ECLI:NL:RBZWB:2026:3261

ECLI:NL:RBZWB:2026:3261

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer 02-029486-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor deelname aan een terroristische organisatie, bezit van harddrugs en voorhanden hebben van een gaspistool en daarbij behorende munitie tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk proeftijd 3 jaar met daarbij bijzondere voorwaarden. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard. Geen aanleiding voor aannemen van verminderde toerekenbaarheid.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-029486-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 april 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag] 2002,

preventief gedetineerd in de PI [locatie] ,

raadsvrouw mr. I. Saey, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. E. Smale en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: in de periode 1 september 2022 tot en met 22 mei 2025 heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie: IS, ISIS en/of ISIL;feit 2: op 22 mei 2025 28 ponypacks met cocaïne voorhanden heeft gehad;feit 3: op 22 mei 2025 een gaspistool en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de doorzoeking van de telefoons rechtmatig en de daaruit verkregen informatie kan dan ook voor het bewijs worden gebruikt.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Verdachte wist dat hij deelnam aan een terroristische organisatie en op welke strafbare feiten de organisatie het oogmerk had. Met zijn gedragingen heeft verdachte die organisatie ondersteund.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het recht op privacy (artikel 8 EVRM) in aanzienlijke mate is geschonden door het onrechtmatig langdurig doorzoeken van de telefoons en het daarbij vertalen van teksten in het Arabisch/Russisch na de eerste aanhouding van verdachte op 27 januari 2025. Omdat er daarmee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv dient dit te leiden tot bewijsuitsluiting van alle via dit bewijsmiddel verkregen resultaten. De latere machtiging tot onderzoek van de telefoons was gebaseerd op de eerder onrechtmatig verkregen resultaten en daarom dient ook het uit die latere machtiging voortvloeiende bewijs te worden uitgesloten. Dit dient direct te leiden tot vrijspraak van feit 1 wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

De verdediging is voorts van mening dat wanneer de inhoud van de telefoons wel voor het bewijs wordt gebruikt, daaruit niet volgt dat verdachte behoorde tot het samenwerkingsverband en het oogmerk van IS heeft ondersteund. Ook dan dient tot vrijspraak gekomen te worden.

Daarbij geldt dat de ambtsberichten niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs, omdat de inhoud daarvan niet wordt ondersteund door de inhoud van het dossier. Indien de rechtbank de ambtsberichten wel voor het bewijs wil gebruiken, wordt een voorwaardelijk verzoek gedaan om het hoofd van de AIVD te horen over de ambtsberichten.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten 2 en 3

Omdat verdachte de feiten 2 en 3 heeft bekend en door de verdediging geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen (bijlage II). Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 2 en 3 heeft begaan.

Feit 1

(On)rechtmatigheid

Op basis van de stukken in het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte op 27 januari 2025 is aangetroffen in een huurauto op een plek waarvan bij de politie bekend is dat daar veel wordt gedeald. De verbalisant verklaart dat hij de dag ervoor hetzelfde voertuig had gecontroleerd waarbij hij al het vermoeden had dat de bestuurder zich bezig hield met de handel in verdovende middelen. Op 27 januari 2025 werd gezien dat verdachte twee telefoons op schoot had liggen, vertelde hij een volgens de politie onlogisch verhaal over zijn aanwezigheid op die plaats en bij de fouillering van verdachte bleek hij 10 ponypacks met daarin cocaïne in zijn jaszak te hebben. Verdachte is daarna aangehouden.

Op basis van de verdenking van handel in- en bezit van harddrugs is door de officier van justitie gevorderd om de gegevens op de twee inbeslaggenomen telefoons te onderzoeken. De rechter-commissaris heeft daarvoor, met inachtneming van de waarborging zoals die volgt uit Landeck-arrest, een machtiging afgegeven voor de periode van zes maanden. De rechtbank stelt vast dat die machtiging niet onbeperkt is geweest en specifiek zag op de verdenking van handel in harddrugs. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat deze machtiging daarmee niet disproportioneel is geweest.

In het kader van het onderzoek naar de handel in harddrugs is de politie gestuit op Arabische en Russische teksten die zij via Google Translate heeft vertaald. De verdediging stelt dat de politie, door de teksten te vertalen, buiten haar machtigingsbevoegdheid is getreden. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De politie was nog bezig met het onderzoek naar de handel in harddrugs en in het kader van adequate opsporing, mag een tekst in een buitenlandse taal die de politie niet begrijpt, vertaald worden. Ook als het daarbij om Arabisch of Russisch gaat. Een ander oordeel zou een effectieve opsporing in de weg staan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een onrechtmatig onderzoek van de gegevens op de telefoons. Het daarin aangetroffen bewijsmateriaal kan dan ook worden gebruikt voor het bewijs. Dat geldt ook voor het bewijsmateriaal dat op basis van de latere machtiging tot onderzoek van gegevens op de telefoons van verdachte is verkregen.

Gebruik ambtsbericht voor het bewijs

Het is vaste rechtspraak dat het gebruik in een strafzaak van een door de AIVD opgesteld ambtsbericht tot het bewijs is toegestaan. De strafrechter moet wel met de nodige behoedzaamheid beoordelen of het materiaal, gelet op de soms beperkte toetsbaarheid, tot het bewijs kan meewerken. Met inachtneming van dit uitgangspunt, gaat de rechtbank ervan uit dat de ambtsberichten van de AIVD in deze zaak als bewijs kunnen worden gebruikt, voor zover er voldoende andere informatie is die daarvoor als steunbewijs kan dienen.

Het Landelijk Parket heeft van de AIVD een ambtsbericht ontvangen, gedateerd 19 mei 2025 waarin staat vermeld dat de AIVD over betrouwbare informatie beschikt over verdachte. Deze informatie houdt onder meer in dat verdachte aanhanger is van het jihadistische gedachtegoed van IS, in oktober 2024 zijn baya aan IS oefende en gezegd heeft dat hij wilde uitreizen om zich in Syrië bij IS aan te sluiten, dat hij sinds oktober 2024 meermaals een aanslagintentie heeft uitgesproken, hij in januari 2025 de prijs voor twee AK-47’s met volle magazijnen heeft ontvangen, in maart 2025 heeft gezegd over een pistool te beschikken en primair gebruik maakt van het [telefoonnummer 1] . Op 24 september 2025 is nog een tweede ambtsbericht naar het Landelijk Parket verstuurd, waarin audiofragmenten van twee telefoongesprekken met het hierboven genoemde telefoonnummer zijn verstrekt.

De rechtbank constateert allereerst dat niet alleen de ambtsberichten hebben geleid tot de verdenking van deelname aan een terroristische organisatie door verdachte, maar dat deze verdenking ook uit het onderzoek naar de al in januari 2025 in beslag genomen telefoons naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de informatie die volgt uit het ambtsbericht van de AIVD van 19 mei 2025 geldt naar het oordeel van de rechtbank dat die op essentiële onderdelen wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Zo blijkt uit het politieonderzoek onder meer dat in de iPhone 11 Pro Max van verdachte berichten aan verdachte zijn aangetroffen inhoudende “2ak47 russisch 3,8k de stuk” en daarna: “Met volle magazijnen”. Ook wordt de informatie uit het ambtsbericht dat verdachte zou hebben gezegd over een pistool te beschikken naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door het feit dat bij een doorzoeking in mei 2025 daadwerkelijk een gaspistool bij verdachte is aangetroffen. Daarnaast heeft verdachte onder meer erkend dat hij het door de AIVD genoemde [telefoonnummer 1] heeft gebruikt, dat hij zeer veel informatie over IS heeft opgezocht, met anderen in chatgroepen over IS heeft gesproken en zichzelf heeft gefilmd terwijl hij strijdliederen zong.

Ten aanzien van de bij het ambtsbericht van 24 september 2025 aangeleverde audiofragmenten geldt dat verdachte, na deze (deels) te hebben beluisterd, heeft verklaard dat hij zijn stem heeft herkend als een van de gespreksdeelnemers aan die telefoongesprekken. Met inachtneming daarvan ziet de rechtbank geen reden om de vertaalde uitwerking van die telefoongesprekken niet voor het bewijs te gebruiken.

Van een omstandigheid dat het resultaat van het onderzoek van de AIVD niet tot het bewijs kan dienen, is de rechtbank dan ook niet gebleken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat beide ambtsberichten tot het bewijs kunnen worden gebruikt.

De rechtbank is van oordeel dat het voorwaardelijk verzoek van de verdediging, om het hoofd van de AIVD als getuige te horen over de ambtsberichten, onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het onderzoek ten behoeve van het horen van de getuige te heropenen.

Deelnemen terroristische organisatie

Volgens vaste jurisprudentie wordt IS (evenals haar voorlopers ISIL en ISIS) gezien als een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr die het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Van deelneming aan een dergelijke organisatie kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Verdachte wist dat IS een organisatie betreft die het oogmerk heeft om terroristische misdrijven te plegen. Verdachte heeft daarover ter terechtzitting verklaard dat IS nog verder gaat dan het zijn van een terroristische organisatie en dat zij in dat kader ook handelingen verricht die daarbij aansluiten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich gedurende een periode van ruim tweeënhalf jaar, waarvan de laatste maanden het meest intensief, heeft bezig gehouden met extremisme en jihadisme. Uit het digitale onderzoek van de gegevensdragers volgt dat verdachte via verschillende social media kanalen deelnam aan chatgroepen waarin allerlei nieuwsberichten, foto’s en video’s van en over IS met gewelddadige en extremistische content werden gedeeld, hij was geabonneerd op de (wekelijkse) nieuwsbrief van IS die hij ook verspreidde en hij hielp anderen bij het zich abonneren op die nieuwsbrief. Hij heeft jihadistische strijdliederen gezongen en zichzelf daarbij gefilmd.

In het door verdachte gevoerde telefoongesprek op 20 december 2024 reageert hij blij op het nieuws van een op die dag gepleegde aanslag op een kerstmarkt waarbij vele doden en gewonden zijn gevallen. Na de vraag van zijn gesprekspartner of er al een reactie of opeising van ‘onze kant’ is gekomen, reageert verdachte ontkennend waaruit valt te concluderen dat de kant waar verdachte en zijn gesprekspartner toe behoren aanslagen pleegt en opeist.

Het handelen van de verdachte past naadloos in de mediastrategie van IS. Daarbij wordt vooropgesteld dat IS niet alleen een fysieke strijd op het slagveld voert maar ook een ideologische oorlog via (sociale) media. In verschillende officiële oproepen van IS wordt media-activisme zelfs gelijkgesteld aan de strijd op het slagveld.

Door voornoemde handelingen te verrichten en via verschillende accounts propaganda van IS te verspreiden, heeft de verdachte aan de oproep van IS om deel te nemen aan de elektronische jihad op een zodanige manier en in een zodanige mate gevolg en vorm gegeven, dat hij niet slechts als sympathisant van IS is aan te merken, maar is gaan behoren tot het samenwerkingsverband van IS. Hij heeft met deze handelingen en het verspreiden van de IS-ideologie ook een bijdrage geleverd aan de terroristische oogmerken van IS. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat de verdachte heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie IS.

De alternatieve verklaring van verdachte dat hij enkel uit nieuwsgierigheid onderzoek heeft verricht naar IS, terwijl hij stoned was en mede daardoor maar weinig heeft gelezen en meegekregen van die informatie, schuift de rechtbank terzijde. Door het actieve en langdurige handelen van verdachte, waaronder het zingen van jihadistische strijdliederen en het deelnemen aan chatgesprekken en chatgroepen waarin pro-IS informatie werd gedeeld en nieuws over aanslagen goedkeurend werd besproken en smeekbedes werden gedaan voor aanslagplegers, ook door verdachte, acht de rechtbank dat ongeloofwaardig.

Naast het instemmend reageren op aanslagen lijkt verdachte ook zelf bereid te zijn geweest om geweld te gebruiken. Verdachte noemt in chatgesprekken nadat is gesproken over een aanslagpleger dat hij hoopt dat hij ook wordt uitgekozen. En in het telefoongesprek op 16 januari 2025 waarin wordt gesproken over dat “zij aanzetten tot iets” zegt verdachte dat hij elke dag dichtbij komt om ‘naar buiten te gaan’, hetgeen opgevat kan worden als dat hij in actie wil komen. In dat licht bezien, is het in zijn telefoon aangetroffen Snapchatgesprek op 21 januari 2025 waarin hij het bericht krijgt met ‘2ak47 russisch 3,8 k de stuk, met volle magazijnen’, zeer waarschijnlijk verwijzend naar Kalasjnikov geweren met volle patroonmagazijnen, zeer onrustbarend. Dat geldt ook voor de bij verdachte in mei 2025 aangetroffen wapens waaronder een gaspistool met munitie en messen, ook al kan uit het dossier niet geconcludeerd worden dat verdachte zelf actief bezig is geweest met (het voorbereiden van) een concrete aanslag.

Voor wat betreft de start van de ten laste gelegde periode overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte vanaf 1 september 2022 via Telegram deelnam aan een chat type Broadcast.

De rechtbank acht feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

in de periode van 1 september 2022 tot en met 22 mei 2025 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), danwel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), welke organisaties tot oogmerk hadden en/of hebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten:

A.

het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk zoals bedoeld in artikel 176a Wetboek van Strafrecht) en

B.

doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a Wetboek van Strafrecht) en

C.

moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289/289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en

D.

de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht) en

E.

het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie);

2

op 22 mei 2025 te Bavel, gemeente Breda, opzettelijk aanwezig heeft gehad 28 ponypacks met cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3

op of omstreeks 22 mei 2025 te Bavel, gemeente Breda, een wapen van categorie III, te weten een gaspistool (merk Umarex, type Colt Government 1911 A1) en bijbehorende munitie van categorie III, te weten 5 knalpatronen (merk Umarex), voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De officier van justitie vordert de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt, gelet op de bepleite vrijspraak, primair geen straf aan verdachte op te leggen. Subsidiair wordt verzocht het ten laste gelegde in licht verminderde mate aan verdachte toe te rekenen en een deels voorwaardelijke straf op te leggen, waarvan de duur van de onvoorwaardelijke straf conform het voorarrest is, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een terroristische organisatie (Islamitische Staat). Verdachte heeft informatie verzameld van en over IS en via zijn social media-accounts ook propaganda van IS en gewelddadig en extremistisch materiaal met anderen gedeeld en verspreid, ook over door IS gepleegde aanslagen. Daarnaast heeft verdachte zich het extremistische gedachtegoed van IS eigen gemaakt, strijdliederen gezongen en zichzelf daarbij gefilmd, deelgenomen aan (video- en chat)gesprekken met andere IS-aanhangers, de baya geoefend en aangegeven te willen uitreizen. Verdachte heeft ook een bereidheid tot geweld en aanslagintentie uitgesproken. Opvallend daarbij is dat bij verdachte meerdere wapens zijn gevonden, waaronder een strafbaar vuurwapen, messen en een stroomstootwapen en dat er in zijn telefoon een Snapchatgesprek over AK47’s is aangetroffen.

Dit betreffen zeer ernstige strafbare feiten, met een groot gevaarzettend karakter. Terrorisme wordt internationaal gezien als één van de ernstigste misdrijven. Het raakt rechtstreeks de openbare orde en de veiligheid en stabiliteit van een samenleving en haar burgers.

Verdachte heeft een actieve rol gespeeld in de verspreiding en verheerlijking van het gewelddadig jihadistisch gedachtegoed met alle eventuele gevolgen van dien.

Ook het voorhanden hebben van een vuurwapen, in de vorm van een gaspistool draagt bij aan de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Daarnaast heeft verdachte 28 ponypacks met cocaïne, een dealerhoeveelheid harddrugs, voorhanden gehad.

De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 6 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het psychologisch onderzoek en forensisch milieuonderzoek van 15 december 2025 en het aanvullend pro justitia rapport van 6 april 2026. Daaruit komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een stoornis in cannabisgebruik, matig, in vroege remissie in een gereguleerde omgeving en van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Deze stoornissen waren ten tijde van het plegen van de strafbare feiten aanwezig. Bij een bewezenverklaring kan worden overwogen om feit 1 in licht verminderde mate aan verdachte toe te rekenen, vanwege de stoornis in het cannabisgebruik. Het dagelijkse gebruik maakte hem afgevlakt, minder geconcentreerd en minder helder, waardoor zijn oordeelsvermogen iets minder adequaat zou kunnen hebben gefunctioneerd. Anderzijds oordeelt de psycholoog dat het niet in overeenstemming is met de bewering van verdachte dat hij op zoek was naar verschillende informatiebronnen om een gefundeerd oordeel over IS te kunnen vormen, wat laat zien dat hij er bewust voor koos om bepaalde bronnen te raadplegen. Op basis daarvan zou verdachte als volledig toerekenbaar kunnen worden beschouwd. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 wordt geadviseerd om deze volledig aan verdachte toe te rekenen. Hoewel het recidiverisico op deelname aan een terroristische organisatie laag wordt ingeschat, ontbreekt de nodige informatie om een volledige risico inschatting te maken. Dit heeft enerzijds te maken met het feit dat er vrijwel geen collaterale informatie beschikbaar was en anderzijds omdat betrokkene een ontkennende verdachte is. Bovendien is betrokkene zich steeds zeer bewust geweest van zijn procespositie en is het de vraag of hetgeen hij heeft aangegeven ook overeenkomt met hoe hij werkelijk tegen zaken aankijkt.

De psycholoog adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met reclasseringstoezicht. Verdachte heeft laten zien dat hij binnen de structuur en regelmaat van detentie een stuk beter is gaan functioneren. Er wordt geen aanleiding gezien om het jeugdstrafrecht toe te passen.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 20 maart 2026. De reclassering ziet een positieve verandering bij verdachte binnen de structuur en regelmaat van detentie. Verdachte lijkt intrinsiek gemotiveerd tot gedragsverandering en stabiliteit. Het risico op het plegen van extremistisch geweld wordt als matig ingeschat. Het risico op algemene recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Het inzetten van gepaste (gedragsveranderende) interventies zal het risico verlagen. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, verblijf in begeleid wonen of in een maatschappelijke opvang, een drugsverbod en meewerken aan een gemeentelijk traject. Ook wordt geadviseerd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De reclassering ziet evenmin aanwijzingen om het jeugdstrafrecht toe te passen.

Strafoplegging

Gezien de ernst van de feiten acht de rechtbank alleen een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

Gelet op de adviezen in de rapportages van het NIFP en de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding tot het toepassen van jeugdstrafrecht. De rechtbank ziet daarnaast, met inachtneming van het advies in de NIFP-rapportages, geen aanleiding om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Dat geldt ook voor het onder feit 1 bewezenverklaarde. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte bewust en veelvuldig gezocht heeft naar extremistische, gewelddadige en van IS afkomstige informatie.

Wel ziet de rechtbank meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, omdat verdachte baat lijkt te hebben bij de structuur en regelmaat die hem binnen detentie wordt geboden. Reclasseringstoezicht kan verdachte helpen bij het maken van pro sociale keuzes.

Daarbij weegt ook mee dat zowel de onderzoekers van het NIFP als de rapporteur van de reclassering hebben ervaren dat verdachte zich steeds zeer bewust is geweest van zijn procespositie en het de vraag is of verdachte daadwerkelijk openheid van zaken heeft gegeven. Ook ter zitting heeft verdachte zijn eigen handelen gebagatelliseerd. Mede vanwege de ontkennende houding van verdachte en het ontbreken van informatie van referenten heeft er geen volledige risico inschatting plaats kunnen vinden.

De rechtbank is van oordeel dat ook daarom een langere proeftijd dan gevorderd, te weten drie jaar, noodzakelijk is om de prille positieve gedragsverandering verder te bestendigen en het recidiverisico te beperken.

Het voorgaande afwegend maakt dat de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en daarbij de geadviseerde bijzondere voorwaarden passend en geboden acht.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De rechtbank zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

7. Het beslag

De verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de drie telefoons, worden verbeurd verklaard. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat het onder 1 bewezen feit met behulp van deze voorwerpen is begaan.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 140a Sr, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van

terroristische misdrijven feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering en zich blijft melden zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich, binnen drie dagen na afloop van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, bij mevrouw [persoon 1]

[telefoonnummer 2] of mevrouw [persoon 2] [telefoonnummer 3] . De meldplicht heeft tot doel verdachte te kunnen begeleiden bij en controleren op de naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden. De reclassering bepaalt welke gespreksonderwerpen van belang zijn om een inschatting te kunnen maken van de recidive- en veiligheidsrisico’s, waarbij de privacy van betrokkene zoveel mogelijk gerespecteerd zal worden. Verdachte zal op een constructieve manier meewerken aan deze gesprekken met de reclassering en openheid van zaken geven over de door de reclassering bepaalde gespreksonderwerpen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

Begeleid wonen of maatschappelijk opvang

* dat verdachte gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, zijn medewerking verleent aan verblijf in een begeleid/beschermd woontraject in een door de reclassering nader te bepalen instelling en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

Drugsverbod

* dat verdachte gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA van de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik, en meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

Meewerken aan gemeentelijk traject

* dat verdachte gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, meewerkt aan en een actieve inspanning verricht voor (een traject) gericht op het verkrijgen en behouden van woonruimte, een legaal inkomen en een structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding. Indien de reclassering dit nodig acht, zal verdachte hierbij samenwerken met de gemeente waarin hij woont of met andere instanties. Verdachte geeft in dit verband toestemming voor uitwisseling van informaties tussen de betrokken instanties en de reclassering;

Van rechtswege geldende voorwaarden

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Dadelijke uitvoerbaarheid

- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:

1. STK GSM: omschrijving: 879430, Apple,1 STK GSM: omschrijving: 879432, Apple,1 STK GSM: omschrijving: 872278, Grijs, merk Apple;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.M. Collombon, voorzitter,

en mr. E.B. Prenger en mr. D.S.G. Froger-Zeeuwen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 april 2026.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1

hij in de periode van 1 september 2022 tot en met 22 mei 2025 te Bavel, gemeente Breda en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), danwel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) en/of heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten:

A.

het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk zoals bedoeld in artikel 176a Wetboek van Strafrecht) en/of

B.

doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a Wetboek van Strafrecht) en/of

C.

moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289/289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D.

de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht) en/of

E.

het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie);

(art 140a lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2

hij op of omstreeks 22 mei 2025 te Bavel, gemeente Breda, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad 28 ponypacks (met) cocaine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )

3

hij op of omstreeks 22 mei 2025 te Bavel, gemeente Breda, althans in Nederland, een wapen van categorie III, te weten een gaspistool (merk Umarex, type Colt Government 1911 A1) en/of (bijbehorende) munitie van categorie III, te weten 5 knalpatronen (merk Umarex), voorhanden heeft gehad

( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?