Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-220451-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 april 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Oeganda) op [geboortedatum] 2006,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in [verblijfplaats] ,
raadsman mr. J. Looman, advocaat te Wassenaar.
1. Onderzoek op de terechtzittingen
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 11 maart 2026 en 15 april 2026, waarbij op 11 maart 2026 de officier van justitie mr. S. van de Wilt-Withfield en op 15 april 2026 de officier van justitie mr. M. van Leeuwen en op beide zittingen de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op 11 maart 2026 is verdachte met zijn raadsman verschenen en op 15 april 2026 is verschenen de gemachtigde raadsman van verdachte.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 1 augustus 2025 diverse goederen bij de Action te [plaats] heeft gestolen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte tijdens de
zitting op 11 maart 2026.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte bekent het feit.
Het oordeel van de rechtbank
Het bewijs
Aangezien verdachte op de zitting van 11 maart 2026 een bekennende verklaring heeft afgelegd en geen vrijspraak is bepleit, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 11 maart 2026;
- de aangifte van [aangever] namens Action [plaats] van 1 augustus 2025, pagina’s 6 tot en met 8 van het eindproces-verbaal.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 1 augustus 2025 te [plaats] , een pet en wasverzachter en afwasmiddel en sokken en ondergoed en hemd en schoenen, die aan de Action toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert op te leggen een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar. Aan de vereisten daarvoor is voldaan en er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden, zoals begeleiding in het kader van een voorwaardelijke straf. De officier van justitie gaat er hierbij van uit dat de ISD-maatregel wordt omgezet naar de vreemdelingen ISD op het moment dat verdachte niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank op de zitting van 11 maart 2026 verzocht om geen ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. Gezien de ontwikkelingen en de nieuwe informatie over de verblijfsrechtelijke status van verdachte heeft de verdediging op de zitting van 15 april 2026 de rechtbank verzocht om de ISD-maatregel te beperken tot de duur van één jaar.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dit soort misdrijven leveren voor de gedupeerden schade en veel hinder op. Het handelen van verdachte getuigt van weinig respect voor de eigendommen van anderen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor winkeldiefstallen en andere soortgelijke (vermogens)feiten.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het rapport van de reclassering van 6 januari 2026. Hieruit volgt dat verdachte in een kwetsbare situatie zit, waarin geen beschermende factoren aanwezig zijn. Verdachte is ruim twee jaar in Nederland en heeft bij verschillende COA’s verbleven. Op alle plekken is verdachte herhaaldelijk gerecidiveerd, met name vanwege het plegen van vermogensdelicten. Deze delicten pleegt verdachte naar eigen zeggen onder invloed van alcohol en/of drugs. Verdachte kampt met verslavingsproblematiek en mogelijk is er ook sprake van traumagerelateerde problematiek. Hij leidt een zelfdestructief leven en het uitblijven van stabiliteit en perspectief zorgt op alle levensgebieden voor problemen. Daar komt bij dat verdachte zich met de verkeerde personen omringt en hij geen weerstand tegen beïnvloeding kan bieden. Daarnaast bemoeilijkt de verblijfsrechtelijke status van verdachte het opstarten van hulpverleningstrajecten. Eerder is hij aangemeld bij [zorginstelling 1] en [zorginstelling 2] , maar zij konden de benodigde zorg niet bieden. De reclassering heeft alles binnen haar mogelijkheden gedaan om de kans op recidive te beperken, maar dat is onvoldoende gelukt. Het recidiverisico wordt nog steeds als hoog ingeschat en de reclassering ziet geen mogelijkheden meer om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. Nu verdachte aan de criteria van de ISD-maatregel voldoet en hij binnen dat kader kan stabiliseren, adviseert de reclassering om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor twee jaar op te leggen, die bij afwijzing van zijn (nieuwe) asielaanvraag kan worden omgezet in de vreemdelingen ISD. Verdachte zal dan worden geplaatst in een ISD-VRIS inrichting waar hij kan deelnemen aan interventies gericht op het aanleren van vaardigheden om zich in het land van herkomst beter staande te kunnen houden. Ook zal er aan verdachte hulp en behandeling voor zijn problematiek worden geboden. Tijdens de zittingen heeft de reclassering aangegeven dat het advies ongeacht de verblijfsrechtelijke status van verdachte hetzelfde blijft. Verdachte blijft zeer kwetsbaar en heeft hulp nodig.
Maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan alle eisen die de wet aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. Zo is op het door verdachte begane misdrijf voorlopige hechtenis toegelaten. In de vijf jaren voorafgaand aan dit misdrijf is verdachte ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf veroordeeld. Het bewezenverklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen. Uit het reclasseringsadvies volgt verder dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist. Ook is voldaan aan de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, omdat over een periode van vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit meer dan tien processen-verbaal tegen verdachte zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
De rechtbank is op grond van het dossier en het verhandelde tijdens de zittingen, waaronder in het bijzonder de bevindingen van de reclassering en de toelichting van de deskundigen, van oordeel dat het opleggen van de ISD-maatregel wenselijk en noodzakelijk is om een wijziging in de situatie van verdachte proberen te bewerkstelligen.
Verdachte is in de afgelopen periode meermalen veroordeeld voor strafbare feiten en staat op de landelijke Top x lijst overlastgevende criminele vreemdelingen. Eerder is geprobeerd door middel van een traject bij [zorginstelling 1] en [zorginstelling 2] om verdachte te stabiliseren en het recidiverisico terug te dringen, maar dat [zorginstelling 1] de benodigde zorg niet aan verdachte kon bieden. Ook de eerder opgelegde voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarde heeft niet tot stabiliteit geleid en heeft verdachte er evenmin van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank stelt dan ook vast dat er al andere, minder ingrijpende afdoeningsmogelijkheden of middelen zijn ingezet, maar dat deze niet tot een positieve gedragsverandering bij verdachte hebben geleid. Gelet op deze omstandigheden, het hoge recidiverisico en het hoge risico dat verdachte zich aan voorwaarden onttrekt, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om het recidiverisico terug te dringen door een andere of lichtere sanctie dan een ISD-maatregel, zoals het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf of de voorwaardelijke ISD-maatregel. De rechtbank overweegt dat de ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij tegen het strafbare handelen van verdachte en de beëindiging van de recidive door verdachte, maar dat de maatregel ook kan bijdragen aan een oplossing voor de problematiek van verdachte.
Uit de informatie van de officier van justitie en de toelichting van [deskundige] , werkzaam bij de Afdeling Vreemdelingenpolitie Identificatie en Mensenhandel, Team Toezicht en Handhaving tijdens de zitting op 15 april 2026 volgt dat verdachte op dit moment rechtmatig in Nederland verblijft. Verdachte heeft namelijk op 27 januari 2026 opnieuw asiel aangevraagd. Hiertegen loopt een beroep en een voorlopige voorziening waarop nog niet is beslist. Onduidelijk is wanneer op de voorlopige voorziening zal worden beslist. Zolang daarop niet is beslist, verblijft verdachte rechtmatig in Nederland en is hij niet verwijderbaar op het moment dat hij in vrijheid zou worden gesteld.
Dat er momenteel onduidelijkheid bestaat over de vraag of verdachte in Nederland mag blijven, maakt het voorgaande niet anders. De deskundige heeft toegelicht dat, op het moment dat op de voorlopige voorziening afwijzend wordt beslist en verdachte daardoor niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, de ISD-maatregel zal worden omgezet naar de vreemdelingen ISD, die is gericht op de uiteindelijke terugkeer naar het land van herkomst. Gebleken is dat de Oegandese nationaliteit van verdachte is vastgesteld en dat verdachte in beginsel dan naar Oeganda kan worden uitgezet. Dit wordt niet anders als verdachte in hoger beroep zou gaan. De rechtbank weegt hierbij ook mee dat binnen de vreemdelingen ISD voor verdachte de mogelijkheid bestaat om eerder terug naar Oeganda te gaan als hij daaraan meewerkt. Dat betekent dat verdachte in dat geval het traject kan bespoedigen en niet de gehele door de rechtbank op te leggen duur van de ISD-maatregel uit hoeft te zitten.
Alles afwegend zal de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte opleggen. Deze maatregel zal de rechtbank opleggen voor de maximale duur van twee jaar, zonder aftrek van het voorarrest, gelet op de aard van de problematiek en de genoemde mogelijkheid voor verdachte - in het geval hij niet in Nederland mag blijven - om eerder naar Oeganda terug te keren als hij daaraan meewerkt.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
diefstal
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar;
Maatregel
- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor 2 (twee) jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, en mr. H. Skalonjic en mr. P.K.J. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Vork, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 29 april 2026.
Mr. Skalonjic, mr. Van der Wal en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.