Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-081705-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 april 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 08 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. J. Verschuren en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
zich schuldig heeft gemaakt aan aanranding van [aangeefster] . De aanranding is primair ten laste gelegd in de opzetvariant en subsidiair als schuldaanranding.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding. De officier van justitie acht de aangifte van [aangeefster] betrouwbaar en stelt dat het dossier voldoende steunbewijs bevat.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Het dossier bevat voor het gros van de ten laste gelegde handelingen onvoldoende steunbewijs. Enkel het krassen op de rug kan bewezen worden, maar dit levert geen strafbare gedraging op omdat een seksuele intentie ontbreekt. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de aanranding wel kan worden bewezen, stelt de verdediging zich subsidiair op het standpunt dat verdachte niet wist, althans geen ernstige redenen had om te vermoeden, dat bij [aangeefster] de wil ontbrak.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststelling feiten
Op 26 augustus 2024 was [aangeefster] in de woning van verdachte. Niet ter discussie staat dat [aangeefster] op enig moment op de bank lag en dat verdachte bij haar op de bank zat of lag. Ook staat vast dat verdachte [aangeefster] heeft aangeraakt. De verklaringen over de aard van de aanrakingen lopen uiteen.
Verklaring [aangeefster]:
Volgens aangeefster hebben de handtastelijkheden van verdachte op twee momenten plaatsgevonden. Verdachte trok haar omhoog toen ze aan de tafel koffie zaten te drinken. Verdachte gaf haar een knuffel waarbij hun lichamen elkaar raakten. Vervolgens heeft verdachte aangeefster meegenomen naar de bank en is zij hierop gaan zitten. Verdachte is naast haar gaan zitten en trok haar naar zich toe, waardoor zij bovenop hem kwam te liggen. Na enige tijd ging verdachte weg om croissants te halen. Toen verdachte terugkwam, lag aangeefster nog op de bank en is verdachte opnieuw bij haar op de bank gaan liggen en heeft hij zijn arm om haar heen geslagen. Met zijn hand heeft hij de zij, billen en borst van aangeefster aangeraakt. Eerst op de kleding en daarna ook eronder. Verdachte heeft met zijn vingers over de rug van aangeefster gewreven en hierbij krassen veroorzaakt. Daarna heeft verdachte aangeefster in haar nek gekust. Ook heeft verdachte met zijn geslachtsdeel tegen het lichaam van aangeefster aangewreven. De handelingen zijn gestopt doordat aangeefster tegen verdachte heeft gezegd dat zij naar huis wilde.
Verklaring verdachte:
Verdachte heeft verklaard dat hij [aangeefster] heeft beetgepakt, vastgehouden en een kus heeft gegeven. Hij heeft haar aangeraakt aan de armen, rug en nek, maar dit was om haar wakker te maken, op te beuren, te troosten of actief te maken, maar niet met een seksuele bedoeling. De billen van aangeefster kan hij per ongeluk hebben aangeraakt, maar hij heeft daar niet in geknepen en ook niet in haar borsten. De krassen op haar rug kunnen zijn ontstaan doordat hij over haar rug heeft gewreven, eerst boven haar kleding en toen de kleding omhoog schoof ook op haar blote rug. Verdachte ontkent [aangeefster] op seksuele wijze te hebben betast.
Betrouwbaarheid en steunbewijs verklaring aangeefster
Aangeefster heeft op 9 september 2024 aangifte gedaan van aanranding. Haar verklaring is gedetailleerd en consistent. Kort na het treffen tussen aangeefster en verdachte heeft aangeefster haar vriend, [getuige] , verteld wat er is gebeurd. Op dat moment was aangeefster zichtbaar emotioneel en overstuur. Hetgeen aangeefster tegen [getuige] heeft verteld over het gebeuren komt overeen met de verklaring die zij later bij de politie heeft afgelegd.
Dat aangeefster door verdachte is aangeraakt en dat zij op enig moment samen op de bank waren, wordt allereerst ondersteund door de verklaring van verdachte. Ook komt haar verklaring overeen met objectieve vaststellingen uit het dossier. Uit de foto’s in het dossier blijkt immers dat aangeefster na het incident daadwerkelijk flinke krassen op haar rug had. Daarnaast heeft aangeefster verklaard direct na het gebeuren haar vriend, [getuige] , te hebben bericht. Dit komt overeen met de berichten die in de telefoon van de getuige zijn aangetroffen. Daarnaast verklaren zowel aangeefster als verdachte eenduidig over de chronologie van de gebeurtenissen en komen details uit hun verklaringen overeen (zoals het op slot draaien van deur). Ook heeft er na het gebeuren een telefoongesprek plaatsgevonden tussen verdachte en [getuige] . De inhoud van dit telefoongesprek geeft steun aan de verklaring van aangeefster. Verdachte zegt in het telefoongesprek dat hij afstand moet houden van aangeefster en dat hij respect heeft voor haar relatie met [getuige] .
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en voldoende wordt ondersteund, waardoor deze kan worden gebruikt voor het bewijs.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte [aangeefster] deels onder en deels over de kleding heen heeft betast op de rug schouders, borsten en billen en dat hij zijn penis tegen het lichaam van [aangeefster] heeft geduwd.
Seksuele intentie
Verdachte heeft verklaard dat de aanrakingen, die hebben plaatsgevonden, geen seksuele handelingen waren. Gelet op de bewezenverklaarde handelingen verwerpt de rechtbank dit verweer. Het ontbreken van een seksuele intentie strookt niet met die handelingen en met de uitspraken die verdachte heeft gedaan in het telefoongesprek met [getuige] .
Opzetaanranding?
De rechtbank is van oordeel dat verdachte deze seksuele handelingen heeft verricht met aangeefster, terwijl hij wist dat bij haar daartoe de wil ontbrak. Uit de verklaring van aangeefster volgt dat zij geen zichtbare gedragingen heeft verricht waaruit bleek dat zij openstond voor seksueel contact met verdachte. Integendeel, zij verklaart in een zogenoemde bevriezingstoestand te zijn geraakt. Er is niet gebleken van enige toenadering van aangeefster in de richting van verdachte. Andersom is verdachte volhardend geweest in zijn handelen en heeft hij aangeefster op meerdere momenten aangeraakt. Verdachte heeft zich er geen moment van vergewist of aangeefster door hem wenste te worden aangeraakt. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte aan de negatieve of passieve opstelling van aangeefster geen boodschap heeft gehad en daar wezenlijk onverschillig tegenover heeft gestaan, zodat sprake is van opzetaanranding. Zeker nu verdachte eerder een gesprek met aangeefster heeft gevoerd waaruit bleek dat zij niet openstond voor aanrakingen van verdachte. Daarnaast was verdachte op de hoogte van de kwetsbaarheid van aangeefster vanwege eerdere negatieve seksuele ervaringen, waardoor van hem extra voorzichtigheid had mogen worden verwacht.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
hij op 26 augustus 2024 te [plaats] , gemeente Oisterwijk, met een persoon, te weten [aangeefster] , seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het op en/of onder de kleding knijpen en/of betasten van de borsten en/of billen van die [aangeefster] en- het zoenen van de nek van die [aangeefster] en- het krabben en wrijven van de rug van die [aangeefster] en- het duwen van zijn, verdachtes, penis tegen het lichaam van die [aangeefster] ,terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaar en daarnaast een taakstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging bij bepaling van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft geen relevante documentatie en de reclassering heeft positief over verdachte gerapporteerd. Verdachte heeft zijn leefgebieden op orde. Ook ondervindt verdachte in het dorp veel nadelige gevolgen door de verdenking.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding door [aangeefster] bij de billen, borsten en rug aan te raken, zowel op als onder de kleding. Tijdens het betasten van de rug heeft verdachte met zijn nagels krassen gemaakt. Daarnaast heeft verdachte [aangeefster] in de nek gekust en zijn geslachtsdeel tegen haar aangeduwd. De rechtbank is van oordeel dat dit een ernstig feit betreft, te meer omdat tussen verdachte en [aangeefster] sprake was van een vertrouwensrelatie. Verdachte wist daarbij dat [aangeefster] een kwetsbaar persoon was door eerdere negatieve seksuele ervaringen waarover zij verdachte had verteld. Verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat [aangeefster] in hem had.
Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [aangeefster] . Hij heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen seksuele behoeften zonder daarbij rekening te houden met [aangeefster] . Dat het gedrag van verdachte gevoelens van angst en onveiligheid bij [aangeefster] heeft veroorzaakt, blijkt uit de door haar voorgelezen slachtofferverklaring op de zitting en de onderbouwing van haar verzoek tot schadevergoeding. [aangeefster] voelde zich na het incident onveilig en was bang om verdachte tegen te komen. Zij ervaart paniekaanvallen. Dit heeft ervoor gezorgd dat zij is gestopt met haar studie en haar baan is verloren.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 19 maart 2026 dat over verdachte is opgemaakt. Verdachte heeft de praktische leefgebieden op orde. Er zijn geen aanwijzingen voor psychische problematiek of (seksuele) agressie. De reclassering acht interventies of een toezicht niet nodig.
De straf
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de geëiste taakstraf passend en geboden is. De rechtbank legt aan verdachte een taakstraf op van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding voor een voorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke misdrijven en het incident dateert van augustus 2024. Daarna hebben zich geen incidenten voorgedaan. Het opleggen van een proeftijd acht de rechtbank daarom niet nodig.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [aangeefster] vordert een immateriële schadevergoeding van
€ 2.000,00.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde immateriële schadevergoeding acht de rechtbank deels toewijsbaar tot een bedrag van € 1.000,00, gelet op de onderbouwing en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij wordt in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Door de benadeelde partij is een voorschot op materiële schade verzocht dat tot op heden is begroot op € 0,00. Nu onderbouwing van deze schadepost ontbreekt verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk.
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 26 augustus 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 241 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: opzetaanranding
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 1.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 augustus 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] , € 1.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 augustus 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Mullers, voorzitter, en mr. M.E.I. Beudeker en mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 april 2026.
De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 26 augustus 2024 te [plaats] , gemeente Oisterwijk, althans in Nederland,met een persoon, te weten [aangeefster]een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het op en/of onder de kleding knijpen en/of betasten van de borsten en/of billen van die [aangeefster] , en/of- het zoenen van de nek van die [aangeefster] , en/of- het krabben en/of wrijven van de rug van die [aangeefster] , en/of- het duwen van zijn, verdachtes, penis tegen het lichaam van die [aangeefster] ,terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak( art 240 Wetboek van Strafrecht, art 241 lid 1 Wetboek van Strafrecht )