RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445696 / FA RK 26-1166
Datum uitspraak: 23 maart 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1951 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats] ,
advocaat mr. M.M.M. Heesmans uit Roosendaal.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 5 maart 2026;
het verweerschrift met bijlagen van mr. M.M.M. Heesmans, binnengekomen bij de rechtbank op 18 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 maart 2026. Daarbij zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
mevrouw [persoon 1] , dochter van betrokkene;
mevrouw [persoon 2] , specialist ouderengeneeskunde;
de heer [persoon 3] , specialist ouderengeneeskunde.
Tevens waren bij de mondelinge behandeling aanwezig, maar zijn niet gehoord:
mevrouw [persoon 4] , werkzaam op de afdeling;
mevrouw [persoon 5] , verpleegkundig specialist.
2. Wat vaststaat
De rechtbank heeft een rechterlijke machtiging verleend tot en met 30 april 2026. Betrokkene verblijft met deze machtiging in de [accommodatie] te [plaats] .
3. Het verzoek
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
4. De standpunten
Betrokkene geeft aan dat zij naar huis wil maar dat zij beseft dat zij hulp nodig heeft in de thuissituatie. Deze moet eerst geregeld worden. Daarnaast geeft betrokkene aan dat zij nooit een vroege vogel is geweest en altijd moeite heeft gehad om uit bed te komen. Voorts snapt ze niet waarom zij 24uurs-zorg nodig heeft.
De specialisten ouderengeneeskunde voeren, samengevat, aan dat de eerdere rechterlijke machtiging in eerste instantie is ingezet om betrokkene te beschermen na haar ongeluk zodat zij kon herstellen. Betrokkene is niet dementerend, het gaat over de stemmingswisselingen van betrokkene en haar gedrag. Er is echter geen sprake van een psychogeriatrische stoornis. Ze heeft problemen met plannen en overzicht houden. Dit past bij een geriatrisch beeld. Betrokkene heeft begeleiding nodig om te voorkomen dat betrokkene opnieuw in de problemen komt. De opzet was om betrokkene regelmatig naar huis te laten gaan waarbij wel van betrokkene werd verwacht dat zij daartoe zelf het initiatief zou nemen. De eerste keer is het geprobeerd en georganiseerd en daarna is er nooit meer actie genomen voor een tweede bezoek. Voorts geven de specialisten ouderengeneeskunde aan dat betrokkene geen acute psychische stoornis heeft, maar er wel sprake is van een chronische depressie die nu wat minder op de voorgrond staat. Betrokkene heeft profijt van haar opname door de juiste structuur en begeleiding, zij neemt hierdoor op tijd haar medicatie. Hierdoor wordt ernstig nadeel voorkomen.
De dochter van betrokkene geeft aan dat zij doodmoe wordt van het feit dat de thuissituatie niet wordt besproken. Volgens haar is de thuissituatie onhoudbaar. De thuiszorg heeft inmiddels de zorg geweigerd en betrokkene is ook niet meer welkom op de dagbesteding.
De advocaat verklaart dat betrokkene, gelet op haar medicatie en eten, aan teveel restricties zit om naar huis te kunnen. Daarnaast bepleit de advocaat afwijzing van het verzoek omdat er geen sprake is van een psychogeriatrische aandoening danwel een psychische stoornis, zij verwijst hierbij onder meer naar haar verweerschrift. Verder is er geen sprake ernstig nadeel. Voorts zijn er minder bezwarende alternatieven beschikbaar.
5. De beoordeling
De Wzd bepaalt een rechterlijke machtiging alleen kan worden verleend indien het gedrag van een betrokkene als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, danwel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan, leidt tot ernstig nadeel.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is niet gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan, leidt tot ernstig nadeel (artikel 1 lid 2 Wzd).
In de medische verklaring heeft de onafhankelijke specialist ouderengeneeskunde verklaart dat er geen sprake is van een psychogeriatrische aandoening, verstandelijke beperking danwel een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een gelijkgestelde aandoening. Een toelichting hierbij is niet gegeven en de arts heeft aan een oproeping van de rechtbank om bij de zitting aanwezig te zijn geen gehoor gegeven. Er is verder een second opinion afgegeven door dokter [persoon 6] (psychiater). Deze heeft betrokkene overgelegd als productie 1 bij haar verweerschrift. Dokter [persoon 6] concludeert dat er op dit moment geen reden is om betrokkene langer op te nemen. Er is geen sprake van acute psychiatrische problematiek. Zowel op psychiatrisch vlak als lichamelijk kan betrokkene zich voldoende behelpen met thuiszorg en poetshulp. Er is geen sprake van suïcidaliteit. Depressieve kenmerken nemen juist toe binnen een opname. Ook tijdens de mondelinge behandeling hebben beide specialist ouderengeneeskunde erkent dat er geen sprake is van psychogeriatrische aandoening bij betrokkene en dat er op dit moment geen acuut psychiatrisch beeld te zien is. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de criteria voor een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf zoals bedoeld in de Wzd. Dat er wel sprake is van somatische problematiek en problemen met inzicht en plannen maakt nog niet dat dit tot een opname kan leiden nu hier geen stoornis aan ten grondslag ligt. De omstandigheid dat zowel de dochter als de behandelaren aangeven dat er sprake is van ernstig nadeel doet daar niet aan af. De rechtbank komt aan die toetsing immers niet toe omdat het verzoek al strand bij het eerste criterium namelijk of er sprake is van psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap danwel een gelijkgestelde aandoening. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.
6. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026 door mr. Jansen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.