Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-006074-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 april 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
ingeschreven op het [woonadres] ,
thans gedetineerd in de P.I. te [locatie] ,
raadsvrouw mr. P.D.M. van Oers, advocaat te Roosendaal.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 08 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.A.P. van Hees en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
zich schuldig heeft gemaakt aan een woninginbraak, twee pogingen daartoe, acht auto-inbraken en dertien pogingen daartoe.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht op grond van de stukken in het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten kan komen. Er is volgens de verdediging onvoldoende bewijs dat het verdachte was die deze feiten heeft gepleegd.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten 1 en 2: (pogingen tot) woninginbraak
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er op 26 december 2025 door het openbreken van de voordeur is binnengedrongen in de woning van [aangever 1] aan [adres 1] te [plaats 1] , waarbij onder meer sieraden en een roze Longchamp tas zijn weggenomen. Ook is die dag geprobeerd de voordeur open te breken van de woning van [aangever 2] aan [adres 2] te [plaats 1] . In de tenlastelegging van feit 2 wordt [naam] genoemd, maar de rechtbank, gelet op het adres en wie dan de bewoner is, begrijpt dat dit [aangever 2] betreft, gelet op de inhoud van de aangifte en de bevindingen in het dossier en ziet dit als een kennelijke vergissing.
Op de camerabeelden van de woningen aan [adres 3] en [adres 4] is op 26 december 2025 om 18:51 uur een persoon te zien die op een fatbike voorbij rijdt met een lang zwart voorwerp, gelijkend op een breekijzer, aan zijn stuur. Deze persoon stopt bij de woning aan [adres 1] en parkeert zijn fatbike op het trottoir. Ongeveer 10 minuten later, om 19:03 uur, loopt de persoon door de voortuin terug naar het trottoir met in zijn handen een roze en een donkere tas. Deze tassen had hij eerder niet bij zich. De persoon opent de roze tas en stopt daar goederen in. De rechtbank gaat ervan uit dat deze persoon op dat moment de woninginbraak aan [adres 1] pleegde en met de gestolen roze handtas met inhoud vertrok. Eerder die avond is op de camerabeelden van [adres 5] te zien dat een persoon met eenzelfde fatbike en signalement meerdere keren door de [straat 5] loopt, fietst en stilstaat bij een woning. Gelet hierop, in combinatie met de hiervoor beschreven camerabeelden en de omstandigheid dat de woningen vijf minuten fietsen bij elkaar vandaan liggen, gaat de rechtbank ervan uit dat dit dezelfde persoon is en dat deze persoon op dat moment heeft geprobeerd bij [adres 2] in te breken.
Tien minuten fietsen van de [straat 6] ligt de woning van verdachte aan de [straat 1] te [plaats 1] . Op de camerabeelden van het appartementencomplex aan de [straat 1] is verdachte te zien op de avond van 26 december 2025. Hij heeft dan hetzelfde signalement als de persoon van de camerabeelden uit de [straat 6] en de [straat 5] . Uit de camerabeelden van de [straat 1] blijkt verder dat verdachte om 17:26 uur met zijn fatbike vertrekt. Aan zijn stuur hangt op dat moment een lang voorwerp dat lijkt op een breekijzer. Om 19:27 uur komt verdachte terug met aan de linkerzijde van het stuur van zijn fatbike een roze tas met bruine riemen.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat het verdachte is geweest die de woninginbraak aan [adres 1] en de poging woninginbraak aan [adres 2] heeft gepleegd.
Dat verdachte ook heeft geprobeerd de woning aan [adres 6] binnen te komen, kan de rechtbank op grond van het dossier niet vaststellen. De rechtbank zal verdachte daarom daarvan partieel vrijspreken. De rechtbank acht de feiten 1 en 2 overigens wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4. wordt weergegeven.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsvrouw van verdachte heeft ter zitting voorwaardelijk, in het geval de rechtbank tot een veroordeling zou komen voor feit 1, verzocht de camerabeelden van de Jumbo te [plaats 2] aan het dossier toe te laten voegen. [verbalisant 1] beschrijft in een proces-verbaal van bevindingen dat hij op de camerabeelden van de Jumbo te [plaats 2] van
24 december 2025 verdachte herkent en dat verdachte exact dezelfde kleding aanheeft als de persoon die te zien is op de beelden aan [adres 1] te [plaats 1] . De rechtbank wijst dit verzoek af, nu uit het aangehaalde proces-verbaal al blijkt dat de beelden niet meer beschikbaar zijn.
Feiten 3 en 4 (pogingen tot) auto-inbraken
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen in het dossier vast dat er in de nacht van 2 op 3 januari 2026 en in de nacht van 3 op 4 januari 2026 in totaal twee pogingen tot autoinbraken en drie voltooide autoinbraken aan de [straat 2] , de [straat 1] en de [straat 3] hebben plaatsgevonden. Beide nachten kwam het schoenspoor in de sneeuw ter plaatse overeen met het schoenspoor op de locatie waar melders de dader hebben zien lopen en dat leidt naar het appartementencomplex aan [woonadres] te [plaats 1] , waar verdachte woont. Tevens komt het signalement van de dader overeen met het signalement van verdachte op de camerabeelden van het appartementencomplex aan de [straat 1] van 4 januari 2026 om 03:13 uur.
Daarnaast stelt de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen vast dat er in de nacht van 5 op 6 januari 2026 elf pogingen tot auto-inbraak en vijf voltooide auto-inbraken hebben plaatsgevonden op het [parkeerterrein] te [plaats 1] . Op basis van het signalement van de dader houden verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] verdachte aan ter hoogte van de benzinepomp aan de [straat 4] . De schoensporen in de sneeuw rondom de auto’s waar is ingebroken komen overeen met de schoensporen van verdachte bij zijn aanhouding en de schoensporen die leiden naar de berging van verdachte aan de [straat 1] .
Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die de (pogingen tot) auto-inbraken heeft gepleegd in de periode van 2 tot en met 6 januari 2026. De rechtbank is hierbij van oordeel dat ten aanzien van de pogingen daadwerkelijk gaat om pogingen tot het inbreken in meerdere auto’s, nu er sprake is van een reeks aan inbraken waarbij verdachte op zoek was naar waardevolle spullen. Zo zijn er uit een aantal auto’s daadwerkelijk goederen gestolen en is er in een aantal auto’s zichtbaar gezocht naar goederen om mee te nemen. Dit blijkt onder andere uit het feit dat in meerdere auto’s de inhoud van de dashboardkastjes verspreid door de auto lag. De rechtbank acht de feiten 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4. weergegeven.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1 op 26 december 2025 te [plaats 1] meerdere sieraden en een tas (merk Longchamps, kleur roze) die aan [aangever 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, in een woning gelegen aan [adres 1] , terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
feit 2 op 26 december 2025 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meerdere goederen dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het/die zich wederrechtelijk toe te eigenen in/uit een woning gelegen aan [adres 2] , en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 3 in de periode van 2 januari 2026 tot en met 6 januari 2026 te [plaats 1]meerdere (merk) zonnebrillen enmeerdere pakken sigaretten enmeerdere opladers eneen powerbank eneen EHBO pakket eneen Leatherman wave multitool eneen ANWB pas eneen geldbedrag eneen sleutelbos eneen carplay-set enmeerdere interieurparfums enmeerdere DJI microfoon(tjes)die geheel of ten dele aan aangevers, te weten:[aangever 3] en/of[aangever 4] en/of[aangever 5] en/of[aangever 6] en/of[aangever 2] en/of[aangever 7] en/of[aangever 8] en/of[aangever 9] ,toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot meerdere personenauto’s heeft verschaft door middel van braak;
feit 4 in de periode van 2 januari 2026 tot en met 6 januari 2026 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf een of meerdere goederen dat/die geheel of ten dele aan aangevers, te weten:[aangever 10] en/of[aangever 11] namens [bedrijf 1] nv/ [bedrijf 2] en/of[aangever 12] en/of[aangever 13] en/of[aangever 14] en/of[aangever 15] en/of[aangever 16] namens [bedrijf 3] en/of[aangever 17] en/of[aangever 18] en/of[aangever 19] en/of[aangever 20] en/of[aangever 21] en/of[aangever 22]toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om dat/die zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot meerdere personenauto’s te verschaffen door middel van braak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van
30 maanden met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
Indien de bepleitte vrijspraak niet wordt gevolgd, verzoekt de verdediging een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen en een voorwaardelijke straf met verslavingszorg als bijzondere voorwaarde.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich op 26 december 2025 schuldig gemaakt aan een woninginbraak, waarbij hij goederen van emotionele en financiële waarde heeft weggenomen. Daarnaast heeft hij diezelfde avond geprobeerd in te breken in een andere woning. Woninginbraken en pogingen daartoe zijn nare feiten. Er wordt namelijk binnengedrongen in andermans privé sfeer. De wetenschap dat iemand in de woning is geweest en persoonlijke bezittingen heeft doorzocht of dat heeft geprobeerd, is bijzonder onaangenaam en veroorzaakt angst, onrust en gevoelens van onveiligheid. Met het plegen van deze feiten heeft verdachte geen enkel respect getoond voor andermans eigendom en persoonlijke leefomgeving. Bovendien heeft hij schade aan beide woningen en daarmee overlast veroorzaakt.
Daarnaast is verdachte in de periode van 2 tot en met 6 januari 2026 meermalen op rooftocht geweest en heeft hij zich schuldig gemaakt aan een grote hoeveelheid auto-inbraken en pogingen daartoe. Deze feiten hebben veel schade en overlast veroorzaakt voor de slachtoffers. Verdachte heeft er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van de aangevers en maling te hebben aan de overlast die hij hen bezorgt.
Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten maatschappelijke onrust in de buurten waarin ze gepleegd worden. Verdachte heeft bij al deze feiten geen rekening gehouden met deze gevolgen, maar alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin.
In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn strafblad. Hieruit blijkt dat hij veel vaker voor vermogensdelicten is veroordeeld. Er is hierdoor sprake van veelvuldige recidive. Bovendien heeft hij kort voor het plegen van onderhavige feiten tien maanden gevangenisstraf uitgezeten voor onder andere het inklimmen in een woning.
Ook houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsrapport van 4 juni 2025. Volgens de reclassering is de voornaamste risicofactor het middelengebruik van verdachte. Er zijn in het verleden door de reclassering veelvuldig trajecten ingezet, die uiteindelijk niet tot gedragsverandering of recidivevermindering hebben geleid. Ook de opname in een afkickkliniek in Zuid-Afrika in 2024 heeft geen verbetering gebracht. De reclassering ziet om deze reden geen mogelijkheden om met toezicht de risico’s op herhaling te beperken en adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering signaleert dat verdachte richting een ISD-maatregel gaat.
De rechtbank merkt nog op dat de verslaving verdachte al veel heeft gekost. Hij heeft flinke gezondheidsproblemen ondervonden en zijn relatie lijkt nu beëindigd te zijn. Verdachte heeft tegen de reclassering gezegd dat hij hulp nodig heeft. Tot nu toe heeft hulp echter nooit tot een blijvende verandering geleid. Verdachte neemt in deze zaak geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen en ontkent stug de feiten te hebben gepleegd. Deze houding geeft niet de hoop dat verdachte toe is aan een verbetering in zijn leven. Hij zal dan toch echt zelf stappen moeten gaan zetten.
Gelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf dan een gevangenisstraf kan worden volstaan. Bij het bepalen van de hoogte van die gevangenisstraf heeft de rechtbank de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) betrokken. Daaruit volgt bij veelvuldige recidive voor diefstal uit een auto een gevangenisstraf van twee maanden en voor een woninginbraak een gevangenisstraf van zeven maanden. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken. Gelet op het feit dat de rechtbank één poging woninginbraak niet bewezen acht, komt de rechtbank tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie is geëist.
Alles afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Gelet op het reclasseringsadvies ziet de rechtbank geen meerwaarde in een voorwaardelijk strafdeel, al dan niet met bijzondere voorwaarden.
Op het schorsingsverzoek inzake de voorlopige hechtenis heeft de rechtbank separaat beslist.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. Het beslag
De verbeurdverklaring
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende.
8. De vorderingen van de benadeelde partijen
[aangever 6]
De benadeelde partij [aangever 6] vordert een schadevergoeding van € 467,99 voor feit 3, waarvan € 200,00 materiële schade en € 267,99 immateriële schade. Gelet op de omschrijving van de vordering en de onderbouwing daarvan, begrijpt de rechtbank dat de gevorderde immateriële schade eveneens materiële schade betreft.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 200,00, betreffende de reparatie van de autoruit van benadeelde partij. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[aangever 7]
De benadeelde partij [aangever 7] vordert een schadevergoeding van € 600,00 voor feit 3, bestaande uit materieel geleden schade.
De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de benadeelde partij deze schade niet heeft onderbouwd. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[aangever 12]
De benadeelde partij [aangever 12] vordert een schadevergoeding van € 183,86 voor feit 4, bestaande uit materieel geleden schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 45,00, betreffende het eigen risico ten aanzien van de reparatie van de autoruit.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[aangever 13]
De benadeelde partij [aangever 13] vordert een schadevergoeding van € 341,83 voor feit 3, bestaande uit proceskosten. Gelet op de omschrijving van de vordering en de onderbouwing daarvan, begrijpt de rechtbank dat de vordering ziet op materiële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 341,83, betreffende kosten gemaakt om de autoruit te vervangen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
[aangever 14]
De benadeelde partij [aangever 14] vordert een schadevergoeding van € 221, 33 voor feit 4, bestaande uit materieel geleden schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank volledig toewijsbaar. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
[aangever 15]
De benadeelde partij [aangever 15] vordert een schadevergoeding van € 200,00 voor feit 3, bestaande uit proceskosten. Gelet op de omschrijving van de vordering begrijpt de rechtbank dat de vordering ziet op materiële schade.
De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat deze niet is onderbouwd. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[bedrijf 3]
De benadeelde partij [bedrijf 3] vordert een schadevergoeding van € 2.682,15 voor feit 3, waarvan € 2.557,15 ziet op materieel geleden schade en € 125,00 op proceskosten. Gelet op de omschrijving van de gevorderde proceskosten en de onderbouwing daarvan, begrijpt de rechtbank dat dit eveneens materiële schade betreft.
De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu de onderbouwing ervan onvoldoende duidelijk is. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[aangever 18]
De benadeelde partij [aangever 18] vordert een schadevergoeding van € 1.833,05 voor feit 4, bestaande uit materieel geleden schade.
De benadeelde partij heeft de vordering onderbouwd, maar de gestelde schade is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan, nu deze reeds vergoed is door de verzekeraar van de benadeelde partij. De rechtbank acht de vordering daarom ongegrond en zal deze afwijzen.
De rechtbank zal de hiervoor toegewezen vorderingen vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2026 tot de dag van volledige betaling.
De rechtbank zal voor die vorderingen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaf door middel van braak;
feit 2: poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
feit 3: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;
feit 4: poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen
T.a.v. feit 3
[aangever 6]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 200,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 januari 2026 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 6] , € 200,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 januari 2026 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 2 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[aangever 7]
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
T.a.v. feit 4
[aangever 12]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 45,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 januari 2026 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 12] , € 45,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 januari 2026 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 1 dag gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[aangever 13]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 341,83 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 januari 2026 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 13] , € 341,83 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 januari 2026 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 3 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[aangever 14]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 221, 33 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 januari 2026 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 14] , €221, 33 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 januari 2026 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 2 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[aangever 15]
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
[bedrijf 3]
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
[aangever 18]
- wijst de vordering van de benadeelde partij af;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe op nihil;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
1. STK Fiets Heren (Omschrijving: PL2000-2026004008-G2950167 Fatbike)
1. STK Schoenen (Omschrijving: PL2000-2026004008-G2948782, Wit, merk: Nike)
1. STK Schoenen (Omschrijving: PL2000-2026004008-G2948781, Grijs/Beige, merk: Nike)
1. STK Schoenen (Omschrijving: PL2000-2026004008-G2948790, Zwart, merk: Nike)
1. STK Schoenen (Omschrijving: PL2000-2026004008-G2948783, Meerkleurig, merk: Nike).
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.I. Beudeker, voorzitter,
en mr. C.H.M. Pastoors en mr. J.P.E. Mullers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 april 2026.
De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij
1
hij op of omstreeks 26 december 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland,
meerdere sieraden en/of een tas (merk Longchamps, kleur roze) in elk geval enig
goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, uit een woning gelegen aan [adres 1] , terwijl verdachte zich
de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen
goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking
en/of inklimming;
( art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 26 december 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
een of meerdere goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
aangever(s), te weten
[aangever 23] en/of
[aangever 2] ,
in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het
zich wederrechtelijk toe te eigenen, uit een of meerdere woningen gelegen aan de
[adres 6] en/of aan [adres 2] , en zich toegang tot de plaats van het
misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik
te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art
45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3
hij in of omstreeks de periode van 2 januari 2026 tot en met 6 januari 2026 te [plaats 1] ,
althans in Nederland,
een of meerdere (merk) zonnebril(len) en/of
een of meerdere pak(ken) sigaretten en/of
een of meerdere oplader(s) en/of
een powerbank en/of
een EHBO pakket en/of
een Leatherman wave multitool en/of
een ANWB pas en/of
een of meerdere geldbedragen en/of
een sleutelbos en/of
een carplay-set en/of
een of meerdere interieurparfum(s) en/of
een of meerdere DJI microfoon(tjes)
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een of meerdere aangever(s), te
weten:
[aangever 3] en/of
[aangever 4] en/of
[aangever 5] en/of
[aangever 6] en/of
[aangever 2] en/of
[aangever 7] en/of
[aangever 8] en/of
[aangever 9] ,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich
de toegang tot een of meerdere voertuig(en) en/of personenauto(’s) heeft verschaft
en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door
middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
( art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )
4
hij in of omstreeks de periode van 2 januari 2026 tot en met 6 januari 2026 te [plaats 1] ,
althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
een of meerdere zonnebrillen en/of geldbedragen althans een of meerdere
goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een of meerdere
aangever(s), te weten:
[aangever 10] en/of
[aangever 11] namens [bedrijf 1] nv/ [bedrijf 2] en/of
[aangever 12] en/of
[aangever 13] en/of
[aangever 14] en/of
[aangever 15] en/of
[aangever 16] namens [bedrijf 3] en/of
[aangever 17] en/of
[aangever 18] en/of
[aangever 19] en/of
[aangever 20] en/of
[aangever 21] en/of
[aangever 22]
in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het
zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot een of meerdere voertuig(en)
en/of personenauto(’s) te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen
onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art
45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )