ECLI:NL:RBZWB:2026:3071

ECLI:NL:RBZWB:2026:3071

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 02-196269-24 en 02-330105-23 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Bewezenverklaring van een poging tot doodslag door met een mes in de rug van het slachtoffer te steken. Geen sprake van noodweer(exces). Oplegging van 24 maanden gevangenisstraf waarvan 8 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02-196269-24 en 02-330105-23 (tul)

Vonnis van de meervoudige kamer van 16 april 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

,

raadsman mr. N.P.C.C. Langenberg, advocaat te Breda .

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging met bovenvermeld parketnummer behandeld.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, dan wel een poging tot zware mishandeling, door aangever met een mes in de rug te steken.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging doodslag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van poging doodslag kan komen.

Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 2 april 2026;

- de aangifte van [benadeelde] van 16 juni 2024, pagina 16 tot en met 18 van het eindproces-verbaal nummer PL2000-2024150358;

- het proces-verbaal van verhoor van aangever bij de rechter-commissaris van 3 december 2024;

- het proces-verbaal van verhoor [getuige 1] van 17 juni 2024, pagina 39 en 40 van het eindproces-verbaal nummer PL2000-2024150358 en

- het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] bij de rechter-commissaris van 3 december 2024;

- het geschrift, de geneeskundige verklaring, pagina 246 van het eindproces-verbaal nummer PL2000-2024150358.

Verdachte heeft ter zitting verklaard aangever met een mes in de rug te hebben gestoken.

De vraag die aan de rechtbank voorligt is of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling.

Daarbij is onder meer van belang of verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om aangever van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig, indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Enkele wetenschap van die kans volstaat niet. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Het moet daarbij gaan om de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

Verdachte is op aangever afgerend terwijl die met zijn rug naar verdachte toe stond. Hij heeft direct met een mes in de rug van aangever gestoken, ter hoogte van zijn longen. Aangever had een steekverwonding ter hoogte van de borstholte / schouder(blad). Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in dat gebied vitale delen, zoals de longen, bevinden waarvan beschadiging tot de dood kan leiden. De steekverwonding heeft ook daadwerkelijk tot een klaplong geleid. Ook wanneer een in dit gebied aanwezige slagader wordt geraakt, is de kans op de dood aanmerkelijk.

Gelet op de wijze waarop de steekwond is toegebracht, namelijk door een directe en onverhoedse beweging en op de plek in het lichaam waar aangever is geraakt, kunnen de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans op de dood van aangever heeft aanvaard. Daarmee kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

verdachte op 15 juni 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, voornoemde [benadeelde] met een mes in de rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vervolgens aangevoerd dat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door aangever. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdediging het volgende aangevoerd. Uit het dossier blijkt dat een groep mensen, al dan niet met slag-/steekwapens, tegen de woning van verdachte sloeg en schopte en daarbij dreigementen uitte richting met name verdachte. Hiermee was sprake van een aanranding van een goed, te weten de woning van verdachte, en een dreigend gevaar voor aanranding van de in de woning aanwezige personen.

Vervolgens zag verdachte dat zijn vader op straat werd aangevallen. Deze werd geslagen en geschopt door aangever en [getuige 2] . Er was dus sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn vader en verdachte zag zich genoodzaakt hiertegen op te treden ter verdediging van zijn vader. Het middel (steken met een mes) komt gegeven de situatie proportioneel voor.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat sprake is van noodweerexces. Als de grenzen van de noodzakelijke verdediging tegen de ogenblikkelijke, wederrechtelijke

aanranding werden overschreden, is dat het onmiddellijke gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanrander. Uit het gesprek van verdachte met de meldkamer blijkt van een hevige gemoedsbeweging. Verdachte was duidelijk in paniek. Die hevige gemoedsbeweging is door de aanrander veroorzaakt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat een noodweer(exces) situatie niet aannemelijk is geworden. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn vader wilde verdedigen, maar uit de meeste verklaringen in het dossier blijkt juist dat anderen werden bedreigd door de vader van verdachte, die met twee messen buiten stond. Er is onvoldoende gebleken dat verdachte zichzelf of zijn vader moest verdedigen. Daarnaast blijkt dat verdachte, zonder eerst de situatie te hebben bekeken of iets anders te hebben geprobeerd, direct met een mes naar buiten is gelopen, linea recta in volle vaart op aangever is afgelopen en hem in de rug heeft gestoken. Hij heeft geen tijd genomen om naar de toestand van zijn vader te kijken. Bovendien had verdachte 112 al gebeld en was de politie onderweg. Verdachte heeft totaal buitenproportioneel gereageerd. Ook uit de camerabeelden blijkt niet van een noodweersituatie.

Het oordeel van de rechtbank

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

De eerste gestelde noodweersituatie is het moment waarop een groep mensen tegen de woning van verdachte sloeg en schopte. De rechtbank stelt vast dat deze situatie plaatsvond voorafgaand aan het steekincident en niet meer aan de orde was op het moment dat verdachte naar buiten kwam en aangever in de rug stak, al stonden er nog wel mensen voor de woning van verdachte. De rechtbank ziet de situatie waarin tegen de woning van verdachte werd geslagen en geschopt als een moment dat in die zin los staat van het steekincident en acht dit moment dan ook alleen al daarom niet relevant voor het beroep op noodweer ten aanzien van het steken door verdachte.

De tweede gestelde noodweersituatie is het moment waarop de vader van verdachte werd geslagen en geschopt door aangever en [getuige 2] . Aangevoerd is dat bij de beelden duidelijk te horen is dat “ [naam] , [naam] ” werd geroepen, gevolgd door een gil of schreeuw. Verdachte hoorde dit, rende naar buiten en zag naar eigen zeggen dat zijn vader werd belaagd en naar de grond werd gewerkt door in elk geval aangever en [getuige 2] . Verdachte liep op aangever af en stak hem in zijn rug.

Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een beroep op noodweer vereist dat de feitelijke toedracht, zoals door verdachte naar voren gebracht, voldoende aannemelijk is geworden.

De rechtbank volgt wat betreft de feitelijke toedracht de verklaring van aangever. Deze toedracht wordt door de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ondersteund. Hieruit volgt dat de vader van verdachte met een loopkruk in zijn handen op aangever, [getuige 2] en [getuige 3] af kwam lopen en slaande bewegingen maakte met die kruk. Aangever heeft met de twee anderen de kruk afgepakt, waarbij aangever de vader van verdachte heeft geschopt. Door deze schop is de vader van verdachte ten val gekomen. Daarna is hij opgestaan en zijn eigen woning in gegaan, waarna hij weer naar buiten kwam met twee grote messen. Op dat moment was er buiten allemaal geschreeuw. De vader van verdachte kwam zwaaiend met de messen op aangever en de anderen af, waardoor zij naar achteren deinsden. Op dat moment voelde aangever een stomp op zijn rug. Dit was het moment waarop verdachte hem in de rug stak. De rechtbank stelt vast dat het achteruit deinzen door aangever en de anderen op de beelden te zien is. Dit vindt plaats vlak nadat op de beelden te horen is dat “ [naam] , [naam] ” wordt geroepen, gevolgd door een gil of schreeuw. De rechtbank stelt, gelet op de verklaring van aangever in combinatie met de beelden, vast dat op het moment dat verdachte met een mes naar buiten kwam, het niet zo kan zijn geweest dat hij zag dat zijn vader werd belaagd en naar de grond werd gewerkt door aangever en [getuige 2] . Dit moment ging hier namelijk al aan vooraf. Op het moment dat verdachte naar buiten kwam, was zijn vader al opgestaan, terug naar binnen gegaan in zijn woning en stond hij vervolgens buiten met twee messen te zwaaien. Aannemelijk is dat naar vader geroepen werd “ [naam] , [naam] ” in de zin van: pas op, niet doen [naam] . Het door verdachte geschetste scenario is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk geworden, zodat aan verdachte geen beroep op noodweer toekomt. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake geweest van een noodweersituatie en heeft verdachte bovendien ook niet de tijd genomen om te zien of hier überhaupt sprake van was. Hij heeft meteen gehandeld.

Gezien de feiten en omstandigheden als hiervoor omschreven, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding zodat het beroep op noodweer wordt verworpen. Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer kan zich niet de situatie voordoen dat verdachte te ver is gegaan in die verdediging en kan ook het beroep op noodweerexces niet slagen.

Ook voor het overige zijn er geen feiten of omstandigheden gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op, waarvoor verdachte strafbaar is.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en alle door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, met daarnaast een werkstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door aangever met een mes in de rug te steken. Dit is een zeer ernstig feit dat heeft geleid tot ernstig letsel bij aangever, waaronder een klaplong. Het geweld vond op straat plaats, waarbij veel personen, ook buurtgenoten, aanwezig waren. Dit soort geweld roept in de samenleving gevoelens van onveiligheid en angst op. Natuurlijk met name bij de slachtoffers, maar ook bij getuigen van dit geweld. Voor aangever in het bijzonder geldt dat hij veel pijn heeft gehad, in het ziekenhuis behandeld moest worden en - zoals blijkt uit de vordering tot schadevergoeding die hij heeft ingediend - wordt geconfronteerd met ontsierende littekens op zijn lichaam. Ook heeft het steekincident psychische gevolgen voor hem gehad. Aangever dacht dat hij doodging en heeft zich langere tijd onveilig gevoeld.

De rechtbank slaat acht op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.

Ook houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsrapport van 25 maart 2026 dat over verdachte is opgemaakt. Hieruit komt naar voren dat er diverse delictgerelateerde leefgebieden zichtbaar zijn, zoals huisvesting bij de plaats delict, geen dagbesteding en overlastgevende vrijetijdsbesteding. Ook het psychosociaal functioneren, waaronder agressiebeheersing en een gebrekkig probleemoplossend vermogen, en de houding van verdachte, met een gebrek aan zelfinzicht, normoverschrijdend gedrag en een delictverleden, worden als delictgerelateerd gezien. Daarnaast zijn er schulden en wat zorgen over de vader-zoonrelatie binnen een als berucht omschreven familie. Verdachte is tot zeer recent zeven jaar werkloos geweest door een lakse houding ten aanzien van het vinden van regulier werk. Hij richt zich vooral op een cursus tot DJ, onbetaald modellenwerk en de zorg voor zijn zieke moeder. Sinds 7 maart 2026 heeft verdachte een baan. Hij zit in zijn proeftijd. Hoewel verdachte zich coöperatief opstelt binnen het schorsingstoezicht, is hij geen voorstander van hulpverlening of strafoplegging. Als hem een toezicht wordt opgelegd, dan is hij wel bereid eraan deel te nemen. Gezien de problematiek op de genoemde leefgebieden wordt een toezicht bij een veroordeling noodzakelijk geacht. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. De rechtbank merkt hierbij op dat verdachte tijdens het gesprek met de reclassering in maart 2026 nog ontkende dat hij de aangever heeft gestoken. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met aangever en een inspanningsverplichting tot het vinden en behouden van dagbesteding.

De rechtbank overweegt dat een poging tot doodslag naar zijn aard een misdrijf is dat in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur rechtvaardigt. Dat het geweld zich heeft afgespeeld binnen een burenruzie waarbij ook het gedrag van aangever en zijn vrienden heeft bijgedragen aan het escaleren van de situatie, maakt dit niet anders. Verdachte heeft tot op de zitting steeds ontkend aangever te hebben gestoken en heeft ook op de zitting maar beperkt verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Er kan dan ook niet worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een werkstraf. Wel ziet de rechtbank reden om de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen, vooral gelet op de rol die aangever en zijn vrienden hebben gehad in de agressieve sfeer die toch was ontstaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die het opleggen van voorwaarden nodig maken.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel alle door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden.

Gelet op de straf die aan verdachte wordt opgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

7. Het beslag

De verbeurdverklaring

Het in beslag genomen voorwerp wordt verbeurd verklaard. Het voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat het voorwerp geschikt is om soortgelijke feiten als het bewezen verklaarde feit te begaan. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij afstand doet van het inbeslaggenomen mes.

8. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 10.070,00 voor het bewezen verklaarde feit, bestaande uit € 70,00 aan materiële schade (daggeldvergoeding ziekenhuis) en € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De in eerste instantie gevorderde kostenpost betreffende het eigen risico van de zorgverzekering is ter zitting ingetrokken.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 2.570,00, waarvan € 70,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade.

Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan.

Voor het gevorderde bedrag aan immateriële schade is namens de benadeelde partij aansluiting gezocht bij hoofdstuk 4, categorie d (minder ernstig borstletsel), van de Rotterdamse Schaal. De rechtbank acht echter sprake van een situatie als bedoeld in hoofdstuk 4, categorie f, namelijk ‘minst ernstig borstletsel’: gebeurtenissen die leiden tot klaplongen, waarvan de benadeelde volledig en zonder complicaties herstelt, maar waarbij het herstel langer dan zes maanden vergt. Nu echter geen sprake is van herstel dat langer dan zes maanden vergt, komt het schadebedrag volgens de rechtbank net onder deze categorie.

Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 15 juni 2024, tot aan de dag der voldoening.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2024 tot aan de dag der voldoening. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

9. De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 13 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van

1 maart 2024 onder parketnummer 02-330105-23 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

10. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Langendijk 34 in Breda , nadat hij telefonisch (088-8041505) een afspraak heeft gemaakt;

2. dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat onderzoeken, een intake laat afnemen en laat behandelen door Ambulant Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing/cognitieve vaardigheden en/of andere problematiek;

3. dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met aangever, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;

4. dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag;

5. dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt en

6. dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Beslag

- verklaart verbeurd het volgende voorwerp: een mes, PL2000-2024150358-G2737398;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 2.570,00, waarvan € 70,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde] , € 2.570,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 1 maart 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-330105-23 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 13 dagen gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.M. Collombon, voorzitter,

en mr. M.E.I. Beudeker en mr. P.K.J. van der Wal, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven-van de Riet, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 april 2026.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 15 juni 2024 te [plaats] , althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde]

opzettelijk van het leven te beroven,

voornoemde [benadeelde] met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp in de rug heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 juni 2024 te [plaats] , althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

voornoemde [benadeelde] met een mes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp in de rug heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?