ECLI:NL:RBZWB:2026:3076

ECLI:NL:RBZWB:2026:3076

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 02-276489-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling, eenvoudige mishandeling, niet voldoen aan een vordering tot bloedafname en belediging van een ambtenaar in functie. Geen noodweer. Oplegging van 2 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en daarnaast een taakstraf van 180 uur.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-276489-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 16 april 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

,

raadsvrouw mr. Y.H.M. van Mierlo, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

1) zware mishandeling van [benadeelde 1] door hem tegen het gezicht te slaan waarbij hij ten val is gekomen en hem tegen het lichaam te schoppen, subsidiair ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair ten laste gelegd als een eenvoudige mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg;2) mishandeling van [benadeelde 2] door hem tegen het gezicht te slaan;3) het niet voldoen aan een ambtelijk bevel door geen gevolg te geven aan het bevel mee te werken aan het afnemen van bloed en4) belediging van een ambtenaar in functie door haar kankerhoer te noemen.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair en de feiten 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Er is geen sprake geweest van zwaar lichamelijk letsel en ook niet van opzet hierop bij verdachte. Het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen, maar verdachte moet partieel worden vrijgesproken van het bestanddeel ‘terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had’.

Daarnaast wordt verzocht verdachte vrij te spreken van feit 2, aangezien sprake is van een noodweersituatie op grond van artikel 41, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht. Ook kan niet bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 3 en 4, waarvoor dus vrijspraak moet volgen.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Gelet op de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 18 oktober 2025 aangever een zeer forse klap tegen het gezicht heeft gegeven, waardoor aangever met zijn hoofd tegen de muur en daarna bewusteloos op de grond is gevallen. Terwijl aangever bewusteloos op de grond lag, heeft verdachte hem tweemaal tegen het lichaam geschopt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich hier niets van kan herinneren, maar achteraf op de beelden heeft gezien dat hij aangever inderdaad tegen het gezicht heeft geslagen en heeft geschopt toen die op de grond lag.

De vraag die aan de rechtbank voorligt is, of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als zware mishandeling, een poging daartoe of als eenvoudige mishandeling.

Daarbij is tevens van belang of verdachte ook het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om aangever (zwaar) lichamelijk letsel toe te brengen.

Zware mishandeling?

De rechtbank stelt voorop dat, buiten de gevallen genoemd in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht, lichamelijk letsel als zwaar kan worden beschouwd wanneer dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

Uit het dossier volgt dat aangever als gevolg van het geweld een gebroken kaak heeft opgelopen. Voor de gebroken kaak is aangever onder behandeling geweest van de kaakchirurg. Aangever heeft gedurende zes weken geen hard voedsel mogen eten. Hierna is de kaak goed hersteld. Aangever is daarnaast twee maanden onder fysiotherapeutische behandeling geweest voor nekklachten, verband houdend met de gebroken kaak. Door de fysiotherapeutische behandeling zijn de nekklachten grotendeels hersteld, waardoor deze behandelingen zijn gestopt. Verder heeft aangever door de klap op zijn hoofd tot op heden last van verminderde reuk en smaak. Dit begint langzaam weer terug te komen.

De rechtbank stelt vast dat het herstel van de gebroken kaak en van de overige klachten relatief snel is verlopen. Ook heeft geen operatief ingrijpen hoeven plaatsvinden. Dat er sprake is van een blijvend letsel in de vorm van een vermindering van reuk en smaak valt op dit moment niet vast te stellen. Hoewel het letsel van aangever zeker als ernstig is aan te merken, haalt het in juridische zin de hoge eisen die worden gesteld aan het begrip zwaar lichamelijk letsel niet. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de primair ten laste gelegde zware mishandeling.

Poging tot zware mishandeling?

Op grond van de inhoud van het dossier gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte geen vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld, of verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig, indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Enkele wetenschap van die kans volstaat niet. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Het moet daarbij gaan om de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte uit het niets een dusdanig harde klap tegen het hoofd van aangever heeft gegeven, die overigens met zijn handen in zijn zakken stond, dat aangever achterovergeslagen werd, met zijn hoofd tegen de muur kwam, knock-out ging en op de grond viel. De klap wordt ook omschreven als een ‘suckerpunch’, buiten alle proporties. De rechtbank is van oordeel dat door zodanig hard te slaan tegen een kwetsbaar onderdeel als het hoofd, de kans aanmerkelijk is te achten dat er zwaar lichamelijk letsel optreedt. Die kans was bovendien nog groter doordat het slachtoffer dichtbij een muur stond, waar hij ook met zijn hoofd tegenaan gekomen is. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Dat verdachte de kans op ernstig letsel heeft aanvaard, blijkt bovendien uit de twee harde schoppen die hij vervolgens nog tegen het lichaam van aangever heeft gegeven toen deze al bewegingsloos op de grond lag. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling daarom wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Gelet op de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 18 oktober 2025 aangever meerdere malen tegen het gezicht heeft geslagen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich hier niets van kan herinneren, maar het op de beelden wel heeft gezien.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door aangever. Aangever rende achter verdachte aan, terwijl verdachte wegrende. Hij had zich namelijk aan het gevecht (rechtbank: feit 1) onttrokken. Uiteindelijk haalde aangever verdachte in en draaide verdachte zich om, om zichzelf te beschermen. Tegen die achtergrond heeft verdachte uitgehaald naar aangever, waarna een opstoot is ontstaan. Hierna is verdachte weer verder gerend. Deze uithalen waren naar de lezing van verdachte een verdediging die proportioneel en subsidiair was om te ontkomen aan de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever.

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank stelt vast dat op de beelden inderdaad te zien is dat aangever achter verdachte aanrende. Dat daarmee sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door aangever, waartegen verdachte zich moest verdedigen, is echter op geen enkele manier gebleken. Aangever rende, na getuige te zijn geweest van hetgeen nu onder feit 1 is ten laste gelegd, achter verdachte aan. Beiden waren al in snelheid geminderd en aangever maakte geen aanstalten om verdachte aan te vallen. Juist verdachte haalde uit het niets uit naar aangever. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie en was er geen enkele reden of rechtvaardiging voor verdachte om aangever meerdere malen tegen het gezicht te slaan.

Feit 3

Gelet op het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van verdachte ter zitting, dat hij niet aan het gevorderde bloedonderzoek heeft meegewerkt nadat hij op de gevolgen daarvan is gewezen, komt de rechtbank tot bewezenverklaring van hetgeen onder feit 3 ten laste is gelegd.

Feit 4

De rechtbank heeft geen reden om aan het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen te twijfelen, dat het verdachte is die de belediging heeft uitgesproken. Zij komt dan ook tot bewezenverklaring van de onder feit 4 ten laste gelegde belediging van een ambtenaar in functie.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. subsidiair

op 18 oktober 2025 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [benadeelde 1] tegen het gezicht heeft geslagen, waarbij die ten val is gekomen en tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 18 oktober 2025 te Breda [benadeelde 2] heeft mishandeld door die [benadeelde 2] meermalen tegen het gezicht te slaan;

3.

op 18 oktober 2025 te Breda opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55e Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten, [ambtenaar 1] , belast met het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar van hem had gevorderd mee te werken aan het afnemen van bloed, hieraan geen gevolg te geven;

4.

op 18 oktober 2025 te Breda opzettelijk een ambtenaar, te weten [ambtenaar 2] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door haar de woorden toe te voegen: “kankerhoer’.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, deelnemen aan de gedragsinterventie agressiebeheersing en meewerken aan middelencontrole. Daarnaast vordert zij een taakstraf van 180 uur op te leggen, te vervangen door 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest naar rato van 2 uur per dag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstig geweld. Hij heeft (feit 1) aangever [benadeelde 1] zonder enige aanleiding met flinke kracht tegen het gezicht geslagen, waardoor aangever direct bewusteloos op de grond viel. Terwijl aangever bewegingsloos op de grond lag, heeft verdachte ook nog tweemaal hard tegen zijn lichaam geschopt. Aangever heeft daardoor onder andere een gebroken kaak opgelopen. Verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Uit de toelichting bij de vordering van de benadeelde partij blijkt dat het feit ook mentaal een flinke impact op aangever heeft gehad. Nadat verdachte bij aangever [benadeelde 1] wegliep, kwam hij aangever [benadeelde 2] tegen (feit 2). Ook hij heeft van verdachte meerdere klappen tegen het gezicht gekregen.

Strafverzwarend weegt mee dat er sprake was van middelengebruik bij verdachte. Uit een blaastest bleek dat sprake was van 680 ug/l alcohol en de afgenomen speekseltest bleek positief op het gebruik van cocaïne.

Het door verdachte gepleegde geweld heeft plaatsgevonden in het openbare uitgaansleven, hetgeen ook in het algemeen leidt tot gevoelens van onveiligheid bij het uitgaand publiek dat daarvan ongewild getuige heeft moeten zijn.

De rechtbank rekent verdachte het door hem gepleegde zinloze geweld aan, maar ook het feit dat hij er weinig verantwoordelijkheid voor heeft willen nemen.

Na zijn aanhouding heeft verdachte zich vervolgens ook misdragen tegenover de politie. Nadat van hem werd gevorderd mee te werken aan een bloedonderzoek, heeft verdachte dit geweigerd en ook heeft hij een politieagente beledigd. Verbalisanten moeten, in het belang van de openbare orde en de veiligheid, kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijk strafbaar gedrag, waaruit bovendien veel minachting spreekt.

De rechtbank slaat acht op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder een strafbeschikking heeft gekregen voor rijden onder invloed. Ook in de onderhavige zaak speelt middelengebruik bij verdachte een rol. Verdachte brengt zich zelf in deze situaties, door ervoor te kiezen om alcohol en/of drugs te gebruiken.

Ook houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsrapport van 13 november 2025 dat over verdachte is opgemaakt. Hieruit blijkt dat middelengebruik een delictgerelateerde factor is. Verdachte heeft ook diverse beschermende factoren, namelijk huisvesting, het volgen van een studie, het hebben van een bijbaan en een steunend contact met zijn ouders. Tot op heden is er nooit sprake geweest van een hulpverleningstraject. Verdachte ziet daar ook de noodzaak niet van in. Er zijn geen signalen voor beperkte cognitieve vaardigheden. Verdachte krijgt, zonder een onderliggende diagnose, van zijn huisarts medicatie voor ADHD-klachten. De kans op recidive wordt ingeschat op laag tot gemiddeld. Geadviseerd wordt om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Er zijn te weinig aanknopingspunten om het jeugdstrafrecht nog toe te passen. Ook wordt geadviseerd om aan verdachte als bijzondere voorwaarden op te leggen een meldplicht bij de reclassering, deelnemen aan de gedragsinterventie agressiebeheersing en meewerken aan middelencontrole.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen.

Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten voor straftoemeting ontwikkeld, met als doel het bevorderen van een consistent straftoemetingsbeleid. Het oriëntatiepunt voor zware mishandeling is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Hoewel de officier van justitie het onder feit 1 primair tenlastegelegde bewezen acht en de rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, acht zij de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. Dit vooral gelet op de ernst van de gepleegde feiten. De rechtbank legt aan verdachte op een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op van 180 uur met aftrek van voorarrest naar rato van twee uur per dag.

7. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 4.470,65 voor feit 1, bestaande uit € 1.020,65 aan materiële schade en € 3.450,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 4.135,65, waarvan € 685,65 aan materiële schade en € 3.450,00 aan immateriële schade.

Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Wat betreft het gevorderde bedrag van € 385,00 voor het eigen risico van 2026 is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan. Daarom maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid en stelt zij de in verband met dit feit gemaakte kosten aan eigen risico in 2026 vast op een bedrag van € 50,00.

Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 18 oktober 2025.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 184, 266, 267, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling;

feit 2: eenvoudige mishandeling;

feit 3: opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten en

feit 4: eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat verdachte zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij reclassering Novadic-Kentron op het adres Korte Raamstraat 3, 4818 CJ Breda. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

2. dat verdachte actief deelneemt aan de gedragsinterventie alcohol en geweld of een andere gedragsinterventie die gericht is op agressiebeheersing. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

3. dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

4. dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

5. dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uur;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag;

Benadeelde partij

T.a.v. feit 1

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 4.135,65, waarvan € 685,65 aan materiële schade en € 3.450,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde 1] , € 4.135,65 te betalen, waarvan € 685,65 aan materiële schade en € 3.450,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 41 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.K.J. van der Wal, voorzitter,

en mr. M.E.I. Beudeker en mr. M.H.M. Collombon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven-van de Riet, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 april 2026.

Mr. Collombon is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te Breda,

aan een ander, te weten [benadeelde 1]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en/of

nekklachten en/of verminderde reuk en smaak, heeft toegebracht,

door die [benadeelde 1] tegen het gezicht te slaan waarbij die [benadeelde 1] ten

val is gekomen

en/of die [benadeelde 1] tegen het lichaam te schoppen;

(art 302 lid 1

Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te Breda,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een ander, te weten [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

toe te brengen

die [benadeelde 1] tegen het gezicht te hebben geslagen, waarbij hij ten val is

gekomen en/of tegen het lichaam te hebben geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te Breda

[benadeelde 1] heeft mishandeld, door die [benadeelde 1] tegen het gezicht te

slaan waarbij die [benadeelde 1] ten val is gekomen

en/of die [benadeelde 1] tegen het lichaam te schoppen,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak

en/of nekklachten en/of verminderde reuk en smaak, ten gevolge had;

(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te Breda

[benadeelde 2] heeft mishandeld, door die [benadeelde 2] meermalen, althans

eenmaal, tegen het gezicht te slaan;

(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te Breda

opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens

enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55e Wetboek van

Strafvordering,

gedaan door een ambtenaar, te weten, [ambtenaar 1] , belast met de

uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard

tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten,

door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem

had gevorderd mee te werken aan het afnemen van bloed, hieraan geen

gevolg te geven;

(art 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te Breda

opzettelijk een ambtenaar, te weten [ambtenaar 2] , gedurende of ter

zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening,

in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd,

door haar de woorden toe te voegen: “kankerhoer’, althans woorden van

gelijke beledigende aard en/of strekking.

(art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 267 lid 1 ahf/sub 2° Wetboek van Strafrecht)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?