram methamfetamine. Deze specifieke vorm van harddrugs is extreem verslavend en kan ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van gebruikers, met destructieve gevolgen voor hun leven. Daarnaast leidt het gebruik van drugs en de handel daarin tot veel criminaliteit en overlast. Het gaat daarbij enerzijds om strafbare feiten die drugsgebruikers plegen om in hun verslaving te kunnen voorzien en anderzijds om de grootschalige handel in drugs, waarbij aanzienlijke financiële belangen spelen en geweld niet wordt geschuwd. Dat geweld of de dreiging daarmee ook in deze concrete situatie op de loer lag, wordt bevestigd doordat verdachte ook een pistool voorhanden had.

Verdachte heeft bij deze nadelige effecten kennelijk niet stilgestaan of deze op de koop toegenomen en uitsluitend zijn eigen financiële gewin vooropgesteld. Dit neemt de rechtbank hem zeer kwalijk, temeer nu hij destijds in een schorsing van een voorlopige hechtenis liep vanwege de verdenking van een ander Opiumwetdelict. Ook houdt de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening met zijn proceshouding. Verdachte ontkent het begaan van de feiten en heeft er klaarblijkelijk voor gekozen om geen enkele verantwoordelijkheid te nemen voor zijn strafbare handelen.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 17 februari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor drugs- of wapenfeiten is veroordeeld.

Ook slaat de rechtbank acht op het reclasseringsadvies van 29 maart 2026. Hieruit volgt dat het recidiverisico niet kan worden ingeschat, omdat verdachte ontkent de feiten te hebben gepleegd. Er zijn wel enkele zorgen over verdachte ten aanzien van huisvesting, psychosociaal functioneren, sociaal netwerk, houding en financiën. Sinds de voorlopige hechtenis vanwege de verdenking van een ander Opiumwetdelict probeert verdachte zijn leven weer op de rit te krijgen. Hij heeft een plek om te verblijven in België, een postadres in [plaats 1] en een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). De reclassering heeft hem eerder al aangemeld bij Fivoor [plaats 1] , waar hij momenteel wordt begeleid bij zijn financiële zaken. De reclassering ziet aanleiding om het reeds bestaande reclasseringstoezicht voort te zetten en adviseert daarom om verdachte bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering en meewerken aan de aflossing van schulden.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij baat heeft bij deze bijzondere voorwaarden en bereid is om zich hieraan te blijven houden.

Over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verdachte toegelicht dat het beter met hem gaat sinds hij het postadres in [plaats 1] heeft. Hij is weer verzekerd, ontvangt een WW-uitkering en er zijn betalingsregelingen voor zijn schulden getroffen. Na veel rondzwerven is hij in [plaats 2] terechtgekomen, waar hij naar eigen zeggen is opgenomen in de gemeenschap. Er is daar een kamer voor hem geregeld en hij helpt er mensen met klussen, boodschappen doen en hun tuinen bijhouden.

De op te leggen straf

Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende strafrechtelijke reactie is. Voor de bepaling van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Als oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een pistool in de openbare ruimte – waaronder begrepen een voertuig op de openbare weg – wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden gehanteerd. Voor de verlengde uitvoer van zo’n 500 gram harddrugs wordt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden gehanteerd. Dit zou een totale duur van veertien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleveren.

De rechtbank heeft echter ook oog voor de positieve weg die verdachte inmiddels lijkt te zijn ingeslagen, met hulp en begeleiding vanuit de reclassering en van buurtgenoten in [plaats 2] . Enerzijds acht de rechtbank het doorkruisen van deze positieve weg met een langdurige detentieperiode onwenselijk, maar anderzijds valt er aan de oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet te ontkomen, wil er nog sprake zijn een passende straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden passend en geboden is.

De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, zal in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

De rechtbank laat het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte in stand. Dit betekent dat verdachte niet onmiddellijk na het uitspreken van dit vonnis terug in detentie hoeft en dat de voorwaarden die zijn verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis blijven gelden in het geval verdachte in hoger beroep mocht gaan.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

1. meldplicht bij reclassering

dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

2. aflossing schulden

dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden, zolang als de reclassering dat nodig acht;

- de van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.K.J. van der Wal, voorzitter, en mr. M.E.I. Beudeker en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 april 2026.

Mr. Collombon is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Hazeldonk-West, gemeente Breda, althans inNederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, teweten een pistool, van het merk onbekend, type onbekend, kaliber 9 x 19millimeter, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeftgehad;( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

2hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Hazeldonk-West, gemeente Breda, in elk geval inNederland, opzettelijk- buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5van de Opiumwet),- heeft vervoerd en- aanwezig heeft gehad, ongeveer 500,44 gram, in elk geval een hoeveelheid van eenmateriaal bevattende methamfetamine, zijnde methamfetamine een middel alsbedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van dievet,immers heeft verdachte die methamfetamine in een auto vervoerd met debestemming België, althans het buitenland;( art 2 ahf/ond A Opiumwet )

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.K.J. van der Wal
  • mr. M.E.I. Beudeker
  • mr. M.H.M. Collombon

Griffier

  • mr. S.A. Lemmens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?