RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11535334 \ CV EXPL 25-541
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[opdrachtgever] ,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [opdrachtgever] ,
gemachtigde: mr. T.M. Kools,
tegen
[opdrachtnemer] , H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [opdrachtnemer] ,
gemachtigde: mr. B. van den Bos.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 mei 2025 met de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de mondelinge behandeling van 8 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[opdrachtnemer] is een eenmanszaak die onder andere gespecialiseerd is in de fabricage en montage van kozijnen. [opdrachtnemer] maakt zelf houten kozijnen op maat en monteert deze bij zijn opdrachtgevers.
Op 1 december 2022 zijn partijen overeengekomen dat [opdrachtnemer] in totaal zeven kozijnen en beglazing levert en monteert ten behoeve van [opdrachtgever] . De aanneemsom bedraagt € 18.636,54 inclusief btw. [opdrachtgever] heeft daarvan in totaal € 13.045,58 betaald.
In december 2023 heeft [opdrachtnemer] de achterdeur geplaatst en in januari 2024 zijn de tuindeuren geplaatst.
Bij brief van 28 juni 2024 heeft [opdrachtgever] [opdrachtnemer] tot en met 26 juli 2024 de gelegenheid gegeven de resterende werkzaamheden alsnog op te leveren en geeft hij in zijn brief aan dat als niet aan zijn verzoek wordt voldaan de overeenkomst wordt ontbonden. Deze brief is op 3 juli 2024 ook per e-mail naar [opdrachtnemer] gestuurd.
Bij e-mail van 2 augustus 2024 stelt [opdrachtnemer] voor dat hij uiterlijk 31 augustus 2024 de werkzaamheden volgens de overeenkomst zal opleveren. In deze e-mail vraagt [opdrachtnemer] om een laatste kans. Op dit bericht is door [opdrachtgever] gereageerd dat het voorstel van [opdrachtnemer] duidelijk is en dat hij [opdrachtnemer] de kans wil geven om het voorstel waar te maken. [opdrachtnemer] heeft in de periode augustus 2024 wegens ziekte geen werkzaamheden bij [opdrachtgever] verricht.
Op 18 september 2024 mailt [opdrachtgever] aan [opdrachtnemer] onder meer:
“(…)Andere werkzaamheden in mijn huis hebben gelukkig niet stilgestaan; in oktober gaat de stucer inmiddels beginnen.
Om het geheel netjes af te kunnen werken willen we wel zeker weten dat al jullie werk klaar is tegen het einde van september. Hiermee verschuiven we de eerder door jullie geboden opleverdatum met ruim 4 weken, uit begrip voor de situatie. Latere oplevering kunnen we helaas niet accepteren.(…)”
Op 23 september 2024 reageert [opdrachtnemer] dat hij die aanstaande donderdag komt. Daarop reageert [opdrachtgever] dat als [opdrachtnemer] vóór het einde van september inderdaad de gehele opdracht correct kan afronden, hij zeker welkom is. [opdrachtgever] geeft aan dat als dit niet lukt, hij adviseert om in te gaan op de eerder geboden alternatieven.
[opdrachtnemer] heeft op 23 september 2024 gereageerd dat hij het zo snel mogelijk de werkzaamheden bij [opdrachtgever] gaat afrondden en dat [opdrachtgever] ervoor moet zorgen dat hij er zelf donderdag is, zodat [opdrachtnemer] met hem alles duidelijk kan afspreken. [opdrachtgever] heeft op dit bericht onder meer gereageerd dat hij geen concrete opleverdatum hoort en dat hij een correcte afhandeling niet meer ziet gebeuren en hij daarom verzoekt om geen werkzaamheden meer voor hem uit te voeren.
Op 24 september 2024 heeft [opdrachtnemer] aan [opdrachtgever] onder meer het volgende bericht:
“(…)Wij kunnen aanstaande donderdag bij jou aanwezig zijn om de werkzaamheden op te pakken die wij begin augustus al zouden doen, maar wegens de longontsteking van [opdrachtnemer] niet hebben kunnen doen.
Tevens willen wij donderdag met jou rond tafel om definitieve afspraken te maken mét opleverdatum, zodat wij daarna op een normale manier uit elkaar kunnen gaan.
Graag horen wij voor 17.00u vandaag een reactie hierop.(…)”
Op dit bericht is door [opdrachtgever] niet gereageerd.
Bij brief van 30 oktober 2024 maakt [opdrachtgever] aanspraak op betaling door [opdrachtnemer] van € 6.920,44 wegens ontbinding van de overeenkomst.
Bij brief van 5 december 2024 maakt [opdrachtnemer] aanspraak op betaling door [opdrachtgever] van € 4.434,56 vanwege opzegging van de overeenkomst door [opdrachtgever] .
Op 9 januari 2025 heeft [opdrachtgever] ten laste van [opdrachtnemer] conservatoir derdenbeslag bij de Rabobank gelegd.
3. Het geschil
in conventie
[opdrachtgever] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig (al dan niet partieel) is ontbonden, althans de overeenkomst tussen partijen (al dan niet partieel) te ontbinden;
II. [opdrachtnemer] te veroordelen tot betaling van € 6.920,44, met wettelijke rente vanaf 14 november 2024;
III. [opdrachtnemer] te veroordelen om te betalen € 872,44 aan buitengerechtelijke incassokosten;
IV. [opdrachtnemer] te veroordelen in de beslag- proces- en nakosten met rente.
[opdrachtgever] legt aan zijn vorderingen - samengevat - het volgende ten grondslag. Partijen zijn na de ingebrekestelling een fatale oplevertermijn in de zin van artikel 6:83 sub a BW overeengekomen, namelijk 31 augustus 2024. [opdrachtnemer] heeft zijn werkzaamheden niet binnen deze termijn afgerond en opgeleverd, zodat [opdrachtnemer] vanaf 1 september 2024 in verzuim verkeert. [opdrachtgever] was tot uitstel van de fatale termijn bereid als [opdrachtnemer] zou bevestigen dat het werk eind september 2024 alsnog wordt opgeleverd. Dit heeft [opdrachtnemer] niet bevestigd, zodat [opdrachtgever] bevoegd was de overeenkomst tussen partijen te ontbinden. Dat heeft [opdrachtgever] op 23 september 2024 gedaan. [opdrachtgever] schat dat de reeds door [opdrachtnemer] verrichte prestatie een waarde heeft van € 6.500,00, zodat gelet op het reeds betaalde bedrag van € 13.045,58 een terugbetalingsverplichting van € 6.545,58 voor [opdrachtnemer] bestaat. Daarnaast maakt [opdrachtgever] op grond van artikel 6:277 BW aanspraak op vergoeding van € 374,86 zijnde de meerkosten van de werkzaamheden door een derde. Deze schade heeft [opdrachtgever] geleden doordat geen nakoming maar ontbinding heeft plaatsgevonden.
[opdrachtnemer] voert - samengevat - het volgende verweer. Er is sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van [opdrachtgever] . [opdrachtgever] heeft zelf de opleverdatum verschoven naar eind september 2024, maar geeft vervolgens op 23 september 2024 aan dat [opdrachtnemer] geen werkzaamheden meer uit hoeft te voeren. Daarmee heeft [opdrachtgever] de overeenkomst opgezegd en is de overeenkomst niet ontbonden. [opdrachtnemer] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [opdrachtgever] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [opdrachtgever] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [opdrachtgever] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[opdrachtnemer] vordert - samengevat - veroordeling van [opdrachtgever] tot betaling van € 4.434,56 vanwege de opzegging van de overeenkomst, € 568,46 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente en betaling van de proceskosten.
[opdrachtgever] voert verweer. [opdrachtgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [opdrachtnemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [opdrachtnemer] , met veroordeling van [opdrachtnemer] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
Tussen partijen staat ter discussie of [opdrachtnemer] in verzuim is geraakt of dat er sprake is van schuldeisersverzuim aan de kant van [opdrachtgever] . De kantonrechter is van oordeel dat [opdrachtnemer] in verzuim is. Hierna wordt dit toegelicht.
Bij brief van 28 juni 2024 is [opdrachtnemer] door [opdrachtgever] in gebreke gesteld. Vast staat dat [opdrachtnemer] binnen de in die brief genoemde termijn de resterende werkzaamheden niet heeft uitgevoerd en het werk niet is opgeleverd. Nadien is aan [opdrachtnemer] uitstel verleend tot 31 augustus 2024. Ook binnen deze nadere termijn is [opdrachtnemer] zijn verplichting tot het verrichten en opleveren van de werkzaamheden niet nagekomen. [opdrachtgever] heeft vervolgens aan [opdrachtnemer] tot eind september 2024 uitstel gegeven, maar heeft daarbij in de e-mail van 18 september 2024 wel opgemerkt dat hij zeker wil weten dat al het werk tegen het einde van september 2024 klaar is en dat hij een latere oplevering niet kan accepteren. In de daaropvolgende berichten blijkt niet van een concrete toezegging van [opdrachtnemer] dat het werk tegen eind september 2024 afgerond zal zijn. [opdrachtnemer] herhaalt alleen dat hij het werk zo spoedig mogelijk zal af te ronden, maar daarmee heeft [opdrachtnemer] gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden niet toereikend gereageerd. Gelet op de gehele gang van zaken, het niet voldoen aan de ingebrekestelling en het ook niet nakomen van de verplichting binnen de nader termijn van 31 augustus 2024, mocht een concrete toezegging van [opdrachtnemer] dat de werkzaamheden eind september 2024 volledig zijn afgerond wel worden verwacht. Ook nadat [opdrachtgever] aangeeft dat [opdrachtnemer] de werkzaamheden niet meer hoeft uit te voeren, blijft een concrete toezegging van [opdrachtnemer] achterwege. Gelet op het voorgaande is [opdrachtnemer] in verzuim en is er geen sprake van schuldeisersverzuim aan de kant van [opdrachtgever] . Dit betekent dat de overeenkomst conform de aankondiging in de brief van 28 juni 2024 rechtsgeldig door [opdrachtgever] is ontbonden.
Het door [opdrachtgever] gevorderde bedrag van € 6.920,44 bestaat uit een terugbetalingsverplichting van € 6.545,58 vanwege de ontbinding van de overeenkomst en een vergoeding van € 374,86 aan meerkosten voor de werkzaamheden door een derde. Tijdens de zitting heeft [opdrachtgever] toegelicht dat de waarde van het werk dat door [opdrachtnemer] is verricht door een aannemer is geschat op een bedrag van € 6.500,00. Dat de omvang van de door [opdrachtnemer] verrichte werkzaamheden een hoger bedrag zou vertegenwoordigen is door [opdrachtnemer] op geen enkele wijze onderbouwd. Daarmee is de hoogte van het door [opdrachtgever] gevorderde bedrag van € 6.545,58 onvoldoende gemotiveerd weersproken. De omvang van de gevorderde meerkosten is in het geheel niet betwist door [opdrachtnemer] , zodat dit bedrag wordt toegewezen. Dit betekent dat [opdrachtnemer] de totale vordering van € 6.920,44 aan [opdrachtgever] moet betalen. De gevorderde rente over het bedrag wordt toegewezen vanaf 14 november 2024 op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.
Verder vordert [opdrachtgever] vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Het verweer van [opdrachtnemer] dat de buitengerechtelijk incassokosten niet op correcte wijze zijn aangezegd, wordt verworpen. In dit geval geldt niet dat de buitengerechtelijke incassokosten moeten worden aangezegd, omdat [opdrachtnemer] handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. [opdrachtgever] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Dit is toewijsbaar omdat [opdrachtgever] geen ondernemer is, zodat een bedrag van € 872,44 wordt toegewezen.
Het is de kantonrechter niet gebleken dat [opdrachtgever] na toewijzing van het gevorderde bedrag van € 6.920,44 een zelfstandig belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
[opdrachtgever] vordert [opdrachtnemer] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar voor zover die ziet op de beslagkosten voor het gelegde conservatoire beslag. Het beslag onder de Rabobank is gelet op de veroordeling van [opdrachtnemer] niet ongegrond of onrechtmatig gelegd. De beslagkosten worden vastgesteld op € 512,80 voor kosten deurwaardersexploten, € 331,00 voor griffierecht en € 554,00 voor salaris gemachtigde, totaal € 1.397,80. Het voor het beslagrekest verschuldigde griffierecht wordt ambtshalve in mindering gebracht op het griffierecht van de bodemprocedure.
[opdrachtnemer] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [opdrachtgever] worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
€
149,02
- griffierecht
€
0,00
(vanwege het griffierecht van het beslagrekest)
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
962,02
De gevorderde wettelijke rente over de beslag- en proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
Aan de vordering in reconventie heeft [opdrachtnemer] ten grondslag gelegd dat [opdrachtgever] de overeenkomst heeft opgezegd en dat [opdrachtgever] daarom de volledige aanneemsom, minus de besparingen die voor [opdrachtnemer] uit de opzegging voortvloeien, aan [opdrachtnemer] moet betalen. Nu in conventie is geoordeeld dat [opdrachtgever] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden, wordt de vordering van [opdrachtnemer] in reconventie afgewezen.
[opdrachtnemer] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [opdrachtgever] worden vastgesteld op:
- salaris gemachtigde
€
339,00
(2 punten × factor 0,5 × € 339,00)
Totaal
€
339,00
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt [opdrachtnemer] om aan [opdrachtgever] te betalen een bedrag van € 6.920,44, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [opdrachtnemer] om aan [opdrachtgever] te betalen een bedrag van € 872,44 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [opdrachtnemer] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.397,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [opdrachtnemer] in de proceskosten, waarbij die kosten van [opdrachtgever] zijn vastgesteld op € 962,02, te betalen aan [opdrachtgever] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [opdrachtnemer] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [opdrachtnemer] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van [opdrachtnemer] af,
veroordeelt [opdrachtnemer] in de proceskosten, waarbij die kosten van [opdrachtgever] zijn vastgesteld op € 339,00, te betalen aan [opdrachtgever] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [opdrachtnemer] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling onder 5.9. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Spronssen en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.