RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11249347 \ CV EXPL 24-2617
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] , VOORHEEN H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D. Swildens en mr. S.C. Wispelweij.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 januari 2025 met de daarin genoemde processtukken,
- de akte overlegging producties tevens houdende wijziging van gronden,
- de mondelinge behandeling van 9 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Deze zaak is tijdens de mondelinge behandeling van 9 december 2025 gezamenlijk behandeld met de (vrijwarings)zaak die bij deze rechtbank bekend is onder zaaknummer 11502846 \ CV EXPL 25-364. Na sluiting van de mondelinge behandeling is bepaald dat vandaag in beide zaken gescheiden vonnis wordt gewezen.
2. De feiten
[eiseres] heeft op Markplaats.nl een advertentie geplaatst omdat zij een aannemer zocht voor verbouwingswerkzaamheden aan de berging van haar woning. Op deze advertentie is gereageerd door iemand die zich [naam 1] noemde en die daarbij de naam [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) gebruikte. Nadat een persoon die zich voorstelde als [naam 1] bij [eiseres] is langs geweest om de werkzaamheden te bespreken, heeft hij op 19 november 2022 een offerte op briefpapier van [bedrijf] naar [eiseres] gestuurd.
Voor de werkzaamheden aan de berging is een bedrag van € 9.982,50 inclusief btw geoffreerd. [eiseres] heeft de offerte voor akkoord getekend.
[eiseres] heeft op 21 november 2022 € 2.982,50, op 28 november 2022 € 1.000,00 en op 21 december 2022 € 1.470,00 overgemaakt op het rekeningnummer van [bedrijf] .
[naam 1] is op 28 november 2022 gestart met de werkzaamheden.
Op 4 februari 2023 heeft [eiseres] naar [bedrijf] een ingebrekestelling gestuurd omdat de werkzaamheden niet volledig zijn uitgevoerd.
In opdracht van [eiseres] heeft TOP Expertise B.V. (hierna: Top) op 12 april 2023 onderzoek verricht naar de verbouwing. Daarbij heeft zij zowel gekeken naar werkzaamheden in de berging als voor de zolder. Top geeft in haar rapport onder meer aan dat de werkzaamheden die de aannemer voor de berging heeft geoffreerd grotendeels zijn uitgevoerd en dat voor zover Top visueel heeft kunnen waarnemen, het werk naar behoren is uitgevoerd. Verder geeft Top aan dat de aannemer voor het bereiken van de vliering een vlizotrap heeft geleverd en gemonteerd, maar dat de vlizotrap niet goed is afgesteld. Top raamt de kosten voor de nog te verrichten werkzaamheden op een bedrag van € 9.360,00.
Bij brief van 14 augustus 2023 sommeert [eiseres] [bedrijf] tot betaling van € 9.360,00 aan schadevergoeding.
3. Het geschil
[eiseres] vordert - samengevat -, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:
- € 9.360,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2023,
- € 2.117,50 aan kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijke partij, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding,
- € 843,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding,
- de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Zij heeft eerst een overeenkomst gesloten voor werkzaamheden aan de berging voor een bedrag van € 9.982,50 inclusief btw met [gedaagde] . Nadat de werkzaamheden aan de berging zijn gestart is een mondelinge overeenkomst gesloten voor het afwerken van de zolder voor een bedrag van € 7.000,00 inclusief btw. [eiseres] heeft alle betalingen voor het verrichten van de werkzaamheden voldaan, waarbij zij een deel contant heeft betaald. Ondanks dat [eiseres] dit herhaaldelijk heeft verzocht zijn de werkzaamheden aan de berging en aan de zolder niet voltooid.
[gedaagde] voert verweer. Het standpunt van [gedaagde] komt er samengevat op neer dat [gedaagde] geen overeenkomsten met [eiseres] heeft gesloten, maar dat [eiseres] contact heeft gehad met [naam 1] en dat [naam 1] de naam van het bedrijf van [gedaagde] , [bedrijf] , heeft gebruikt. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid
De kantonrechter gaat er in deze zaak vanuit dat tussen [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst tot aanneming van werk tot stand is gekomen. Aan [gedaagde] kan namelijk de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid door [naam 1] worden toegerekend. De kantonrechter legt dit oordeel hierna uit.
Op grond van de wet kan, als een rechtshandeling in naam van een ander (in deze zaak: [gedaagde] ) is verricht, tegen de wederpartij (in deze zaak: [eiseres] ), als zij op grond van een verklaring van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van die veronderstelling geen beroep worden gedaan (artikel 3:61 lid 2 BW). Volgens rechtspraak van de Hoge Raad kan voor toerekening van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid ook plaats zijn als [eiseres] gerechtvaardigd heeft vertrouwd op feiten en omstandigheden die voor risico van [gedaagde] komen en waaruit naar verkeersopvattingen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Daarvoor is niet noodzakelijk dat [gedaagde] daadwerkelijk een handeling heeft verricht (‘toedoen’). De schijn kan ook worden gewekt door het laten voortbestaan van een bepaalde situatie of door een andersoortig niet-doen. Daarnaast is van belang wat [eiseres] en [naam 1] over en weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden.
Vast staat dat op het moment van het sluiten van de overeenkomst in november 2022 [gedaagde] in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf] (in deze zaak: [bedrijf] ) met KvK-nummer [nummer] stond ingeschreven. Tijdens de zitting is door [gedaagde] gesteld dat [bedrijf] kort voor het sluiten van de overeenkomst is overgenomen door [naam 2] (en dat zou de persoon zijn die zich zou hebben uitgegeven als [naam 1] ). Deze stelling wordt gepasseerd omdat dit niet is onderbouwd door [gedaagde] . Op dit punt wordt daarom ook niet toegekomen aan een bewijsopdracht.
Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat de persoon die [eiseres] heeft gezien -en die zich heeft voorgesteld als [naam 1] - om de werkzaamheden te bespreken waarna zij een offerte heeft ontvangen en die zij ook heeft gezien bij de uitvoering van de werkzaamheden niet [gedaagde] is. Dit wil niet zeggen dat er geen overeenkomst is gesloten met [gedaagde] . Het maakt daarbij ook niet uit dat [eiseres] [gedaagde] niet daadwerkelijk heeft gezien bij de totstandkoming van de overeenkomst. Gelet op de volgende feiten en omstandigheden zoals die deels volgen uit de processtukken en deels op de zitting duidelijk zijn geworden mocht [eiseres] redelijkerwijs aannemen dat [naam 1] een toereikende volmacht was verleend en hij dus handelde namens [gedaagde] . Op de advertentie van [eiseres] is gereageerd door [naam 1] die daarbij de naam van [bedrijf] heeft gebruikt. Nadat [naam 1] langs is geweest bij [eiseres] heeft zij een offerte op naam van [bedrijf] ontvangen, ook is op de offerte onder meer het vestigingsadres, het KvK-nummer en het bankrekeningnummer van [bedrijf] vermeld. Dat [naam 1] de naam van [bedrijf] en de gegevens van [bedrijf] heeft gebruikt, volgens [gedaagde] zonder zijn toestemming, komt voor rekening en risico van [gedaagde] . Daarnaast heeft [eiseres] drie betalingen verricht op het bankrekeningnummer van [bedrijf] , waarbij de eerste betaling heeft plaatsgevonden voordat [naam 1] met de werkzaamheden is gestart. [gedaagde] heeft deze betalingen ontvangen, maar heeft die niet teruggestort. Daarmee heeft [gedaagde] de situatie, dus de veronderstelling van [eiseres] dat zij een overeenkomst heeft met [gedaagde] (als eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf] ), laten voortbestaan. Ook dit komt voor rekening en risico van [gedaagde] .
Voor de mondeling gesloten overeenkomst voor de werkzaamheden aan de zolder geldt ook dat [gedaagde] gebonden is aan die overeenkomst, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden. De algemene betwisting van [gedaagde] dat de werkzaamheden aan de zolder zijn overeengekomen is onvoldoende. Uit de door [eiseres] overgelegde appgesprekken met [naam 1] blijkt namelijk dat er afspraken zijn gemaakt over werkzaamheden aan de zolder. Ook is er een start gemaakt met die werkzaamheden aan de zolder. Dit blijkt uit het rapport van Top.
Voor zover [gedaagde] de door [eiseres] verrichte contante betalingen heeft betwist, geldt het volgende. Uit de overgelegde appgesprekken van 21 november en 20 december 2022 blijkt dat contante betaling is afgesproken. Dit stemt overeen met de door [eiseres] overgelegde bankafschriften waaruit de geldopnames blijken. Daarmee staat voldoende vast dat er contant is betaald. Niet relevant is of [gedaagde] dat geld daadwerkelijk heeft ontvangen, omdat [eiseres] erop mocht vertrouwen dat [naam 1] namens [gedaagde] handelde.
[gedaagde] moet € 9.360,00 betalen aan [eiseres]
Tijdens de zitting heeft [eiseres] toegelicht dat het gevorderde bedrag van € 9.360,00 ziet op vervangende schadevergoeding. [gedaagde] is bij brief van 4 februari 2023 in gebreke gesteld. Vast staat dat deze brief naar het postadres van [gedaagde] is gestuurd en dat daar voor ontvangst is getekend. Binnen de in de brief genoemde termijn heeft geen afronding van de werkzaamheden plaatsgevonden, zodat verzuim is ingetreden. Dat [gedaagde] zegt geen kennis te hebben genomen van de brief omdat [naam 1] post voor hem heeft achtergehouden, staat aan de werking van de ingebrekestelling niet in de weg. Het gevorderde bedrag is gebaseerd op het rapport van Top waarin de kosten voor de nog te verrichten werkzaamheden zijn geraamd op € 9.360,00. Deze kostenraming is door [gedaagde] niet betwist, zodat het gevorderde bedrag wordt toegewezen. De gevorderde wettelijke rente vanaf 31 augustus 2023 is gelet op het verzuim toewijsbaar.
Kosten onderzoek Top
De door [eiseres] gevorderde kosten voor het onderzoek van Top worden toegewezen. Deze kosten zijn redelijk en zijn gemaakt in het kader van de vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Daarom zijn deze kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW toewijsbaar. De wettelijke rente over deze kosten wordt toegewezen vanaf de dagvaarding (18 juli 2024) zoals gevorderd.
Buitengerechtelijke incassokosten
De door [eiseres] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar. Het gevorderde bedrag komt overeen met het daarvoor geldende tarief en voldoet aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,38
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.332,38
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 9.360,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 31 augustus 2023, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.117,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding (18 juli 2024), tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 843,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding (18 juli 2024), tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten waarvan € 1.332,38 te betalen aan [eiseres]
binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.