RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-148202-24
vonnis van de meervoudige kamer van 17 april 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsman mr. B. P .J.H. van de Luijtgaarden, advocaat te Roosendaal
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Tevens is de vordering van de benadeelde partij van [benadeelde] aan de orde.
2. De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij [benadeelde] heeft geprobeerd te doden, dan wel zwaar heeft mishandeld of heeft mishandeld, door hem met een tafelpoot op het hoofd te slaan.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [benadeelde] (verder: [benadeelde] ) te doden door drie keer met kracht met een tafelpoot op het hoofd van [benadeelde] te slaan. Hij gaat daarbij uit van voorwaardelijk opzet van verdachte op de dood van [benadeelde] .
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging doodslag en subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling. Verdachte ontkent met de tafelpoot op het hoofd van [benadeelde] te hebben geslagen en op de camerabeelden is dit moment ook niet te zien. Daarbij komt dat er andere mogelijkheden zijn waardoor het hoofdletsel van [benadeelde] kan zijn ontstaan, zoals een eerdere harde klap van een ander en een door een ander gegooide barkruk die tegen het hoofd van [benadeelde] kan zijn gekomen. Ondanks dat verdachte met de tafelpoot tegen het lichaam van [benadeelde] heeft geslagen, bepleit de verdediging ook vrijspraak van de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling. Er was immers sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen en andermans lichaam, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Dat heeft hij met het slaan met de tafelpoot tegen het lichaam van [benadeelde] op een proportionele manier gedaan.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bewijsoverwegingen
Primair: poging doodslag
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 8 april 2023 voor [café] in Roosendaal naar [benadeelde] loopt met in zijn rechterhand een tafelvoet met vier poten in de vorm van een +. Tijdens het lopen naar [benadeelde] valt deze (om een andere reden) op de grond. Verdachte komt bij [benadeelde] aan als deze weer van de grond op wil staan. Verdachte heeft inmiddels twee handen om een poot van de tafelvoet en slaat met de tafelvoet van boven zijn rechterschouder naar beneden naar [benadeelde] , die weer op de grond valt, waarna verdachte met de tafelvoet nog twee keer met kracht in de richting van [benadeelde] slaat. Daarna loopt verdachte weg en [benadeelde] staat op, waarbij hij meteen zijn rechterhand op de rechterkant van zijn hoofd legt. De plek die [benadeelde] bedekt sluit aan bij de plek van de daarna in het ziekenhuis bij hem vastgestelde open schedelfractuur rechts frontaal. Na het verwijderen van botfragmenten blijft er een cirkelvormig botdefect (rechtbank: gat) over van ongeveer een halve centimeter.
Op de beelden is niet te zien of en waar verdachte [benadeelde] raak slaat. Verdachte zelf heeft bij de politie en op zitting verklaard dat hij niet naar het hoofd van [benadeelde] heeft geslagen, maar naar zijn lichaam. Naar het oordeel van de rechtbank kan het echter niet anders dan dat de open schedelfractuur van [benadeelde] is veroorzaakt doordat het uiteinde van een de poten van de door verdachte gebruikte tafelvoet met kracht op het hoofd van [benadeelde] terecht is gekomen. Dat volgt uit de hierboven beschreven volgorde van handelingen van verdachte en [benadeelde] en ook uit de plaats, aard en vorm van het letsel. Die plaats, aard en vorm passen niet bij het door de verdediging genoemde alternatief van een eerdere hard klap (zonder slagwapen) en ook niet bij het alternatief van een kort voor het slaan door verdachte (door een ander dan verdachte) gegooide barkruk. Ook bij nadere bestudering in raadkamer van de beelden van het betreffende gooien met een barkruk is dat niet alsnog aannemelijk geworden dat het letsel van [benadeelde] daardoor is ontstaan.
Gelet op wat hiervoor is overwogen en gezien de wijze van tenlastelegging kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte één keer met een tafelpoot met kracht op het hoofd van [benadeelde] heeft geslagen. Nu maar één slagverwonding is aangetroffen op het hoofd van [benadeelde] concludeert de rechtbank dat de andere twee slagen niet het hoofd van [benadeelde] hebben geraakt. Dat verdachte drie keer heeft geslagen is wel van belang voor de beantwoording van de vraag of verdachte bij het slaan de opzet had om [benadeelde] te doden.
Uit het dossier en de behandeling op zitting is niet gebleken dat verdachte de bedoeling had om [benadeelde] te doden: het zogenaamde vol opzet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde] zou overlijden. Van een aanmerkelijke kans op de dood is sprake als het een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid is dat [benadeelde] zou overlijden door het slaan op het hoofd van [benadeelde] door verdachte. In het dossier ontbreken (objectieve) gegevens over het materiaal en het gewicht van de tafelvoet en bijbehorende poten. Het is echter een feit van algemene bekendheid dat zo’n tafelvoet met poten een behoorlijk gewicht heeft om te zorgen dat de tafel niet snel zal kantelen en/of omvallen. Door met dit slagvoorwerp met kracht op het van nature kwetsbare hoofd te slaan op de plek waar [benadeelde] is geraakt, was er een aanmerkelijke kans op de dood van [benadeelde] . Verdachte heeft letterlijk een stukje van het schedeldak van [benadeelde] ingeslagen.
Vervolgens geldt dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Dat geldt voor verdachte die met twee handen het slagwapen vasthield en vervolgens drie keer van boven naar beneden met kracht naar [benadeelde] heeft geslagen, waarvan één keer op zijn hoofd. Het zogenaamde voorwaardelijk opzet van verdachte op de dood van [benadeelde] kan daarom bewezen worden.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
primair
op 8 april 2023 te Roosendaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, eenmaal met kracht op het hoofd van [benadeelde] heeft geslagen met een tafelpoot, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid van het feit en van verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is de groep van [benadeelde] begonnen met geweld. [benadeelde] maakte deel uit van een groep die uit was op geweld. Gelet op het buitensporige gedrag van [benadeelde] en zijn groep was verdachte was gerechtigd om met geweld te hulp te komen bij de schermutseling van zijn vrienden met [benadeelde] en zijn vrienden. Verdachte heeft er echter voor gekozen met een metalen tafelpoot meermalen met kracht op het hoofd van [benadeelde] te slaan. Die gekozen wijze van verdedigen stond niet in verhouding tot de aard en ernst van de aanranding. Daardoor is niet voldaan aan het proportionaliteitsvereiste in het kader van noodweer. Er was wel sprake van noodweerexces. De gebeurtenis was dermate heftig dat het begrijpelijk is dat dit een hevige gemoedsbeweging bij verdachte teweeg heeft gebracht van waaruit hij heeft gehandeld. Daarom moet verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
Noodweer(exces)
Om te beoordelen of verdachte een beroep op noodweer(exces) toekomt, stelt de rechtbank eerst de volgende relevante feiten en omstandigheden vast op basis van het dossier en de behandeling op zitting, met name de afgespeelde camerabeelden. Daarbij heeft de identificatie van [benadeelde] en zijn twee broers en zijn hierna te noemen “vriend” plaatsgevonden op basis van de aangifte van [benadeelde] in combinatie met de verklaring van [getuige] en de camerabeelden.
[benadeelde] en zijn twee broers en een vriend zijn op 8 april 2023 uit [café] in Roosendaal gezet na een incident in het café. Zij blijven voor het café hangen en zijn aan het wachten op degene met wie binnen een incident zou zijn geweest. Als die persoon (hierna: [persoon] ) naar buiten komt, met achter zich een aantal vrienden onder wie verdachte, wordt [persoon] vastgepakt bij een arm door de vriend van [benadeelde] . [persoon] legt (de-escalerend) een hand op een schouder van de vriend van [benadeelde] , maar de vriend blijft [persoon] vasthouden. [persoon] beweegt naar achteren, maar de vriend van [benadeelde] dringt verder op en ook [benadeelde] zoekt de confrontatie. Het is met name [benadeelde] die [persoon] naar zich toetrekt. Verdachte probeert ruimte te maken door niet agressief tussen beide te komen. Vervolgens pakt de vriend van [benadeelde] het haar van [persoon] vast en trekt [persoon] naar zichzelf en onder andere [benadeelde] toe. Verdachte trekt [persoon] naar achteren, maar [benadeelde] en in ieder geval zijn vriend dringen naar voren. Verdachte probeert ruimte te creëren, maar wordt vervolgens door [benadeelde] hard met een vuist tegen het gezicht geslagen, waarna ook een broer van [benadeelde] met volle kracht een vuistslag in het gezicht van verdachte geeft. Verdachte wordt kort daarna door de vriend van [benadeelde] in een nekklem genomen en door de andere broer van [benadeelde] met de vuist geslagen. Daarna plegen [benadeelde] en zijn broers het nodige geweld tegen diverse personen. Daarbij geeft [benadeelde] [persoon] een vliegende trap van voren en twee harde vuistslagen van boven naar beneden tegen de zijkant van het hoofd van [persoon] om vervolgens het hoofd (aan de bovenkleding van [persoon] ) naar beneden te houden en [persoon] een knie richting het gezicht te geven. [benadeelde] en zijn broers en vriend hebben alle ruimte om weg te gaan, maar zoeken steeds weer de confrontatie waarbij zij geweld gebruiken, met name ook [benadeelde] die onder andere een hoge trap geeft tegen het hoofd van iemand. Dat gebeurt heel kort nadat de voorovergebogen staande verdachte uit de nekklem van de inmiddels op een stoel zittende vriend van [benadeelde] is bevrijd door een portier en een derde, waarbij de zittende vriend van [benadeelde] verdachte nog natrapt. Verdachte is door de nekklem bijna het bewustzijn verloren en loopt aangeslagen weg, maar ziet wel het nog steeds opdringen vanuit [benadeelde] en zijn groepje. Vrijwel meteen nadat verdachte is bevrijd uit de nekklem staat de vriend van [benadeelde] op en pakt een terrastafel die hij met kracht naar [persoon] gooit, die op dat moment afstand heeft genomen van het gedeelte voor [café] waar tot dan toe het geweld heeft plaatsgevonden. [persoon] staat ter hoogte van de voorkant van een overdekt buitenterras aan de linkerkant van het geweldsgebied voor [café] . [persoon] kan de tafel ontwijken, waarna de terrastafel op de grond valt en de voet met vier poten los ligt. Op het moment van gooien loopt verdachte net achter [persoon] langs. Een broer van [benadeelde] deelt nog een vuistslag uit aan een persoon die nog bij de uitgang van [café] staat. Verdachte staat dan voor het overdekt buitenterras aan de linkerkant van het geweldsgebied. [benadeelde] en zijn broers gaan nog steeds niet weg, maar blijven aan de buitenrand van het eerdere geweldsgebied voor het café staan in lijn met de voorkant van het overkapte terras waar verdachte staat en kijken richting het café en een aantal personen die daar nog staan. Verdachte loopt vervolgens naar de losliggende tafelvoet, buigt voorover en pakt die tafelvoet. Als hij zich opricht, gaat [benadeelde] in het zichtveld van verdachte weer tot een aanval over door een gesprongen voorwaartse trap tegen een persoon. De onmiddellijke nabijheid van een van de portiers heeft geen de-escalerend effect op [benadeelde] . Door zijn eigen trap valt [benadeelde] , terwijl een van zijn broers een gesprongen voorwaartse trap tegen dezelfde persoon uitvoert, eveneens in de nabijheid van de portier. Dan arriveert verdachte bij [benadeelde] en slaat drie keer met de tafelvoet naar [benadeelde] . Die is dan net bezig om op te staan, om na de eerste slag weer naar de grond te vallen. Een andere broer van [benadeelde] loopt daarna nog naar voren om de al twee keer getrapte persoon aan te vallen. Het tijdsverloop vanaf het vastpakken van [persoon] door de vriend van [benadeelde] tot en met het drie keer slaan met de tafelvoet door verdachte is 1 minuut en 24 seconden.
Gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er kort voor het slaan met de tafelvoet door verdachte sprake was een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [benadeelde] van een anders lijf. Maar er was ook sprake van een aansluitende dreigende verdere onmiddellijke, wederrechtelijke aanranding van andermans lijf door [benadeelde] . Gelet op de intensiteit van al het voorafgaande geweld van [benadeelde] (en zijn broers en vriend) zou het enkel door eigen toedoen op de grond vallen [benadeelde] geen aanleiding hebben gegeven te stoppen met geweld en te vertrekken. Gezien de noodweersituatie mocht verdachte de andere persoon/personen verdedigen tegen (dreigend) geweld door [benadeelde] . Daarvoor was het potentieel dodelijk slaan met een tafelvoet tegen het hoofd van [benadeelde] echter een te ver gaand middel. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank echter van oordeel dat het overschrijden van de grens van de noodzakelijk verdediging door verdachte het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging van de aangeslagen verdachte veroorzaakt door het geweld van [benadeelde] en zijn broers en vriend. Zij stonden buiten [café] te wachten om geweld te gaan plegen tegen [persoon] en gingen vervolgens niet alleen los tegen [persoon] , maar ook tegen anderen. Daarbij was verdachte het eerste slachtoffer van daadwerkelijk geweld, nota bene gepleegd door [benadeelde] . Verdachte komt daarom een geslaagd beroep op noodweerexces toe, waardoor hij niet strafbaar is en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Nu het beroep op noodweer niet slaagt en er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten, levert dit het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
6. De benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 32.663,52 bestaande uit een bedrag van € 23.663,52 wegens materiële schade en € 9.000,- wegens immateriële schade. Verdachte zal echter worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. De beslissing
Benadeelde partij
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Primair: Poging tot doodslag;
- verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. de Brouwer, voorzitter, mr. G.M.J. Kok en mr. L.E. van Oploo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 april 2026.
Beide rechters zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage 1
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat
hij op of omstreeks 8 april 2023 te Roosendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, deze meermalen, althans eenmaal, met kracht op/tegen het hoofd heeft geslagen met een (metalen) tafelpoot, atlhans enig hard voorwerp, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 april 2023 te Roosendaal aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelfractuur, heeft toegebracht door die [benadeelde] meermaals, althans eenmaal, met kracht te slaan op/tegen zijn hoofd met een (metalen) tafelpoot, althans enig hard voorwerp;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 april 2023 te Roosendaal [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] meermaals, althans eenmaal, met kracht te slaan op/tegen zijn hoofd met een (metalen) tafelpoot, althans enig hard voorwerp, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelfractuur ten gevolge heeft gehad;( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht )