Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02.023822.25
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 april 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] ,
raadsvrouw mr. N. Assouiki, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 03 april 2026, waarbij de officier van justitie mr.mr. R. in 't Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 30 december 2024 brand heeft gesticht bij een bedrijfspand in [plaats] waardoor gemeen gevaar voor goederen was te duchten.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 30 december 2024 brand heeft gesticht bij een bedrijfspand aan de [adres 2] . Een deel van het pand was afgeschermd met platen en piepschuim. Verdachte heeft het piepschuim aangestoken om dit weg te branden. Hij heeft geen opzet gehad op het gevolg van de brand, hetgeen ook geen wettelijk vereiste is, maar wel op het in brand steken van het piepschuim.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Op 30 december 2024 is verdachte samen met drie andere jongens naar het verlaten gebouw aan de [adres 2] gegaan. Verdachte en zijn vrienden wilden daar naar binnen gaan.
Het is nooit de bedoeling van verdachte geweest om een fikkie te stoken of brand te stichten. Verdachte heeft geen opzet gehad op brandstichting. Hij heeft de brand nooit gewild, hij heeft dit niet voorzien, hij wist niet dat dit zou gebeuren en hij heeft ook niet bewust aangestuurd op de situatie waarin de brand zou ontstaan. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat verdachte zich willens en wetens blootstelt aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden. Verdachte had geen wetenschap van de aanmerkelijke kans dat zijn handelen de brand zou veroorzaken.
Primair verzoekt de verdediging verdachte vrij te spreken van de aan hem ten laste gelegde brandstichting. Subsidiair verzoekt de verdediging om alle aangevoerde aspecten en omstandigheden als strafverlichtende omstandigheden mee te willen wegen in het kader van het namens verdachte te voeren strafmaatverweer.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte samen met drie andere jongens op 30 december 2024 aanwezig was bij het verlaten bedrijfspand aan de [adres 2] . Daar aangekomen wilden zij naar binnen gaan, maar dat ging niet omdat de ramen en deuren waren bedekt met houten platen en piepschuim. Verdachte heeft eerst geprobeerd om het piepschuim te verwijderen met zijn handen. Aangezien dat niet gemakkelijk ging, heeft hij geprobeerd het piepschuim weg te branden met een gasbrander, waarna brand is ontstaan. Verdachte heeft naar eigen zeggen nog wel geprobeerd het vuur te doven door hier een baksteen tegenaan te gooien, maar dat is niet gelukt. Verdachte en zijn vrienden zijn vervolgens vertrokken terwijl het piepschuim nog in brand stond, zonder alarm te slaan.
Opzet brandstichting
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring het opzet van verdachte slechts gericht hoeft te zijn op de brandstichting en niet ook op het teweegbrengen van de gevolgen daarvan. Van belang is of het gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest.
De rechtbank oordeelt op basis van de bewijsmiddelen dat verdachte “vol” opzet op de brandstichting heeft gehad. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij met zijn gasbrander het piepschuim heeft aangestoken om dit weg te branden.
Gemeen gevaar voor goederen
Dat verdachte niet de bedoeling had op het laten ontstaan van brand in het leegstaande bedrijfspand, is niet relevant voor de bewezenverklaring van opzettelijk brandstichten. Het moet gaan om objectief gevaar ten tijd van de brandstichting zelf en niet hoe verdachte het gevaar (subjectief) heeft ingeschat. De rechtbank is van oordeel dat naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest dat het aansteken van het piepschuim tegen een houten plaat waarmee het bedrijfspand is dichtgetimmerd gemeen gevaar voor goederen, te weten het bedrijfspand, opleverde. Uit de beschrijving van de camerabeelden van het moment van de brand blijkt dat omstreeks 22.03 een lichtflits is te zien, welke lichtflits steeds groter werd en ook is te zien dat er jongeren wegrennen. Daarnaast hebben de andere jongens verklaard dat het begon met een klein vlammetje en het vuur steeds groter dan wel heftiger werd. Het is naar algemene ervaringsregels voorzienbaar geweest dat het aansteken van piepschuim waarmee een gebouw is afgesloten kan leiden tot een verdergaande brand.
De rechtbank acht dan ook de ten laste gelegde brandstichting wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 30 december 2024 te [plaats], opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur middels een gasbrander in aanraking te brengen met piepschuim,terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, een bedrijfspand, te weten een [bedrijf] (gelegen aan de [adres 2] ), te duchten was.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 180 uur, waarvan 80 uur voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging bij het bepalen van de straf rekening te houden met het feit dat verdachte een first offender is, hij al 3 dagen in voorarrest heeft verbleven en zich al veertien maanden houdt aan de schorsingsvoorwaarden. Tevens verzoekt de verdediging rekening te houden met het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) waaruit blijkt dat het algemeen recidiverisico laag is en verzoekt het strafadvies van de Raad, te weten een werkstraf, te volgen.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting. Verdachte heeft met de door hem meegenomen gasbrander het aan het bedrijfspand aangebrachte piepschuim in brand gestoken. Eerst was er een kleine vlam, maar het vuur werd steeds groter. Verdachte en de andere jongens zijn toen vertrokken zonder de hulpdiensten in te schakelen. Uiteindelijk is het hele bedrijfspand afgebrand. Het is niet de bedoeling geweest van verdachte dat het bedrijfspand zou afbranden, maar dat is wel het nare gevolg geweest. Dat de kans bestond dat het bedrijfspand in brand zou vliegen door het in brand steken van het piepschuim, was te bedenken voor iedereen.
Naast de forse geschatte materiële schade heeft de brand ook voor onrust en gevoelens van onveiligheid gezorgd voor de maatschappij. Een brand is oncontroleerbaar en de gevolgen ervan zijn daarom ook onvoorspelbaar. Brandstichting is dan ook een zeer ernstig en gevaarlijk feit. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij de brandstichting heeft gepleegd en dat hij onvoldoende stil heeft gestaan bij de impact en de gevolgen hiervan voor anderen.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft gezien dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op de rapportages van de Raad en de mondelinge toelichting daarop ter zitting. De Raad stelt dat het niet de intentie van verdachte is geweest om een brand te stichten met dergelijk grote consequenties. Na zijn aanhouding heeft verdachte drie dagen in voorarrest verbleven en is geschorst met een lijst aan schorsingsvoorwaarden. De brandstichting dateert inmiddels van meer dan een jaar gelegen en in de tussentijd is verdachte niet gerecidiveerd. Verdachte stelt zich al ruim een jaar meewerkend op richting de jeugdreclassering. Om die reden vindt de Raad jeugdreclassering niet langer geïndiceerd. De Raad weegt hierin mee dat de jeugdreclassering zelf ook aangeeft dat begeleiding vanuit hen niet langer nodig is. Al enige tijd loopt er een coachingstraject vanuit [organisatie] en verdachte werkt hieraan mee en heeft hier baat bij. Deze hulpverlening kan in het vrijwillige kader worden voortgezet. De Raad adviseert verdachte een taakstraf op te leggen in de vorm van een werkstraf. Ter zitting heeft de Raad het advies gehandhaafd.
Namens de jeugdreclassering is ter zitting naar voren gebracht dat zij sinds de aanhouding van verdachte betrokken zijn. In het begin was er wekelijks contact tussen verdachte en de jeugdreclassering, maar sinds de coach van [organisatie] is betrokken, vindt er nog maar maandelijks contact plaats. Hoewel de jeugdreclassering pas tijdens de zitting ervan op de hoogte is geraakt dat de proceshouding van verdachte inmiddels is gewijzigd van ontkennende verdachte naar bekennende verdachte, maakt dit niet dat de jeugdreclassering een voortzetting van de begeleiding nodig vindt. De begeleiding van verdachte door de coach van [organisatie] zal in het vrijwillige kader worden voortgezet.
De straf
De rechtbank neemt bij de strafoplegging als uitgangspunt de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor minderjarigen voor een brandstichting. Hoewel de omvang van de brand nooit de bedoeling van verdachte is geweest, houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met de ernst van het feit en de ontstane onrust in de maatschappij. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Dit leidt ertoe dat er geen (verdere) strafverzwaring voor recidive aan de orde is. Ten slotte weegt de rechtbank mee dat is gebleken dat verdachte een positieve ontwikkeling doormaakt. Het recidiverisico wordt ingeschat op laag.
Gelet op voornoemde omstandigheden, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van verdachte. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een (onvoorwaardelijke) werkstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte door het verrichten van de werkstraf de directe gevolgen ondervindt van zijn strafbare gedragingen. Een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld een proeftijd met algemene en bijzondere voorwaarden vindt de rechtbank niet gepast. Verdachte bekent inmiddels het feit te hebben gepleegd en wil verantwoordelijkheid nemen voor zijn daden. Nu het recidiverisico wordt ingeschat als laag, vindt de rechtbank het gewenst dat verdachte deze verantwoordelijkheid kan nemen door het verrichten van de werkstraf en vervolgens deze zaak ook voor zichzelf kan afsluiten en zijn positieve ontwikkeling voort kan zetten.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n en 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 60 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.S. van Bree, voorzitter,
en mr. R. Combee en mr. I.M.L. Felix, rechters,
in tegenwoordigheid van I.H.E. van Diepen, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 april 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.