2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit hun relatie is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [plaats 2] , hierna te noemen:
[minderjarige] .
De vrouw heeft het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij vonnis in kort geding van 22 oktober 2024 zijn partijen verwezen naar het Uniform Hulpaanbod en is een voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] vastgelegd.
Bij beschikking van 31 januari 2025 van de voorzieningenrechter (C/02/429572 / FA RK 24-5758) is, uitvoerbaar bij voorraad en bij wege van provisionele voorziening, bepaald dat, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar twee keer per week begeleid door de Gezinsmanager gedurende 4 weken, waarna de Gezinsmanager na deze 8 begeleide omgangsmomenten met partijen de omgang zal evalueren en zal worden besproken of de omgang onbegeleid kan worden voortgezet.
Bij tussenbeschikking van 11 juli 2025 in de hoofdzaak heeft de rechtbank aan de man, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, toestemming verleend om [minderjarige] te erkennen.
De man heeft [minderjarige] op 6 november 2025 erkend.
3. De verzoeken
De man verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de eerder getroffen voorlopige voorziening, zoals uitgesproken bij beschikking d.d. 31 januari 2025 onder kenmerk C/02/429572/FA RK 24-5758 te wijzigen, en te bepalen dat de man en de minderjarige [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot omgang volgens het volgende opbouwende schema:
- Er vindt gedurende vier weken een onbegeleide omgangsregeling plaats op woensdag en donderdags van 12.30 uur tot 15.00 uur, waarbij van tevoren een locatie in [plaats 2] wordt afgesproken c.q. medegedeeld waarbij de omgang zal plaatsvinden. De vrouw brengt [minderjarige] en haalt [minderjarige] op.
- Na vier weken vindt een uitbreiding plaats, waarbij [minderjarige] bij de man thuis komt en overnacht. De vrouw brengt [minderjarige] op vrijdag om 11.00 uur naar de man toe. De man zal [minderjarige] op zaterdag om 17.00 uur terugbrengen bij de vrouw.
- Na vier weken vindt een volgende uitbreiding plaats, waarbij een voorlopige vaste regeling wordt vastgesteld, inhoudende dat:
o De man omgang heeft met [minderjarige] één weekend in de veertien dagen vanaf donderdag 11.00 uur t/m zondag 17.00 uur. De vrouw brengt [minderjarige] naar de man. De man brengt [minderjarige] terug naar de vrouw.
o Daarnaast heeft de man omgang met [minderjarige] op de donderdag na het omgangsweekend, en dan op donderdag van 11.00 uur tot 17.00 uur. De vrouw brengt [minderjarige] naar de man. De man brengt [minderjarige] terug naar de
vrouw.
- In de vakantieperiode en gedurende de feestdagen loopt de voorlopige regeling door, in afwachting van het nog op te starten hulpverleningstraject.
althans een voorlopige omgangsregeling zoals de voorzieningenrechter van Uw Rechtbank in goede justitie juist acht;
2. dit alles op straffe van een dwangsom van € 500,- per contactmoment waaraan de vrouw niet volgens de vast te stellen voorlopige omgangsregeling meewerkt, met een maximum van € 20.000,-.
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt deze af te wijzen.
4. De beoordeling
De standpunten
Door en namens de man is, samengevat, het volgende aangevoerd.
Partijen zijn in september 2024 door de voorzieningenrechter in kort geding verwezen naar het Uniform Hulpaanbod (UHA). In januari 2025 heeft de voorzieningenrechter bij provisionele voorziening bepaald dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar twee keer per week begeleid door de Gezinsmanager gedurende 4 weken, waarna de Gezinsmanager na deze 8 begeleide omgangsmomenten met partijen de omgang zal evalueren en zal worden besproken of de omgang onbegeleid kan worden voortgezet. De bedoeling was, zo blijkt ook uit de beschikking van 11 juli 2025 in de bodemprocedure, dat met behulp van de hulpverlening, toegewerkt zou worden naar onbegeleide omgang. Uit de verslagen van de [hulpverlening] en het UHA blijkt dat de begeleiding van de omgang tussen de man en [minderjarige] in de afgelopen periode is afgebouwd. De begeleider was alleen nog aanwezig tijdens de overdrachtsmomenten, maar ook dit zou de komende periode worden afgebouwd. Ondanks positieve verslagen vanuit de hulpverlening werkt de vrouw niet mee aan onbegeleide omgang. Zij heeft het vertrouwen in De [hulpverlening] inmiddels om voor de man onbekende redenen opgezegd. Omdat de vrouw nergens aan wil meewerken, heeft de man een spoedeisend belang bij zijn verzoeken. De man heeft [minderjarige] inmiddels al zeven weken niet meer gezien en weet niet hoe het met haar gaat. Dit baart hem grote zorgen. Nu er rapportages liggen vanuit de hulpverlening dat onbegeleide omgang de volgende stap is, werkt de vrouw niet mee. De [hulpverlening] is inmiddels is gestopt en er is nog geen nieuwe zorgaanbieder gestart, dus is er sprake van gewijzigde omstandigheden. De man stelt voor de huidige regeling voort te zetten zonder begeleiding. De Gezinsmanager kan dit faciliteren. Er is geen reden om te wachten met onbegeleide omgang. Uit de verslaglegging vanuit het UHA blijkt dat de inzet van een nieuwe zorgaanbieder alleen nodig is voor de communicatie tussen partijen en het opstellen van een ouderschapsplan, niet voor het opnieuw begeleiden van de omgang. Er zijn geen contra-indicaties voor uitbreiding van de omgang en om [minderjarige] bij de man thuis te ontvangen. De zorgen die de vrouw over de situatie van de man heeft zijn nooit objectief vastgesteld. De woning van de man is geschikt en ook de persoonlijke omstandigheden van de man zijn nog steeds gelijk. De vrouw heeft een visie op de situatie van de man op basis van het verleden. Daarover kunnen partijen in gesprek, maar dit staat los van het contact tussen de man en [minderjarige] .
Door en namens de vrouw is, samengevat, naar voren gebracht dat het klopt dat het traject bij De [hulpverlening] is beëindigd, maar dat dit traject niet succesvol is afgesloten. Er is sprake geweest van een lang, maar vermoeiend traject waarin uiteindelijk geen vooruitgang meer zat. De vrouw heeft zich niet kunnen vinden in de eindrapportage zoals die door De [hulpverlening] is verzonden. Er is een positief verslag opgeleverd, terwijl de doelen niet zijn behaald. Er zijn bepaalde zaken niet in het verslag benoemd, die wel naar de vrouw toe zijn gecommuniceerd. Waarschijnlijk moest De [hulpverlening] afronden om financiële redenen. Ook de gemeente heeft aangegeven dat het niet klopt en heeft aangegeven dat er zal worden verlengd. Dat de gemeente heeft aangegeven dat het rapport wordt teruggetrokken en dat zal worden verlengd, gebeurt niet zomaar. Daarmee is er geen einde aan het traject kunnen komen. Partijen zijn op dit moment niet in staat om overeenstemming te vinden over onbegeleide omgang. Dat de man [minderjarige] nu zeven weken niet heeft gezien, is niet wat de vrouw wil. Zij wil echter begeleid contact en staat niet achter onbegeleide contactmomenten tussen de man en [minderjarige] . Er is niets gebeurd waardoor het vertrouwen tussen partijen is toegenomen. De verstandhouding tussen partijen is eigenlijk verslechterd in plaats van verbeterd ten opzichte van vorig jaar. Er is in de oudercommunicatie nog onvoldoende ingezet op gezamenlijkheid, waardoor partijen hierin nog specifieke ouderschapsbemiddeling nodig hebben. Partijen hebben inmiddels allebei toestemming geven voor een vervolgtraject bij [traject] (arrangement laagcomplexe jeugdhulp 2026). Dit traject zal op korte termijn starten, omdat er geen wachtlijsten zijn. [traject] doet alleen de omgangsbegeleiding; voor de oudercommunicatie zal er een andere organisatie worden ingezet. De vrouw begrijpt niet waarom de man nu in het kader van deze ontwikkelingen een nieuwe provisionele voorziening vraagt. Voor de vrouw is het frustrerend dat de man enerzijds zijn volledige medewerking geeft aan voornoemd traject, maar anderzijds probeert te forceren dat er onbegeleide omgang komt. Dit brengt opnieuw veel spanningen tussen partijen met zich mee. Voor onbegeleide omgang is er bij de vrouw op dit moment geen draagvlak. Terughoudendheid is op dit moment op zijn plaats. De uitkomsten van de hulpverlening dienen te worden afgewacht. Voorkomen moet worden dat er vooruitlopend op de bodemprocedure onomkeerbare beslissingen worden genomen, zeker omdat de hulpverlening nog loopt. Tegen die achtergrond begrijpt de vrouw ook niet dat de Raad ter zitting heeft geadviseerd om te starten met onbegeleide omgang.
Met [minderjarige] gaat het op dit moment goed. De vrouw merkte aan [minderjarige] dat de bezoeken aan haar vader impact op haar hadden. In de avonden na de bezoekmomenten was [minderjarige] heel aanhankelijk. Ook had ze ’s nachts nachtmerries. De overdrachtmomenten liepen ook niet goed. [minderjarige] is nu rustiger.
Het advies van de Raad
De Raad heeft ter zitting aangegeven dat er zo snel mogelijk weer contact moet komen tussen [minderjarige] en haar vader en wel onbegeleid. Alleen wanneer sprake is van hoge veiligheidsrisico’s dient er sprake te zijn van begeleide contacten, maar die risico’s ziet de Raad hier niet. Er is geen indicatie om aan te nemen dat de man onbegeleid contact niet vorm kan geven. Bij zijn advies moet de Raad zich baseren op dat wat in het verslagen van de hulpverlening is opgeschreven. Door de vrouw worden verwijten gemaakt aan het adres van de man, maar dat deze kloppen leest de Raad niet terug in de verslaglegging. De Raad kan niet volgen dat er inmiddels ongeveer tachtig omgangsmomenten tussen [minderjarige] en haar vader hebben plaatsgevonden en dat er nog steeds geen onbegeleid contact is. Uit het verslag van De [hulpverlening] blijkt dat er een punt is bereikt waarop is gezegd dat de omgang onbegeleid kan plaatsvinden. Dat dit niet mogelijk zou zijn, zoals door de vrouw is aangegeven, is volgens de Raad niet terug te lezen in de verslaglegging. Alleen dat de ouders niet tot overeenstemming kunnen komen. De Raad kan zich goed voorstellen dat [minderjarige] de spanning van de vrouw voelt en daarop reageert.
De Raad vindt het verder een gemiste kans dat in de afgelopen periode niet is ingezet op ouderschapsbemiddeling. Juist deze ouders zijn gebaat bij de ondersteuning van een neutrale derde. Daarnaast vindt de Raad het kwalijk dat de vrouw in de afgelopen periode niet heeft willen meewerken aan een tussenoplossing. Dan had de omgang tussen de man en [minderjarige] nog een aantal keren door kunnen gaan. Dat [minderjarige] haar vader nu al zeven weken niet meer heeft gezien is heel schadelijk, zeker omdat [minderjarige] haar vader al langere tijd daarvoor met regelmaat zag. De Raad adviseert een opbouwende omgangsregeling vast te leggen waarbij de eerste vier weken sprake is van onbegeleid contact van half één tot half 3, vervolgens gedurende een dagdeel en daarna pas met een overnachting erbij. Uiteindelijk kan dan de regeling worden vastgelegd zoals door de man is verzocht.
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 223 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
In de wet is niet bepaald dat een eenmaal getroffen voorziening door de rechter gewijzigd of ingetrokken kan worden. In de literatuur wordt echter aangenomen dat het desondanks wel mogelijk is om een incidentele vordering tot wijziging van een eerder getroffen voorziening ex art. 223 ( [link] ) Rv in te dienen. ( [naam] Burgerlijke Rechtsvordering, art. 223 Rv, aant. 5.) Bij de beoordeling van een vordering tot wijziging (of intrekking) van een eerder getroffen voorziening moet in beginsel worden uitgegaan van de gegeven voorlopige voorziening en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. Wie wijziging (of intrekking) vordert dient feiten en omstandigheden aan zijn vordering ten grondslag te leggen die bij de eerder gegeven voorlopige voorziening niet in aanmerking konden worden genomen – doordat zij zich eerst na het geven van die voorziening hebben voorgedaan – en die kunnen rechtvaardigen dat die voorziening wordt gewijzigd. (Vgl. in dit verband HR 30 mei 2008, LJN BC5012, NJ 2008/311).
Ontvankelijkheid;
Vast staat dat sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de uitspraak van 31 januari 2025 van de voorzieningenrechter waarin bij provisionele voorziening een voorlopige, opbouwende omgangsregeling tussen [minderjarige] en haar vader is vastgesteld. Gebleken is dat het traject dat in de afgelopen periode bij De [hulpverlening] heeft plaatsgevonden is gestopt en dat [minderjarige] haar vader inmiddels zeven weken niet meer heeft gezien. Daarmee is het (spoedeisend) belang van de man bij zijn verzoeken ook gegeven. De man is ontvankelijk in zijn verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling
De voorzieningenrechter vindt zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om op de verzoeken van de man te beslissen. Uit de overgelegde stukken en dat wat is besproken ter zitting is gebleken dat er in de afgelopen periode ruim tachtig omgangsmomenten tussen [minderjarige] en haar vader hebben plaatsgevonden. Uit de verslaglegging van De [hulpverlening] blijkt dat deze contacten goed zijn verlopen, dat de begeleiding bij die contacten is afgebouwd en dat de volgende stap onbegeleid contact dient te zijn. Door de vrouw is echter aangegeven dat de rapportage van De [hulpverlening] niet deugt en dat de gemeente dit ook zou hebben bevestigd, met als gevolg dat de gemeente zou hebben besloten om te gaan verlengen. Duidelijkheid over de situatie is van belang voor de beslissing die de voorzieningenrechter moet nemen Daarom zal de voorzieningenrechter de zaak voor de duur van twee maanden aanhouden, tot 19 mei 2026 pro forma, om partijen in de gelegenheid te stellen om bij de gemeente nadere informatie op te vragen. Partijen worden verzocht om bij de gemeente een schriftelijke rapportage op te vragen waarin onderbouwd wordt aangegeven wat er precies is gebeurd in het traject bij de [hulpverlening] en bij de totstandkoming van de rapportage van De [hulpverlening] en hoe de gemeente zelf tegen dit alles aankijkt. De voorzieningenrechter wil van de gemeente weten of het klopt dat er bij De [hulpverlening] sprake was van een probleem of niet. Daarnaast wil de voorzieningenrechter van de gemeente horen wat op dit moment de stand van zaken is met betrekking tot de huidige hulpverlening en of die hulpverlening vindt dat onbegeleide omgang tussen [minderjarige] en haar vader al kan plaatsvinden of dat deze contacten nog steeds begeleid moeten zijn.
Bij de overlegging van deze informatie worden partijen tevens in de gelegenheid gesteld om, gegeven die nadere informatie, hun nadere standpunt kenbaar te maken.
De voorzieningenrechter is met de Raad van oordeel dat, in afwachting van de nadere berichtgeving vanuit de gemeente, er zo snel mogelijk weer omgangscontacten tussen [minderjarige] en haar vader dienen plaats te vinden. Totdat de voorzieningenrechter meer informatie vanuit de gemeente heeft ontvangen en hij eventueel anders beslist, zullen deze contacten nog begeleid zijn. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat partijen dit, zoals zij ter zitting hebben toegezegd, voorlopig in onderling overleg zullen regelen. Het staat partijen daarbij vrij om in onderling overleg deze contacten verder uit te breiden.
De voorzieningenrechter zal iedere beslissing aanhouden.
5. De beslissing
De rechtbank
houdt de zaak, om redenen zoals vermeld in r.o. 4.8 van deze beschikking, aan tot 19 mei 2026 pro forma, met het verzoek aan partijen om alsdan de rapportage van gemeente over te leggen en daarbij tevens hun nadere standpunt te geven;
houdt iedere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, in tegenwoordigheid van mr. Lavrijssen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.