ECLI:NL:RBZWB:2026:3062

ECLI:NL:RBZWB:2026:3062

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 02-000161-26, 02-015867-25 (gevoegd), 02-240508-23 (TUL) en 02-176894-24 (TUL)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor mishandeling, diefstal, vernieling en tweemaal beschadiging. Oplegging van een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02-000161-26, 02-015867-25 (gevoegd), 02-240508-23 (TUL) en

02-176894-24 (TUL)

Vonnis van de meervoudige kamer van 16 april 2026

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [plaats 1] ,

raadsvrouw mr. N. Assouiki voor de zaak met parketnummer 02-015867-25,

raadsvrouw mr. F.H.J. de Graaf, voor de zaak met parketnummer 02-000161-26,

beiden advocaat in Tilburg.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) heeft de politierechter de zaak met parketnummer 02-015867-25 naar deze kamer verwezen.

De zaken met bovenvermelde parketnummers zijn op de zitting van 2 april 2026 gevoegd conform artikel 285 Sv en inhoudelijk behandeld, tezamen met de vorderingen tot tenuitvoerlegging. De officier van justitie mr. H.E. Thijssen-de Haze en de verdediging, mr. De Graaf, tevens waarnemend voor mr. Assouiki, hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

parketnummer 02-015867-25

op 23 augustus 2024 in [plaats 2] een poort (deur) van [benadeelde 1] heeft beschadigd;

parketnummer 02-000161-26

feit 1: op 29 mei 2025 in [plaats 2] een auto van [benadeelde 2] heeft beschadigd;

feit 2 en feit 3: op 9 mei 2025 in [plaats 3] [benadeelde 3] heeft mishandeld en een fiets van die [benadeelde 3] heeft gestolen;

feit 4: op 21 maart 2025 in [plaats 2] een spiegel van een bus van Arriva heeft vernield.

3. De voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert geen bewijsverweer.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

parketnummer 02-015867-25

Verdachte heeft ter zitting over het feit in deze zaak een bekennende verklaring afgelegd. Voor de bewezenverklaring wordt daarom volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen in bijlage II.

parketnummer 02-000161-26

De rechtbank acht de feiten in deze zaak op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

parketnummer 02-015867-25

op 23 augustus 2024 te [plaats 2] opzettelijk en wederrechtelijk een poort (deur) die aan [benadeelde 1] toebehoorde heeft beschadigd;

parketnummer 02-000161-26

1op 29 mei 2025 te [plaats 2] opzettelijk en wederrechtelijk een auto die aan [benadeelde 2] toebehoorde heeft beschadigd;

2op 9 mei 2025 te [plaats 3] , gemeente Oisterwijk, [benadeelde 3] heeft mishandeld door die [benadeelde 3] meermalen te slaan;

3op 9 mei 2025 te [plaats 3] , gemeente Oisterwijk, een fiets die aan [benadeelde 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4op 21 maart 2025 te [plaats 2] opzettelijk en wederrechtelijk de spiegel van een bus die aan Arriva toebehoorde, heeft vernield.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt primair om verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen en daarbij bijzondere voorwaarden te stellen en subsidiair om verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel en niet een kale gevangenisstraf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich op vier verschillende momenten in een periode van ongeveer negen maanden schuldig gemaakt aan mishandeling, diefstal, vernieling en twee keer beschadiging. Het plegen van deze delicten getuigt van een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit en eigendommen van anderen. Deze delicten veroorzaken schade, overlast en zeker ook gevoelens van onveiligheid, niet alleen bij de direct gedupeerden, maar ook de samenleving in het geheel.

Op de zitting hebben de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 3] toegelicht dat het handelen van verdachte voor hen – nog los van financieel nadeel – ingrijpende gevolgen heeft gehad. Verdachte heeft destijds kennelijk niet bij deze gevolgen stilgestaan of zich hier simpelweg niet om bekommerd. Naar eigen zeggen was verdachte tijdens de delicten onder invloed van alcohol en/of drugs en kan hij zich het merendeel van de delicten niet herinneren. Aan [benadeelde 1] en [benadeelde 3] heeft hij op de zitting zijn excuses aangeboden.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 19 februari 2026, waaruit blijkt dat hij al veel vaker is veroordeeld, ook voor soortgelijke feiten. Er is dus sprake van recidive.

Ook slaat de rechtbank acht op het reclasseringsadvies van 23 maart 2026. Hieruit volgt dat de risicofactoren zijn gelegen in het psychiatrische toestandsbeeld van verdachte, het middelengebruik, zijn zorgmijdende houding, het ontbreken van huisvesting en het gebrek aan steunende of beschermende factoren. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog. Eerder reclasseringstoezicht is in april 2025 voortijdig negatief beëindigd en heeft geen stabiliteit kunnen creëren, ondanks het geleverde maatwerk. Verdachte verscheen herhaaldelijk niet op afspraken en onttrok zich structureel aan de bijzondere voorwaarden. Zijn psychische klachten verergeren door middelengebruik. Aangezien hij geen antipsychotische medicatie meer neemt, lijkt sprake te zijn van toenemende psychische decompensatie, wat zich uit in overlastgevend, onvoorspelbaar en intimiderend gedrag. Verdachte is bekend met agressie en heeft met zijn gedrag meermaals incidenten veroorzaakt of pandverboden opgelegd gekregen. De combinatie van psychiatrische problematiek, middelengebruik, zorgmijding en het ontbreken van stabiliteit en steunende factoren maakt het niet mogelijk om in een voorwaardelijk kader toe te werken naar risicobeheersing en/of gedragsverandering. Gelet op het structurele karakter van het delictgedrag, het hoge recidiverisico en het ontbreken van responsiviteit voor ambulante interventies, acht de reclassering een ISD-maatregel op dit moment het enige passende en haalbare kader.

[deskundige] , reclasseringswerker, heeft daaraan tijdens de zitting toegevoegd dat gedurende de ISD-maatregel wordt bezien wat verdachte nodig heeft om ook buiten detentie een stabiel leven te krijgen en te houden.

Een ISD-maatregel

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan alle eisen die de wet aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. Zo is voor de bewezenverklaarde feiten voorlopige hechtenis toegelaten. Bovendien is verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de feiten vallend onder parketnummer 02-000161-26 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf veroordeeld. De feiten vallend onder parketnummer 02-000161-26 zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Daarnaast zijn er over een periode van vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten meer dan tien processen-verbaal tegen verdachte opgemaakt, waarvan ten minste één in de twaalf maanden voorafgaand aan die feiten. Ook blijkt uit het reclasseringsadvies dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de oplegging van een ISD-maatregel ook passend en geboden is. Voorop staat dat een ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte. Daarnaast kan de maatregel een oplossing bieden voor de problematiek van de verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank is een ISD-maatregel noodzakelijk om de maatschappij te beveiligen tegen het strafbare handelen van verdachte. Andere, minder ingrijpende, afdoeningsmogelijkheden of middelen zijn in het verleden al ingezet, maar hebben niet tot een positieve gedragsverandering bij verdachte geleid. Zo is hij vanwege zijn psychiatrische toestandsbeeld al meermaals klinisch opgenomen zonder dat het beoogde resultaat werd bereikt en bleek verlenging van een verleende zorgmachtiging niet mogelijk, omdat zijn aanhoudende middelengebruik op de voorgrond stond. Ook eerder opgelegde voorwaardelijke straffen met bijzondere voorwaarden hebben niet geleid tot stabiliteit en hebben verdachte er evenmin van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Verdachte overtrad structureel de geldende bijzondere voorwaarden en hield zich niet aan afspraken.

De verdediging betoogt dat verdachte ditmaal wel in staat is om zich te houden aan bijzondere voorwaarden en wijst daarvoor op de ontwikkeling die hij recent heeft doorgemaakt. Gedoeld wordt op trouw medicatiegebruik en de afwezigheid van verdovende middelen in detentie, waardoor verdachte zich naar eigen zeggen nu na circa drie maanden voorarrest helder en energiek voelt. De rechtbank bestempelt deze ontwikkeling als positief, maar ontleent aan de prille gedragsverandering binnen een detentiesetting onvoldoende vertrouwen dat verdachte deze ontwikkeling ook daarbuiten door kan zetten én zich aan bijzondere voorwaarden gaat houden. De combinatie van zijn psychische problematiek en middelengebruik, tezamen met het ontbreken van stabiliteit en beschermende factoren buiten detentie – zoals een woning en dagbesteding – maken dat een voorwaardelijk kader naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende toereikend is om de maatschappij tegen het strafbare handelen van verdachte te beveiligen. Het gedwongen kader van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel is dit wel en is dus passend en geboden. Bovendien biedt een dergelijk kader voor verdachte ook kansen om met zijn problematiek aan de slag te gaan en om aan zichzelf te werken. Als verdachte deze kansen benut en zijn gedrag ten positieve verandert, staat hem na afloop van de ISD-maatregel mogelijk een stabiel leven zonder strafbaar gedrag te wachten, met wellicht een eigen woning in een begeleid wonen-traject, zoals hij graag wenst.

Voornamelijk ter optimale beveiliging van de maatschappij, maar ook om een effectieve behandeling en resocialisatie mogelijk te maken, is het naar het oordeel van de rechtbank belangrijk om voldoende tijd te nemen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om de tijd die verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering te brengen op de duur van de ISD-maatregel.

7. Het beslag

De onttrekking aan het verkeer

parketnummer 02-000161-26

Bij de aanhouding van verdachte op 1 januari 2026 is onder hem onder meer een boterhamzakje met netto 3,59 gram wit poeder in beslag genomen (goednummer: PL2000-2026000545-2947238). Uit onderzoek is gebleken dat dit poeder coffeïne en 1-PEA bevat. Dit zijn geen verboden middelen in de zin van de Opiumwet, maar deze middelen worden wel vaak als versnijdingsmiddel voor drugs gebruikt, waarbij voor 1-PEA geldt dat dit ook als drugs kan worden gebruikt. De rechtbank acht het ongecontroleerde bezit daarvan – in de context waarin deze bij verdachte zijn aangetroffen – in strijd met de wet of het algemeen belang en onttrekt deze middelen daarom aan het verkeer.

8. De vorderingen van de benadeelde partijen

parketnummer 02-015867-25

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 500,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Volgens de benadeelde partij heeft zij als gevolg van de beschadiging van haar poort herstel- en schilderwerkzaamheden moeten laten verrichten. Ter onderbouwing heeft zij een offerte voor deze werkzaamheden overgelegd van 3 februari 2025 met daarop een bedrag van € 499,98.

De verdediging betwist de hoogte van de vordering, omdat de benadeelde partij de schade volgens de verdediging in het kader van haar eenmanszaak heeft geleden en de voor de herstel- en schilderwerkzaamheden betaalde BTW voor haar daarom aftrekbaar is.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich op 23 augustus 2024 schuldig heeft gemaakt aan beschadiging van de poort van de benadeelde partij. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De gevorderde schadevergoeding voor de herstel- en schilderwerkzaamheden acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 499,98, conform het in de offerte opgenomen bedrag. Niet gebleken is dat de BTW voor de herstel- en schilderwerkzaamheden niet voor rekening van de benadeelde partij is gekomen. Zij heeft ter zitting immers toegelicht dat de poort die verdachte heeft beschadigd bij haar woonhuis hoort en het dus om schade aan privébezit gaat. Dit is door de verdediging niet (opnieuw) betwist.

Deze materiële schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

Gelet op het in de offerte opgenomen bedrag wijst de rechtbank de vordering van materiële schade voor het overige (€ 0,02) af.

De rechtbank vermeerdert het toe te wijzen schadebedrag met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2025, de datum van de offerte, tot aan de dag der voldoening.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning verzorgt en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

parketnummer 02-000161-26

Benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1)

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 1.653,43 voor feit 1, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Volgens de benadeelde partij heeft zij als gevolg van de beschadiging van haar auto herstelwerkzaamheden moeten laten verrichten. Ter onderbouwing heeft zij een offerte voor deze werkzaamheden overgelegd van 23 juni 2025 met daarop een bedrag van € 1.653,43.

De verdediging betwist deze vordering, omdat het bedrag van de overgelegde offerte niet valt te rijmen met het schadebedrag van € 450,- dat de benadeelde partij in eerste instantie had gevorderd. Nu de daadwerkelijke omvang van de schade onvoldoende duidelijk is, moet de benadeelde partij volgens de verdediging niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich op 29 mei 2025 schuldig heeft gemaakt aan beschadiging van de auto van de benadeelde partij. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De gevorderde schadevergoeding van € 1.653,43 acht de rechtbank geheel toewijsbaar, aangezien alle in de offerte opgenomen kostenposten zijn te relateren aan herstelwerkzaamheden die verband houden met de beschadiging van de auto van de benadeelde partij door verdachte. De benadeelde partij heeft in het e-mailbericht bij de offerte bovendien verzocht om dat bedrag als schadevergoeding te ontvangen.

De rechtbank vermeerdert het toe te wijzen schadebedrag met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2025, de datum van de offerte, tot aan de dag der voldoening.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente.

Benadeelde partij [benadeelde 3] (feiten 2 en 3)

De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert een schadevergoeding van € 2.970,41 voor de feiten 2 en 3, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Volgens de benadeelde partij heeft hij door het handelen van verdachte een voetbalwedstrijd van Willem II gemist. Gelet op de kosten van zijn seizoenskaart, gedeeld door het aantal wedstrijden in een seizoen, gaat de benadeelde partij voor deze wedstrijd op 9 mei 2025 uit van een schadebedrag van € 21,41. Daarnaast is volgens de benadeelde partij door deze diefstal zijn fiets dusdanig beschadigd dat deze total loss is verklaard. De benadeelde partij heeft hiervoor € 1.550,- vanuit zijn verzekering ontvangen en een soortgelijke fiets teruggekocht voor € 4.499,-, waardoor een schadebedrag van € 2.949,- resteert.

De verdediging betwist uitsluitend de gevorderde schadevergoeding voor de total loss verklaarde fiets. Volgens de verdediging heeft de benadeelde partij via zijn verzekering de dagwaarde vergoed gekregen van deze fiets en is verdachte op grond van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet gehouden om een hoger bedrag dan de dagwaarde aan schadevergoeding te betalen.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich op 9 mei 2025 schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van de benadeelde partij en aan de diefstal van de fiets van de benadeelde partij. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De gevorderde schadevergoeding van € 21,41 wegens het missen van een voetbalwedstrijd van Willem II acht de rechtbank geheel toewijsbaar. Dit deel van de vordering is door de verdediging ook niet betwist.

De gevorderde schadevergoeding voor de total loss verklaarde fiets acht de rechtbank toewijswaar tot een bedrag van € 789,40. De benadeelde partij heeft deze fiets op 3 mei 2021 aangeschaft voor € 3.899,-. Op basis van een jaarlijkse lineaire afschrijving van 10% op deze waarde schat de rechtbank de waarde van de fiets ten tijde van de diefstal in op € 2.339,40. Als op deze geschatte waarde het door de verzekering uitgekeerde bedrag van € 1.550,- in mindering wordt gebracht, resteert er een schadebedrag van € 789,40.

In totaal wijst de rechtbank de vordering dus toe tot een bedrag van € 810,81. Deze materiële schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door de bewezenverklaarde feiten 2 en 3.

De rechtbank wijst de vordering van materiële schade voor het overige af.

De rechtbank vermeerdert het totaal toe te wijzen schadebedrag met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2025, de datum waarop het bewezenverklaarde feit plaatsvond, tot aan de dag der voldoening.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente.

9. De vorderingen tenuitvoerlegging

parketnummer 02-015867-25

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 25 dagen ten uitvoer zal worden gelegd, die aan verdachte in de zaak met parketnummer 02-240508-23 is opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 februari 2024. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen ten uitvoer zal worden gelegd, die aan verdachte in de zaak met parketnummer 02-176894-24 is opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 juni 2024.

De rechtbank stelt vast dat deze vorderingen tot tenuitvoerlegging bij vonnissen van de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 januari 2025 en 19 juni 2025 al zijn toegewezen en de voorwaardelijke gevangenisstraffen inmiddels al geheel zijn geëxecuteerd. De rechtbank zal de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen tot tenuitvoerlegging.

10. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 36f, 38m, 38n, 57, 63, 300, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

parketnummer 02-015867-25

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen;

parketnummer 02-000161-26

feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen;

feit 2: mishandeling;

feit 3: diefstal;

feit 4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar;

Benadeelde partijen

parketnummer 02-015867-25

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 499,98 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst het overige gedeelte van de vordering af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] , € 499,98 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 3 februari 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling vier dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

parketnummer 02-000161-26

Ten aanzien van feit 1:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 1.653,43 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] , € 1.653,43 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 23 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling zestien dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Ten aanzien van de feit 2 en 3:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van € 810,81 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst het overige gedeelte van de vordering af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] , € 810,81 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling acht dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

parketnummer 02-000161-26

- verklaart aan het verkeer onttrokken het volgende voorwerp:

4 GR Verdovende Middelen (PL2000-2026000545-G2947238)

Vorderingen tenuitvoerlegging

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken onder parketnummers 02-240508-23 en 02-176894-24.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.I. Beudeker, voorzitter, en mr. M.H.M. Collombon en mr. P.K.J. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 april 2026.

Mr. Collombon is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlasteleggingen

parketnummer 02-015867-25

hij, op of omstreeks 23 augustus 2024 te [plaats 2]opzettelijk en wederrechtelijk een poort (deur), in elk geval enig goed, dat/die geheelof ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeftvernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

parketnummer 02-000161-26

1hij, op of omstreeks 29 mei 2025 te [plaats 2] , althans in Nederland,opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of tendele aan een ander, te weten aan [benadeelde 2] , toebehoordeheeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2hij op of omstreeks 9 mei 2025 te [plaats 3] , gemeente Oisterwijk, althans inNederland,[benadeelde 3] heeft mishandeld door die [benadeelde 3] , meermalen, althans eenmaal te slaanop/tegen het gezicht, althans op/tegen het lichaam;( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3hij op of omstreeks 9 mei 2025 te [plaats 3] , gemeente Oisterwijk, althans inNederland,een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elkgeval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om hetzich wederrechtelijk toe te eigenen;( art 310 Wetboek van Strafrecht )

4hij, op of omstreeks 21 maart 2025 te Tilburg , althans in Nederland,opzettelijk en wederrechtelijkde spiegel van een bus, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan eenander, te weten aan Arriva, toebehoordeheeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?