ECLI:NL:RBZWB:2026:3270

ECLI:NL:RBZWB:2026:3270

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer BRE 26/1249
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

NTB Jeugdwet

Uitspraak

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.H. Beishuizen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 8 augustus 2025 voor een individuele jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet.

Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.

Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?

3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Het college merkt in het verweerschrift op dat eiser het beroep instelt terwijl niet vaststaat dat eiser als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt. Het college vermeldt daarbij dat de beoordeling van de ontvankelijkheid over wordt gelaten aan de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat [de moeder] , als moeder van de jongere, de aanvraag van 8 augustus 2025 heeft ingediend. In deze beroepsprocedure merkt de rechtbank eiser, als stiefvader van de jongere, aan als belanghebbende bij een besluit op deze aanvraag. Het is aan het college om een besluit te nemen over de aanvraag en de ontvankelijkheid hiervan.

Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiser heeft het college op 6 februari 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.

Welke beslistermijn wordt aan het college opgelegd?

4. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen.

Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.

Het college verzoekt in het verweerschrift om een beslistermijn van vier weken. In het verweerschrift geeft het college aan dat de aanvraag betrekking heeft op een complexe jeugdhulpsituatie, waarbij zorgvuldig onderzoek noodzakelijk is. Hierbij legt het college uit dat de complexiteit onder meer ziet op de situatie van de jeugdige, de overgang van verblijf in een gespecialiseerde jeugdgroep naar terugplaatsing in de thuissituatie, alsmede de ingrijpende gevolgen die deze veranderingen hebben voor alle betrokken gezinsleden. Deze omstandigheden dragen bij aan een verlengde onderzoeksduur.

Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. De rechtbank begrijpt dat bij complexe situaties vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming een langere onderzoeksduur noodzakelijk kan zijn. Maar gezien de inmiddels verstreken tijd (ruim een half jaar sinds de aanvraag, tweeëneenhalve maand sinds de ingebrekestelling en een maand sinds het verweerschrift) ziet de rechtbank geen aanleiding om het college nu nog een langere termijn dan twee weken te geven om alsnog te beslissen op de aanvraag.

Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?

5. Het college verzoekt de rechtbank om geen rechterlijke dwangsom op te leggen, althans deze aanzienlijk te matigen, nu reeds een dwangsom van rechtswege is verbeurd op grond van artikel 4:17 van de Awb. Daarbij wordt aangegeven dat het college zich inspant om zo spoedig mogelijk te beslissen.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. De omstandigheden genoemd door het college ziet de rechtbank niet als aanleiding om een lagere dwangsom op te leggen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het college de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.

Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het college de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van

I. Ambachtsheer, griffier, op 22 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Breeman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand