ECLI:NL:RBZWB:2026:3063

ECLI:NL:RBZWB:2026:3063

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 02-370842-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Seksueel misbruik van twee cliënten door persoonlijke begeleider. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Contactverbod. Beroepsverbod.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02-370842-24

Vonnis van de meervoudige kamer van 16 april 2026

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1976 in [geboorteplaats]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] ,

raadsvrouw mr. M.V. de Nooijer, advocaat te Middelburg.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 april 2026, waarbij de officier van justitie, mr. Y.E.Y. Vermeulen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: in de periode van 1 maart 2024 tot en met 30 juni 2024 [slachtoffer 1] heeft verkracht;feit 2: in de periode van 1 maart 2024 tot en met 30 juni 2024 [slachtoffer 1] heeft aangerand;feit 3: in de periode van 1 maart 2024 tot en met 30 juni 2024 seksuele handelingen heeft verricht bij zijn cliënte [slachtoffer 1] ;feit 4: in de periode van 1 december 2023 tot en met 30 april 2024 [slachtoffer 2] heeft aangerand;feit 5: in de periode van 1 december 2023 tot en met 30 april 2024 seksuele handelingen heeft verricht bij zijn cliënte [slachtoffer 2] .

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn betrouwbaar en worden in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feiten 1 en 2 en verzoekt verdachte hiervan vrij te spreken. Dat verdachte werkzaam was bij [zorgorganisatie] als persoonlijk begeleider en dat [slachtoffer 1] in zekere mate als cliënte aan zijn zorg was toevertrouwd, wordt niet betwist. De zorgrelatie heeft bij de seksuele handelingen echter geen enkele rol gespeeld. Het seksuele contact was eenmalig, vrijwillig en met instemming van zowel [slachtoffer 1] als verdachte. Enige vorm van afhankelijkheid is hierop niet van invloed geweest. Verder ontkent verdachte de deur op slot te hebben gedaan, de gordijnen te hebben gesloten en de lichten te hebben uitgedaan voordat de seksuele handelingen plaatsvonden. Van enige door verdachte uitgeoefende dwang was dan ook geen sprake. De verklaring van [slachtoffer 2] kan bovendien niet dienen als steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben namelijk voorafgaand aan het informatieve gesprek bij de politie en de aangifte met elkaar gesproken, waardoor onderlinge beïnvloeding niet kan worden uitgesloten. Verdachte dient in ieder geval vrijgesproken te worden van het betasten van de borsten en billen van [slachtoffer 1] , bij gebrek aan wettig bewijs. Omdat [slachtoffer 1] de enige is die hierover heeft verklaard, wordt niet voldaan aan het wettelijk bewijsminimum op dit punt.

Feit 3 kan wettig en overtuigend worden bewezen, met de kanttekening dat de seksuele handelingen slechts eenmalig tijdens een nachtdienst hebben plaatsgevonden en dat verdachte de borsten en billen van [slachtoffer 1] niet heeft betast.

Daarnaast verzoekt de verdediging verdachte vrij te spreken van feiten 4 en 5. Verdachte ontkent [slachtoffer 2] op een seksuele wijze te hebben aangeraakt. Hij heeft haar wel eens een knuffel gegeven, maar dit had geen enkele seksuele strekking. Het was een manier om [slachtoffer 2] gerust te stellen en te kalmeren na een dissociatie. [slachtoffer 2] vroeg er bovendien vaak zelf om. De verklaring van [slachtoffer 1] kan evenmin dienen als steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 2] , nu ook hier niet kan worden uitgesloten dat sprake is geweest van onderlinge beïnvloeding waardoor de verklaringen (onbewust) op elkaar zijn afgestemd.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Inleiding

Verdachte wordt ervan verdacht twee vrouwen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , seksueel te hebben misbruikt. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verbleven in dezelfde zorginstelling van [zorgorganisatie] als waar verdachte als zorgverlener werkzaam was. Zijn werkzaamheden bestonden uit de persoonlijke begeleiding van cliënten – waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] – op en rond het terrein van de zorginstelling.

Op 30 september 2024 heeft [slachtoffer 1] bij de politie melding gemaakt van seksueel grensoverschrijdend gedrag door een begeleider bij [zorgorganisatie] . Naar aanleiding van deze melding is de politie een gesprek met [slachtoffer 1] aangegaan. Dit informatief gesprek zeden heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2024. Op 22 oktober 2024 is namens [slachtoffer 1] aangifte gedaan. Op 26 oktober 2024 heeft er een informatief gesprek zeden plaatsgevonden met [slachtoffer 2] . Op 20 november 2024 is namens haar aangifte gedaan. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn later nogmaals gehoord over het seksueel misbruik.

Verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij goed met verdachte kon praten, omdat hij zich ook kwetsbaar opstelde. Hij won op die manier haar vertrouwen. Hij wist dat zij in het verleden seksueel misbruikt was, dat zij (mede) als gevolg van dat seksuele misbruik suïcidale gedachten had en dat zij moeite had om haar grenzen te bewaken. Hij was heel lief voor haar en gaf haar vaak een knuffel. Op een gegeven moment begon hij haar ook vanuit zowel zijn werk- als privémailadres e-mails te sturen, eerst om te vragen hoe het met haar ging maar later zaten daar ook seksueel getinte video’s en foto’s van hemzelf bij. Zij moest deze e-mails steeds van hem verwijderen, ook uit de prullenbak. Ook ging zij vaak met hem naar het kantoor van de begeleiders. Hij deed dan de deur op slot, de gordijnen dicht en de lichten uit. Verdachte heeft haar in het kantoor een keer op haar mond gekust, haar borsten en billen betast en zijn vinger in haar vagina gestopt. Zij heeft ook een keer zijn penis betast.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte vaak alleen op haar kamer kwam en haar dan een knuffel gaf. Later kwam daar ook nog een kus op haar hoofd of wang bij. Op een gegeven moment sloeg hij ook zijn armen om haar heen toen hij achter haar stond en betastte hij haar buik en rug. Hij deed dit ook op het kantoor van de begeleiders. Hij deed dan de deur op slot, de gordijnen dicht en de lichten uit. In het kantoor pakte hij haar van achteren beet rond haar middel en trok hij haar tegen zich aan. [slachtoffer 2] heeft niets durven te zeggen omdat ze bang was dat ze haar niet zouden geloven. Na haar verhuizing begon hij haar e-mails te sturen, zowel vanuit zijn werk- als privémailadres. Eerst om te vragen hoe het met haar ging en of haar nieuwe woning beviel, maar later ook met seksueel getinte opmerkingen. Zij moest van hem steeds alle e-mails verwijderen, ook uit de prullenbak. Hij is ook een paar keer bij haar nieuwe adres langs geweest en heeft haar een van die keren een zoen op haar wang gegeven en een arm om haar heen geslagen, terwijl ze samen op de bank zaten.

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens een nachtdienst in het kantoor van de begeleiders seksuele handelingen met [slachtoffer 1] heeft verricht. Hij heeft haar gezoend en is met een vinger in haar vagina gegaan. [slachtoffer 1] heeft hem afgetrokken. Hij ontkent dat hij de borsten en billen van [slachtoffer 1] heeft betast, niet tijdens deze nachtdienst noch op andere momenten. Ook ontkent hij dat hij de deur van het kantoor op slot heeft gedaan, het gordijn heeft dichtgedaan en het licht heeft uitgedaan in de context van de vermeende seksuele handelingen.

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] wel eens een knuffel heeft gegeven. Het was een manier om [slachtoffer 2] gerust te stellen en te kalmeren na een dissociatie. [slachtoffer 2] vroeg er vaak zelf om. Hij ontkent uitdrukkelijk dat hij ontuchtige handelingen met haar heeft gepleegd.

Verder heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] seksueel getinte e-mails heeft gestuurd en dat hij telkens aan hen heeft gevraagd die e-mails te verwijderen, ook uit de prullenbak.

Juridisch kader in zedenzaken

Voor het bewijs in strafzaken geldt de regel dat dit niet enkel gebaseerd mag worden op één getuigenverklaring (de bewijsminimumregel). Het gaat in zedenzaken echter vaak om bepaalde seksuele handelingen, waar maar twee mensen bij aanwezig zijn geweest: de verdachte en degene bij wie de verdachte strafbare seksuele handelingen zou hebben gepleegd. Indien de verdachte ontkent, is er in dat geval maar één getuige die kan verklaren over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de hiervoor genoemde bewijsminimumregel geldt voor de gehele tenlastelegging/bewezenverklaring. Onderdelen daarvan mogen wel degelijk slechts op één enkele getuigenverklaring berusten. Dat geldt volgens de Hoge Raad ook voor de ten laste gelegde gedragingen. In een zedenzaak is dus in principe voor het bewijs van de seksuele handelingen één getuigenverklaring genoeg, mits deze op bepaalde punten bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen moeten afkomstig zijn uit een andere bron dan die ene getuigenverklaring.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrouwbaar. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben beiden authentiek, gedetailleerd en consistent verklaard over de seksuele handelingen die verdachte bij hen heeft verricht en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Zij benoemen allebei concrete gebeurtenissen en vermelden daarbij details over de plekken waar en de wijze waarop de seksuele handelingen plaatsvonden. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verder ook consequent verklaard over hoe verdachte zijn handelingen langzamerhand opbouwde en hoe hij daarin steeds verder ging. Het begon met het opbouwen van een vertrouwensband, vervolgens werd al snel een knuffel en een kus gegeven, kwam hij bij hen op de kamer, stuurde hij seksueel getinte e-mails die zij ook meteen moesten verwijderen (ook uit de prullenbak), deed hij de deur van het kantoor op slot, de gordijnen dicht en het licht uit en dit alles leidde uiteindelijk tot het betasten van de borsten en billen van [slachtoffer 1] , het zoenen op de mond en het vingeren van [slachtoffer 1] , het geven van een zoen op het hoofd dan wel het gezicht van [slachtoffer 2] en het tegen zich aantrekken en betasten van de buik en rug van [slachtoffer 2] .

Dat sprake is geweest van beïnvloeding, zoals naar voren gebracht door de verdediging, vindt geen steun in het dossier. [slachtoffer 2] is pas met [slachtoffer 1] gaan praten nadat zij al een verklaring bij de politie had afgelegd.

Steunbewijs

De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vinden daarnaast grotendeels steun in ander bewijsmateriaal, zoals in de door verdachte gestuurde e-mails. De inhoud van deze

e-mails past in het beeld dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben geschetst over het seksuele karakter van de relatie met verdachte. Zo heeft hij naar [slachtoffer 1] video’s en foto’s gestuurd waarin hij zichzelf aan het aftrekken was en waarop zijn stijve penis te zien was, en heeft hij aan [slachtoffer 2] gevraagd hoe haar schaamhaar erbij stond.

Daarnaast vinden de verklaringen ook steun in de verklaring van verdachte zelf. Verdachte heeft op zitting bekend dat hij tijdens een nachtdienst in het kantoor van de begeleiders seksuele handelingen met [slachtoffer 1] heeft verricht. Hij heeft haar gezoend en gevingerd en [slachtoffer 1] heeft hem afgetrokken. Hij heeft [slachtoffer 2] knuffels gegeven. Ook heeft hij bekend dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] seksueel getinte e-mails heeft gestuurd en dat hij telkens aan hen heeft gevraagd die e-mails te verwijderen, ook uit de prullenbak.

Tussenconclusie over de seksuele handelingen en de periodes

Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij de bewezenverklaring als uitgangspunt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte alle ten laste gelegde handelingen heeft verricht in de ten laste gelegde periodes, dus ook het betasten van de borsten en billen van [slachtoffer 1] (feiten 2 en 3), het op slot doen van de deur, het dichtdoen van de gordijnen en het uitdoen van het licht (feiten 1, 2 en 4) en het zoenen van [slachtoffer 2] (feiten 4 en 5).

Feiten 1, 2, 3, 4 en 5.

Verdachte was in de ten laste gelegde periode als persoonlijk begeleider verantwoordelijk voor de zorg voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Vast staat dat verdachte gedurende deze hulpverlener-cliënte-relatie op verschillende momenten seksuele handelingen bij hen heeft verricht. Deze seksuele handelingen vonden plaats in een kantoor, waarvan verdachte de deur op slot deed, de gordijnen sloot en de lichten uitdeed. Verdachte wist dat hij in de rol van persoonlijk begeleider een grens overschreed en dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kwetsbare personen waren. Hij was vanuit zijn functie volledig op de hoogte van hun problematiek. Hij wist bijvoorbeeld dat [slachtoffer 1] in het verleden seksueel misbruikt was, dat zij (mede) als gevolg van dat seksuele misbruik suïcidale gedachten had en dat zij moeite had om haar grenzen te bewaken. Van [slachtoffer 2] wist hij dat zij 24/7 zorg nodig had en overal bij geholpen moest worden. Gegeven deze omstandigheden was geen sprake van een gelijkwaardige relatie, maar heeft een zekere mate van afhankelijkheid van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een rol gespeeld bij het verrichten van de seksuele handelingen. De door verdachte gepleegde seksuele handelingen zijn dan ook in strijd met de sociaal-ethische norm en zij dragen daarom een ontuchtig karakter. Daarnaast is gelet op deze omstandigheden sprake van dwang door een andere feitelijkheid.

Conclusie

Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vanuit zijn rol als hulpverlener heeft gedwongen ontuchtige handelingen te plegen en te dulden, terwijl die als cliënten aan verdachtes hulp en zorg waren toevertrouwd, waarbij het bij [slachtoffer 1] ook ging om seksueel binnendringen, zodat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

in de periode van 1 maart 2024 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , gemeente Goes,

door een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van

handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,

hebbende verdachte zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en

bestaande die andere feitelijkheid uit het geestelijk overwicht van verdachte op die

[slachtoffer 1] en het op slot doen van de deur en het sluiten van de gordijnen en

het uitdoen van de lichten en uit het onverhoeds duwen/brengen van zijn

vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] ;

2

meermalen in de periode van 1 maart 2024 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , gemeente Goes, door een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en dulden van ontuchtige handelingen, hebbende verdachte die [slachtoffer 1] op de mond gezoend en de borsten en billen van die [slachtoffer 1] betast en die [slachtoffer 1] zijn penis laten betasten en

bestaande die andere feitelijkheid uit het geestelijk overwicht van verdachte op die

[slachtoffer 1] en het op slot doen van de deur en het sluiten van de gordijnen en

het uitdoen van de lichten en uit het onverhoeds betasten van de borsten en

billen van die [slachtoffer 1] en laten betasten van zijn penis;

3

meermalen in de periode van 1 maart 2024 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , gemeente Goes, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg,

ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, hebbende verdachte zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en die [slachtoffer 1] op de mond gezoend en de borsten en billen van die [slachtoffer 1]

betast en die [slachtoffer 1] zijn penis laten betasten;

4

meermalen in de periode van 1 december 2023 tot en met 30 april 2024 te [plaats] , gemeente Goes, door een andere feitelijkheid, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, hebbende verdachte die [slachtoffer 2] gezoend en die [slachtoffer 2] bij

haar middel vastgepakt en tegen zich aan getrokken en de buik en rug van die [slachtoffer 2] betast en bestaande die andere feitelijkheid uit het geestelijk overwicht van verdachte op die [slachtoffer 2] en het in een kamer duwen/trekken van die [slachtoffer 2] en het op slot doen van de deur en het sluiten van de gordijnen en het uitdoen van de lichten;

5

meermalen in de periode van 1 december 2023 tot en met 30 april 2024 te [plaats] , gemeente Goes, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, hebbende verdachte die [slachtoffer 2] gezoend en die [slachtoffer 2] bij haar middel vastgepakt en tegen zich aan getrokken en de buik en rug van die [slachtoffer 2] betast.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van

36 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 25 maart 2026. Daarnaast vordert hij een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor de duur van vijf jaren, met bepaling dat per overtreding van deze maatregel twee weken hechtenis wordt toegepast, met een maximum van zes maanden. Hij vordert ook de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel. Als bijkomende straf vordert de officier van justitie een beroepsverbod voor de duur van vijf jaren, gelet op het feit dat verdachte ten tijde van de feiten werkzaam was als hulpverlener in de zorg. De officier van justitie acht het van belang dat het verdachte wordt verboden om zijn beroep als hulp-/zorgverlener binnen de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg uit te oefenen voor de duur van vijf jaren om zodoende potentiële slachtoffers te beschermen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij het bepalen van (de hoogte van) de op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft een blanco strafblad, beschikt over een baan, werkt hard aan zijn behandeling bij De Waag en heeft co-ouderschap over zijn twee kinderen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het voorarrest zal zijn behandeltraject doorkruisen. Ook zal hij daardoor zijn baan, zijn woning en zijn co-ouderschap verliezen. Verder betreft het een oude zaak en wordt het recidiverisico door de reclassering als laag ingeschat. Gelet hierop en op uitspraken in vergelijkbare zaken wordt verzocht om te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een taakstraf. Aan die voorwaardelijke straf kunnen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. Ten aanzien van de gevorderde vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beroepsverbod.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met twee afhankelijke, zeer kwetsbare vrouwen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Bij [slachtoffer 1] ging het ook om seksueel binnendringen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verbleven vanwege hun kwetsbaarheid in een zorginstelling van [zorgorganisatie] waar verdachte als zorgverlener werkzaam was. Verdachte was volledig op de hoogte van de kwetsbaarheid van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zo wist hij dat [slachtoffer 1] in het verleden seksueel misbruikt was, dat zij (mede) als gevolg van dat seksuele misbruik suïcidale gedachten had en dat zij moeite had om haar grenzen te bewaken. Van [slachtoffer 2] wist hij dat ze 24/7 zorg nodig had en overal bij geholpen moest worden.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] stelden vertrouwen in verdachte en deelden hun problemen met hem. Op die manier ontstond een vertrouwensrelatie tussen hen en vanuit deze vertrouwensrelatie is verdachte begonnen met het plegen van ontuchtige handelingen. Hij begon hen te knuffelen eerst van voren, dan van achteren, en hen op hun voorhoofd of wang te kussen. Op een gegeven moment ging hij hen ook e-mails sturen, eerst om te informeren hoe het met hen ging, later met seksueel getinte foto’s en filmpjes van zichzelf. Hij is vervolgens steeds verder gegaan in zijn handelen en dit mondde uiteindelijk uit in het plegen van seksuele handelingen bij beide aangeefsters. Hij heeft daarbij misbruik gemaakt van het overwicht dat hij als persoonlijke begeleider over [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] had. Zij mochten hier niet met anderen over praten en moesten de e-mails steeds verwijderen, ook uit de prullenbak.

Verdachte heeft zich in steeds grotere mate laten leiden door zijn eigen behoeften. Hierdoor zijn de belangen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] steeds verder naar de achtergrond verdwenen. Als hun persoonlijk begeleider had verdachte de taak gekregen om hun te beschermen, maar in plaats daarvan heeft hij ernstig misbruik gemaakt van zijn positie en hun kwetsbaarheid en heeft hij hun psychische problemen verergerd.

Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hem hadden, maar ook een inbreuk gemaakt op hun lichamelijke en geestelijke integriteit. En dit, terwijl zij al zo kwetsbaar waren en verdachte hiervan nota bene op de hoogte was. Dit soort feiten brengen, juist aan afhankelijke en kwetsbare personen zoals [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , grote schade toe. Uit de op de zitting door Slachtofferhulp Nederland voorgelezen slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blijkt dat zij erg lijden onder de gevolgen van het handelen van verdachte. Verdachte heeft hun vertrouwen beschadigd en hun gevoel van veiligheid ontnomen. Zij zijn angstig, bang voor mensen geworden en voelen zich ’s nachts onveilig, zowel op de afdeling als in hun eigen kamer. Zij ondervinden in hun dagelijks bestaan veel hinder van het misbruik doordat zij bij alles wat zij doen, steeds herinnerd worden aan verdachte en wat er is gebeurd.

Verdachte was bovendien een gewaarschuwd mens. Hij is bij zijn twee vorige werkgevers (de politie en de GGZ) ontslagen wegens seksueel grensoverschrijdend gedrag. Hij toonde zich toen schuldbewust, maar dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw ver over grenzen heen te gaan. Integendeel, verdachte is binnen een half jaar na zijn ontslag bij de GGZ weer de fout in gegaan. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van

25 maart 2026. De reclassering is sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte op 5 maart 2025 bij verdachte betrokken. Verdachte is meewerkend en met een behandeling gestart. Die behandeling verloopt tot op heden positief. Verdachte lijkt in te zien dat zijn gedrag niet goed is geweest en dat hier verandering in moet komen. Hij heeft veel spijt en neemt het zichzelf kwalijk dat hij niet eerder heeft beseft dat er, gezien zijn functie, sprake was van machtsongelijkheid. Om de kans op herhaling zo klein mogelijk te maken, acht de reclassering het van belang dat de behandeling wordt voortgezet en dat verdachte geen werkzaamheden meer uitvoert binnen de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een beroepsverbod.

Verdachte heeft op zitting verklaard bereid te zijn zich aan de bijzondere voorwaarden te (blijven) houden.

De op te leggen straf

Gevangenisstraf

Gelet op de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de gevolgen voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte heeft de rechtbank gekeken naar straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare zaken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de straf zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden is. De rechtbank zal aan verdachte dan ook een gevangenisstraf

opleggen van 36 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Hiermee zal verdachte een stevige stok achter de deur hebben om te voorkomen dat hij opnieuw de fout ingaat. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel ook de meldplicht en de ambulante behandelverplichting verbinden, zoals door de reclassering is geadviseerd in het rapport van 25 maart 2026. De rechtbank acht het, gelet op de problematiek van verdachte, van groot belang dat verdachte de behandeling voortzet.

Tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr

Verder acht de rechtbank, ter voorkoming van nieuw ernstig belastend gedrag van verdachte richting [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , het van belang dat verdachte voor een langere periode op geen enkele wijze contact zoekt of heeft met hen. De rechtbank zal aan verdachte daarom op grond van artikel 38v Sr de maatregel opleggen dat hij zich onthoudt van contact met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank zal de maatregel opleggen voor de duur van vijf jaren en daarbij bepalen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. De rechtbank zal ook de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan bevelen, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Beroepsverbod

In artikel 251 Sr is bepaald dat de in artikel 28 Sr vermelde bijkomende straf van ontzetting van het recht een bepaald beroep uit te oefenen bij een veroordeling voor dit feit kan worden uitgesproken, indien de verdachte het feit in de uitoefening van dat beroep heeft begaan. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is. Verdachte was tijdens de bewezen verklaarde feiten werkzaam als hulpverlener in de zorg. De rechtbank ziet op grond van de aard van de feiten, in combinatie met de werkomgeving waarin deze feiten zijn begaan en de omstandigheid dat verdachte bij zijn twee vorige werkgevers (de politie en de GGZ) ook seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft laten zien en daarvoor ontslagen is, aanleiding om de ontzetting van het recht om het beroep van zorgverlener of een soortgelijke functie in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg uit te spreken. De rechtbank acht het van groot belang dat wordt verzekerd dat verdachte voor een langere periode niet meer in aanraking zal komen met afhankelijke en kwetsbare personen (zoals ouderen, kinderen en personen met psychische problematiek) in de uitoefening van zijn beroep. De rechtbank zal deze bijkomende straf opleggen voor de duur van vijf jaren.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feiten 1, 2 en 3)

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 12.500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij voldoende heeft onderbouwd dat zij ernstige nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat zij in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade. De rechtbank acht, gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, alsmede gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, vergoeding van een bedrag van

€ 7.500,- billijk. Zij zal dit bedrag dan ook toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2024, de einddatum van de bewezen verklaarde pleegperiode. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. De rechtbank zal daarbij tevens de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf de einddatum van de bewezen verklaarde pleegperiode, te weten 30 juni 2024.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feiten 4 en 5)

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 3.000,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij voldoende heeft onderbouwd dat zij ernstige nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Haar mentale gesteldheid is aanzienlijk achteruitgegaan. Dit betekent dat zij in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade. De rechtbank acht, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, alsmede gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, vergoeding van een bedrag van € 1.000,- billijk. Zij zal dit bedrag dan ook toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april 2024, de einddatum van de bewezen verklaarde pleegperiode. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. De rechtbank zal daarbij tevens de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf de einddatum van de bewezen verklaarde pleegperiode, te weten 30 april 2024.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28, 31, 36f, 38v, 57, 242, 246 en 249 Sr zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

6 maanden;

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: verkrachting;

feit 2: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;

feit 3: werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd;

feit 4: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;

feit 5: werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;* dat verdachte gedurende de proeftijd zijn behandeling bij De Waag of een soortgelijke forensisch zorgverlener, te bepalen door de reclassering, voortzet, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

38v-maatregel

- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 5 jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met slachtoffer [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 1975, en slachtoffer [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 1997;

- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van

- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.

- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen;

Bijkomende straf - ontzet verdachte van het recht het beroep van zorgverlener of een soortgelijke functie in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg uit te oefenen voor de duur van vijf jaren;

Benadeelde partijen

T.a.v. feiten 1, 2 en 3

[slachtoffer 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 7.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 30 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], € 7.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 30 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 62 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

T.a.v. feiten 4 en 5

[slachtoffer 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 30 april 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2] , € 1.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 30 april 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter,

en mr. H. Skalonjic en mr. B. Akdikan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier,

en is bij vervroeging uitgesproken ter openbare zitting op 16 april 2026.

De voorzitter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2024 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] ,

gemeente Goes

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere

feitelijkheid,

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer

handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,

hebbende verdachte zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en

bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld

en/of een andere feitelijkheid uit het geestelijk overwicht van verdachte op die

[slachtoffer 1] en/of het op slot doen van de deur en/of het sluiten van de gordijnen en/of

het uitdoen van de lichten en/of uit het onverhoeds duwen/brengen van zijn

vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] ;

( art 242 Wetboek van Strafrecht )

2

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 maart 2024 tot en

met 30 juni 2024 te [plaats] , gemeente Goes,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere

feitelijkheid,

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handelingen, hebbende verdachte die [slachtoffer 1] op de mond gezoend en/of de borsten

en/of billen van die [slachtoffer 1] betast en/of die [slachtoffer 1] zijn penis laten betasten en

bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld

en/of een andere feitelijkheid uit het geestelijk overwicht van verdachte op die

[slachtoffer 1] en/of het op slot doen van de deur en/of het sluiten van de gordijnen en/of

het uitdoen van de lichten en/of uit het onverhoeds betasten van de borsten en/of

billen van die [slachtoffer 1] en/of laten betasten van zijn penis;

( art 246 Wetboek van Strafrecht )

3

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 maart 2024 tot en

met 30 juni 2024 te [plaats] , gemeente Goes,

terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg,

ontucht heeft gepleegd

met [slachtoffer 1] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had

toevertrouwd,

hebbende verdachte zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht

en/of die [slachtoffer 1] op de mond gezoend en/of de borsten en/of billen van die [slachtoffer 1]

betast en/of die [slachtoffer 1] zijn penis laten betasten;

( art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht )

4

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 december 2023

tot en met 30 april 2024 te [plaats] , gemeente Goes, in elk geval in Nederland,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere

feitelijkheid,

[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer

ontuchtige handelingen, hebbende verdachte die [slachtoffer 2] gezoend en/of die [slachtoffer 2] bij

haar middel vastgepakt en/of tegen zich aan getrokken en/of de buik en/of rug van

die [slachtoffer 2] betast en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of

bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid uit het geestelijk overwicht

van verdachte op die [slachtoffer 2] en/of het in een kamer duwen/trekken van die [slachtoffer 2]

en/of het op slot doen van de deur en/of het sluiten van de gordijnen en/of het

uitdoen van de lichten;

( art 246 Wetboek van Strafrecht )

5

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 december 2023

tot en met 30 april 2024 te [plaats] , gemeente Goes, in elk geval in Nederland,

terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg,

ontucht heeft gepleegd

met [slachtoffer 2] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg

had toevertrouwd,

hebbende verdachte die [slachtoffer 2] gezoend en/of die [slachtoffer 2] bij haar middel vastgepakt

en/of tegen zich aan getrokken en/of de buik en/of rug van die [slachtoffer 2] betast;

( art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?