RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen
Samenvatting
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4744 PW
DIT Bewindvoering B.V. in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. B.G.M. de Ruijter),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout (het college), verweerder.
1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een bijstandsuitkering in de vorm van een lening met ingang van 8 januari 2025. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijstandsuitkering terecht met ingang van 8 januari 2025 heeft toegekend, maar dat deze uitkering ten onrechte in de vorm van een lening is verstrekt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser ontving een bijstandsuitkering van het college. Op 9 januari 2024 is het college een heronderzoek gestart. Daarbij is onder meer geconstateerd dat eiser betrokken is bij een Duitse onderneming.
Op 30 mei 2024 is eiser opgenomen in een kliniek van Novadic Kentron in de gemeente Vught. Het lopende onderzoek is door het college ‘on hold’ gezet. Met een besluit van 21 oktober 2024 is de uitkering van eiser ingetrokken vanaf 20 augustus 2024, omdat hij per die datum een uitkering van de gemeente Vught ontving.
Eiser heeft zich op 8 januari 2025 weer bij het college gemeld voor een bijstandsuitkering. Het college is een onderzoek gestart naar eisers recht op bijstand. Daarbij zijn de constateringen uit het heronderzoek meegenomen. Het college heeft eiser in een brief van 11 februari 2025 gevraagd om uiterlijk 24 februari 2025 diverse gegevens te overleggen, onder meer stukken die zien op de Duitse onderneming.
Eiser heeft geen gegevens overgelegd. Daarop heeft het college eisers aanvraag met een besluit van 27 februari 2025 (het primaire besluit) afgewezen.
Op 12 juni 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. De zaak is aangehouden en eiser is in de gelegenheid gesteld om ontbrekende gegevens te overleggen. De begeleidster en de bewindvoerder van eiser hebben vervolgens diverse stukken overgelegd.
Met een besluit van 4 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het college, conform het advies van de adviescommissie, alsnog een bijstandsuitkering aan eiser toegekend in de vorm van een lening op grond van artikel 48, tweede lid, onder a van de Participatiewet. De uitkering is toegekend met ingang van 8 januari 2025, de datum waarop eiser zich bij het college heeft gemeld.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, en mr. L.H.T. Hagebols namens het college.
Beoordeling door de rechtbank
Standpunt van eiser
3. Eiser heeft aangevoerd dat hij van meet af aan iedere betrokkenheid bij de Duitse onderneming heeft ontkend. Hij heeft op advies van het college bij de politie aangifte gedaan van identiteitsfraude. Ook is geadviseerd om zijn verbintenis met de Duitse onderneming te laten ontbinden, maar hij is niet betrokken bij de onderneming en heeft niet de middelen om een Duitse advocaat in te schakelen. Er is sprake van een patstelling. Verder staat eiser geregistreerd als directeur van Serhat Verwaltungs-GmbH, kennelijk de beheermaatschappij van de werkmaatschappij Serhat GmbH & Co KG. Uit het Duitse handelsregister blijkt dat Serhat GmbH & Co KG bij beslissing van de rechtbank Dortmund op 4 september 2024 failliet is verklaard. Op 14 februari 2024 was het faillissement al aangevraagd, dat is ruim voor eisers aanvraag voor een bijstandsuitkering. Hieruit dient de conclusie te worden getrokken dat eiser niet over financiële middelen beschikt of op korte termijn zal kunnen beschikken. Eiser verzoekt de rechtbank te bepalen dat hij recht heeft op een bijstandsuitkering ‘om niet’ met ingang van de datum waarop de uitkering door de gemeente Vught is beëindigd. Ook stelt hij recht te hebben op een schadevergoeding.
Bijstand in de vorm van een lening
4. Het college heeft artikel 48, tweede lid, onder a, van de Participatiewet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. In dit artikel staat dat bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
5. Het college stelt dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat eiser op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken, omdat hij directeur is van een Duitse onderneming die in 2023 beschikte over een kapitaal van € 25.000. Eiser heeft echter vanaf het moment dat hij door het college geconfronteerd werd met het feit dat hij geregistreerd staat als directeur van de Duitse onderneming consequent verklaard dat hij hier geen weet van had en niet bij de onderneming betrokken is. Ook heeft hij bij de politie aangifte gedaan van identiteitsfraude vanwege die registratie. Niet betwist is dat eiser dakloos is. Op geen enkele wijze is gebleken dat hij voordeel heeft gehad van de Duitse onderneming. Vanwege de sinds 2024 lopende faillissementsprocedure die ziet op de vermeende werkmaatschappij van de onderneming valt dit ook niet te verwachten. Onder deze omstandigheden zijn er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat eiser op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken. Het college was dan ook niet bevoegd om met toepassing van artikel 48, tweede lid, onder a, van de Participatiewet bijstand toe te kennen in de vorm van een lening in plaats van ‘om niet’.
Ingangsdatum van de bijstandsuitkering
6. In artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet staat dat indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
Volgens vaste rechtspraak over de toepassing van artikel 44 van de Participatiewet wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – in voorkomende gevallen – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat er niet tijdig een aanvraag om bijstand is ingediend. Dit kan het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om tijdig een aanvraag om bijstand in te dienen of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie.
Ter zitting heeft eiser gesteld dat bij zijn opname in de kliniek in Vught met het college was afgesproken dat er een warme overdracht zou plaatsvinden, maar dat dit is niet gebeurd. Volgens eiser heeft het college dan ook niet voldaan aan zijn zorgplicht in het traject na zijn ontslag uit de kliniek. Zonder nadere onderbouwing kan dit naar het oordeel van de rechtbank er niet toe leiden dat met ingang van een eerdere datum bijstand zou moeten worden verleend. Voor zover eiser een beroep doet op het vertrouwensbeginsel heeft te gelden dat niet is gebleken van een concrete toezegging waaraan eiser het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat het college een bijstandsuitkering zou verstrekken vanaf de dag dat de uitkering door de gemeente Vught werd beëindigd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dus niet.
Verzoek om schadevergoeding
7. Eiser heeft de schade die hij stelt te hebben geleden door het handelen van het college op geen enkele wijze onderbouwd. Het verzoek om een schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin de bijstand in de vorm van een lening aan eiser is toegekend. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat eiser over de periode van 8 januari 2025 tot 1 oktober 2025 (de bijstandsuitkering is met een later besluit per die datum ingetrokken) recht heeft op een bijstandsuitkering ‘om niet’. Het primaire besluit zal worden herroepen.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. Het college moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 23 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.