Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-125999-25
Parketnummers TUL: 20-001493-23 en 02-187352-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 april 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1976 in [geboorteplaats] (Turkije),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1] . [woonplaats] .
preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in [verblijfplaats] ,
raadsman mr. R.S. Vriend, advocaat te Middelburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De inhoudelijke behandeling van deze zaak is aangevangen op 31 juli 2025 en op die zitting aangehouden in afwachting van een reclasseringsrapportage. Daarna is de zaak een aantal keer pro-forma behandeld. De inhoudelijke behandeling is voortgezet op de zitting van 13 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. D.E. van Hout en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummers.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: in de periode van 22 maart 2025 tot en met 21 april 2025 bij acht bedrijven in Breda heeft ingebroken en daar geld en/of goederen heeft gestolen;
feit 2: in de periode van 19 april 2025 tot en met 21 april 2025 een bestelauto heeft gestolen;feit 3: in de periode van 21 april tot en met 22 april 2025 bij twee bedrijven in Oosterhout heeft ingebroken en daar geld en/of goederen heeft gestolen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen. Wel verzoekt zij verdachte partieel vrij te spreken van de diefstal van de twee horloges, de hoeveelheid goud, de laptop, de airpod en de twee telefoons bij [bakkerij 1] (feit 1) en de diefstal van de reservesleutel van de elektrische bezorgfiets bij [bedrijf 1] (feit 3). Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte deze goederen heeft weggenomen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de feiten 1 en 3 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen op onderdelen van een paar aangiften na: bij [autobedrijf] € 3.000,- en uitleesapparatuur (feit 1), bij [bakkerij 2] meer dan € 300,- (feit 1), bij [bakkerij 1] meer dan € 300,- twee horloges, een laptop, pinapparaten, een airpod en twee telefoons (feit 1) en bij [bedrijf 1] meer dan € 200,- en een reservesleutel van een elektrische bezorgfiets (feit 3). Verdachte moet hiervan partieel worden vrijgesproken. De verdediging bepleit vrijspraak van feit 2, nu het bewijs daarvoor ontbreekt en verdachte ontkent de bestelauto te hebben weggenomen.
Het oordeel van de rechtbank
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Aangezien verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 31 juli 2025;
de aangifte van [aangever 1] namens [eethuis] van 22 maart 2025 (pagina 25 e.v. van het eindproces-verbaal);
de aangifte van [aangever 2] namens [restaurant] van 23 maart 2025(pagina 75 e.v. van het eindproces-verbaal);
de aangifte van [aangever 3] namens [cafetaria 1] van 9 april 2025(pagina 106 e.v. van het eindproces-verbaal);
de aangifte van [aangever 4] namens [autobedrijf] van 7 april 2025
(pagina 136 e.v. van het eindproces-verbaal);
de aangifte van [aangever 5] namens [pizzeria] van 11 april 2025(pagina 152 e.v. van het eindproces-verbaal);
de aangifte van [aangever 6] namens [bakkerij 2] van 17 april 2025(pagina 182 e.v. van het eindproces-verbaal)
de aangifte van [aangever 7] namens [bakkerij 1] van 19 april 2025(pagina 209 van het eindproces-verbaal)
de aangifte van [aangever 8] namens [cafetaria 2] van 21 april 2025(pagina 234 van het eindproces-verbaal).
Feit 2
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hoewel het dossier tal van aanwijzingen bevat die naar verdachte wijzen, kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat verdachte ook daadwerkelijk degene is geweest die de bestelauto heeft gestolen. Verdachte heeft op de zitting van 31 juli 2025 verklaard dat hij wel in de bestelauto heeft gereden, maar dat iemand anders deze heeft gestolen. Hij was er niet bij toen die persoon de bestelauto meenam. Hij is pas verderop in de bestelauto gestapt. Het enkele feit dat verdachte in de buurt was toen de bestelauto werd gestolen, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van diefstal te komen. De rechtbank zal verdachte dan ook van de diefstal van de bestelauto vrijspreken.
Feit 3
Aangezien verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 31 juli 2025;
de aangifte van [aangever 9] namens [bedrijf 1] van 21 april 2025 (pagina 256 van het eindproces-verbaal);
de aangifte van [aangever 10] namens [cafetaria 3] van 22 april 2025(pagina 308 van het eindproces-verbaal).
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
in de periode van 22 maart 2025 tot en met 21 april 2025 te Breda een contant geldbedrag (totaal ongeveer 20) en een laptop (merk HP), die aan [eethuis] (gevestigd aan de [adres 2] ) toebehoorden,
en een contant geldbedrag (totaal ongeveer 200 euro), dat aan [restaurant] ,
(gevestigd aan de [adres 3] ) toebehoorde,
en een contant geldbedrag (totaal ongeveer 400 euro), dat aan [cafetaria 1] , (gevestigd aan de [adres 4] ) toebehoorde,
en een laptop, die aan [autobedrijf] (gevestigd aan de [adres 5] ) toebehoorde,
en een kassalade en een contant geldbedrag, die aan [pizzeria] (gevestigd aan het [adres 6] ) toebehoorden,
en een kassa met daarin contant geldbedrag, die aan [bakkerij 2] (gevestigd aan de [adres 7] ) toebehoorde,
en een kassa met daarin een contant geldbedrag, die aan [bakkerij 1] (gevestigd aan de [adres 8] ) toebehoorde,
en een fooienpot, die aan [cafetaria 2] , (gevestigd op [adres 9] ) toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
3
in de periode van 21 april 2025 tot en met 22 april 2025 te Oosterhout een kassalade met daarin een contant geldbedrag, die aan de [bedrijf 1] , (gevestigd aan de [adres 10] ) toebehoorde, en een kassalade met daarin een contant geldbedrag (van totaal ongeveer 125 euro), die aan de [cafetaria 3] (gevestigd aan de [adres 11] ) toebehoorde,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van
36 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 26 maart 2026.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij het bepalen van (de hoogte van) de op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals uitgebreid beschreven in het Pro Justitia-rapport en het reclasseringsadvies. Ook moet worden meegewogen dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten verminderd toerekeningsvatbaar was en dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en openheid van zaken heeft gegeven. Gelet hierop verzoekt de verdediging een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daaraan de bijzondere voorwaarden te koppelen zoals geadviseerd door de reclassering, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Het is van belang dat verdachte zo snel mogelijk met de opname en behandeling kan starten.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan tien bedrijfsinbraken. Hij is daarbij telkens op dezelfde wijze te werk gegaan. Hij heeft ’s nachts met een baksteen een ruit van het bedrijfspand ingegooid om zo naar binnen te komen en is vervolgens in het pand op zoek gegaan naar geld of andere spullen die hij zou kunnen verkopen. Verdachte deed dit om zijn verslavingsschuld af te lossen. Om makkelijk en snel aan geld te komen, heeft hij hardwerkende ondernemers schade en ongemak bezorgd en geen respect getoond voor hun eigendommen. En dit was niet de eerste keer in het leven van verdachte.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat er sprake is van veelvuldige recidive van vermogensdelicten. Hij liep bovendien nog in twee proeftijden van eerdere veroordelingen. Dit heeft verdachte er echter niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Dat gedrag is verklaarbaar gelet op het Pro Justitia-rapport over verdachte van [psycholoog] van 24 maart 2026.
De psycholoog concludeert dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, een depressieve stoornis en zwakbegaafdheid. Daarnaast is er sprake van een ernstige verslaving aan cocaïne, cannabis en alcohol. Deze problematiek was, afgezien van de depressieve stoornis, ook aanwezig op het moment dat verdachte de bedrijfsinbraken pleegde en beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen. Daarom adviseert de psycholoog om het bewezenverklaarde op zijn minst in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusies en het advies van de deskundige over.
De psycholoog schat het risico op herhaling in de toekomst in als hoog. Bij verdachte is sprake van ernstige verslavingsproblematiek, die momenteel slechts in remissie is nu hij in de Penitentiaire Inrichting in [verblijfplaats] verblijft. Om het risico op recidive tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen, is een behandeling nodig in een forensische verslavingskliniek. De psycholoog adviseert om deze behandeling als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen om verdachte optimaal te motiveren.
In aansluiting op het rapport van de psycholoog blijkt uit het reclasseringsadvies 7 oktober 2025 en de aanvulling daarop van 26 maart 2026 dat verdachte op vrijwel alle leefgebieden met problemen kampt. Zo heeft hij geen huisvesting, geen werk, geen inkomen en geen steunend sociaal netwerk. Zijn sociaal netwerk bestaat voornamelijk uit criminele en/of verslaafde kennissen. Ook is er sprake van psychische problematiek en een ernstige drugs- en alcoholverslaving. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Verdachte heeft de afgelopen jaren niet anders gedaan dan stelen. Het is van belang dat verdachte wordt behandeld voor zijn psychische en verslavingsproblematiek. Om die reden adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling, de verplichting mee te werken aan het vinden en behouden van dagbesteding en de verplichting mee te werken aan middelencontrole.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In deze zaak is sprake is van veelvuldige recidive. Bij veelvuldige recidive gaan de LOVS-oriëntatiepunten bij één inbraak in een bedrijfspand uit van een gevangenisstraf van vier maanden. Gelet op de open proceshouding van verdachte en omdat de feiten verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend, zal de rechtbank in het voordeel van verdachte uitgaan van een gevangenisstraf van drie maanden per inbraak.
Gezien de problematiek van verdachte acht de rechtbank het noodzakelijk dat hij klinisch wordt behandeld. Ter zitting is gebleken dat verdachte gemotiveerd is om zijn leven anders vorm te geven en hij is bereid zich aan alle bijzondere voorwaarden te houden. Hij heeft bij de psycholoog voor het eerst over traumatische gebeurtenissen uit zijn jeugd gesproken en is vastberaden nu een nieuwe weg in te slaan zonder strafbare feiten. De rechtbank neemt daarom het advies over om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, zodat de bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd die behandeling van verdachte mogelijk maken om het recidiverisico te verminderen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is en zal dit dan ook aan verdachte opleggen. Hiermee zal verdachte een stevige stok achter de deur hebben om te voorkomen dat hij (nogmaals) strafbare feiten pleegt. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel ook de bijzondere voorwaarden verbindingen zoals door de reclassering geadviseerd. De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte de kans die hem nu wordt geboden met beide handen aangrijpt en hoopt dat hij aansluitend aan zijn detentie kan worden opgenomen in een kliniek.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7. Het beslag
De bewaring voor de rechthebbende
Voor de in beslag genomen kinderfiets wordt de bewaring gelast ten behoeve van de rechthebbende, omdat geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.
8. De vorderingen van de benadeelde partijen
De vordering van de benadeelde partij [eethuis]
De benadeelde partij [eethuis] vordert een schadevergoeding van € 1.950,- voor
feit 1.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij slechts een summier onderbouwde schatting van de schade heeft gegeven en de verdediging de vordering gemotiveerd heeft betwist. Zonder nadere toelichting en onderbouwing van de vordering kan de rechtbank de hoogte van de schade niet vaststellen of schatten. De rechtbank acht het een onevenredige belasting van het strafgeding om de zaak aan te houden om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen om de vordering alsnog nader te onderbouwen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in deze vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De vordering van de benadeelde partij [restaurant]
De benadeelde partij [restaurant] vordert een schadevergoeding van € 200,- voor
feit 1.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
De door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank in zijn geheel toewijsbaar. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal daarbij de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten 23 maart 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
De vordering van de benadeelde partij [cafetaria 1]
De benadeelde partij [cafetaria 1] vordert een schadevergoeding van € 2.529,85, waarvan € 529,85 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, voor feit 1.
De totale materiële schade bedraagt € 1.292,01 en bestaat uit:
Kassalade € 121,06 (inclusief BTW)
Kassa geld € 400,-
Raam afdichten € 353,63
Nieuwe raam plaatsen € 417,32
Hiervan is een bedrag van € 762,16 vergoed. Dit bedrag bestaat uit:
Ruit reparatie € 344,90
Raam afdichten € 292,26
Geld € 125,-
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat [cafetaria 1] een bedrijf betreft en de BTW kan verrekenen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat enkel de schade exclusief BTW voor vergoeding in aanmerking komt.
De door de benadeelde partij gevorderde materiële schade acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 375,05 (€ 275,- voor het kassa geld en € 100,05 voor de kassalade exclusief BTW). Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de materiële schade voor het overige afwijzen, nu die schade door de verzekering is vergoed.
Immateriële schade
De rechtbank zal ook de vordering tot vergoeding van de immateriële schade afwijzen. De wet geeft slechts in bepaalde gevallen recht op vergoeding van immateriële schade. De door de benadeelde partij gestelde negatieve publiciteit valt daar niet onder.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal over de toegewezen (materiële) schade de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten 26 maart 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
9. De vorderingen tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 60 dagen
die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van
31 januari 2024 en de voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant ten uitvoer zullen worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbaar feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden.
Gelet hierop kunnen de vorderingen tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal ze echter afwijzen, omdat zij het van belang vindt dat verdachte zo spoedig mogelijk na het uitzitten van zijn straf voor de huidige zaak met de behandeling kan starten.
10. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14, 14b, 14c, 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
11. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;
feit 2: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden
voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich binnen 48 uur na het ingaan van de proeftijd telefonisch meldt bij Novadic-Kentron op het telefoonnummer 076-5236300. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;* dat verdachte zich laat opnemen in een forensische kliniek gericht op de verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek of soortgelijke instantie, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start aansluitend op zijn huidige detentie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslaving, waarbij ook rekening wordt gehouden met de beperkte intellectuele capaciteiten. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;* dat verdachte, indien geïndiceerd, zich laat (na)behandelen door een nog nader te bepalen forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend op het klinische behandeltraject. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol, cannabis en cocaïne. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welke controlemiddel wordt gecontroleerd;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partijen
T.a.v. feit 1
[eethuis]
- verklaart de benadeelde partij [eethuis] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
[restaurant]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [restaurant] van € 200,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [restaurant] , € 200,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 23 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 2 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[cafetaria 1]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [cafetaria 1] van
€ 375,05, aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[cafetaria 1] , € 375,05 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 3 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen voorwerp, te weten:* 1 STK kinderfiets (omschrijving: Cortina);
Vorderingen tenuitvoerlegging
- wijst de vorderingen tot tenuitvoerlegging af;
Voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde straf.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Donders, voorzitter, en
mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. R.J.H. de Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 april 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij in of omstreeks de periode van 22 maart 2025 tot en met 21 april 2025 te Breda,
althans in Nederland,
een contant geldbedrag (totaal ongeveer 20 en/of 25 euro) en/of een laptop (merk
HP), in elk geval enig geldbedrag en/of goed, dat/die geheel of ten dele aan
[eethuis] (gevestigd aan de [adres 2] ), in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) en/of
een contant geldbedrag (totaal ongeveer 200 euro), in elk geval enig
geldbedrag/goed, dat/die geheel of ten dele aan [restaurant] , (gevestigd aan
de [adres 3] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) en/of
een contant geldbedrag (totaal ongeveer 400 euro), in elk geval enig
geldbedrag/goed, dat/die geheel of ten dele aan [cafetaria 1] ,
(gevestigd aan de [adres 4] ), in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) en/of
een contant geldbedrag (totaal ongeveer 3000 euro), en/of een laptop en/of uitlees
apparatuur voor auto's (merk snap-on) in elk geval enig geldbedrag/goed, dat/die
geheel of ten dele aan [autobedrijf] (gevestigd aan de [adres 5] ) en/of
een kassalade en/of een contant geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten dele aan [pizzeria] (gevestigd aan het [adres 6] ) en/of
een kassa met daarin contant geldbedrag (totaal van ongeveer 450-500 euro), in elk
geval enig geldbedrag/goed, dat/die geheel of ten dele aan [bakkerij 2]
(gevestigd aan de [adres 7] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
en/of
een kassa met daarin een contant geldbedrag (van totaal ongeveer 2000 euro) en/of
twee horloges en/of een hoeveelheid goud (van totaal 200 gram) en/of een laptop
en/of pinapparaten en/of een airpod en/of twee telefoons, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [bakkerij 1] (gevestigd aan de
[adres 8] ) en/of
een fooienpot, in elk geval enig geldbedrag/goed, dat/die geheel of ten dele aan
[cafetaria 2] , (gevestigd op [adres 9] ), in elk geval aan een ander
toebehoorde(n),
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of
die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
en/of verbreking en/of inklimming;
( art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )
2
hij in of omstreeks 19 april 2025 tot en met 21 april 2025 te Breda, althans in
Nederland, een bestelauto (Merk Ford Transit [kenteken] , in elk geval enig
goed, dat/die geheel of ten dele aan [persoon] , in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen;
( art 310 Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks de periode van 21 april 2025 tot en met 22 april 2025 te
Oosterhout, althans in Nederland,
een kassalade met daarin een contant geldbedrag (van totaal ongeveer 300 euro)
en/of een reservesleutel van elektrische bezorgfiets en/of een laptop, in elk geval
enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [bedrijf 1] , (gevestigd aan de
[adres 10] ) en/of
een kassalade met daarin een contant geldbedrag (van totaal ongeveer 125 euro),
dat/die geheel of ten dele aan de [cafetaria 3] (gevestigd aan de
[adres 11] ),
in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de
plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn
bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
( art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )