Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-106748-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 april 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum] 2006,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
raadsman mr. S.J. Nijssen, advocaat te Goes.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Namens de benadeelde partij heeft mr. P.G. Grijpstra, advocaat te Eindhoven, de vordering tot schadevergoeding toegelicht.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster [aangeefster] heeft verkracht en aangerand. De verklaring van aangeefster is betrouwbaar en consistent, en vindt steun in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en het rapport van de psycholoog.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van beide feiten. Het dossier bevat geen steunbewijs voor de ten laste gelegde dwang door middel van (bedreiging met) geweld of (bedreiging met) een andere feitelijkheid en ook niet voor het seksueel binnendringen en de ontuchtige handelingen zoals ten laste gelegd. Verdachte dient te worden vrijgesproken van beide feiten.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Bewijsminimum
In zedenzaken zijn doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de verdachte. Indien de verdachte ontkent, moet de rechtbank beoordelen of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan onder meer worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring van verkrachting niet is vereist dat de verkrachting als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het voldoende is dat de verklaring van degene die de belastende verklaring heeft afgelegd (in dit geval aangeefster) op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan de aangeefster. Tussen de verklaring van de aangeefster en dat overige bewijsmateriaal mag niet een te ver verwijderd verband bestaan.
Verklaring aangeefster
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte, getuige [getuige 2] en zijzelf op 25 februari 2024 bij getuige [getuige 1] logeerden in verband met de verjaardag van die [getuige 1] . Zij sliepen met z’n vieren op matrassen in de woonkamer. Toen ze gingen slapen, lagen aangeefster en verdachte naast elkaar. Verdachte begon haar te zoenen, waarna aangeefster haar hoofd naar achteren trok. Zij kon haar hoofd niet snel genoeg wegtrekken om het zoenen te voorkomen. Vervolgens draaide aangeefster zich om en heeft zij zich met haar rug naar verdachte toegedraaid. Hij pakte haar vast, waardoor ze geen kant op kon, en begon haar aan te raken bij haar borsten. Zij zei toen dat ze dat niet wilde en dat hij moest stoppen. Vervolgens is hij met zijn hand naar beneden gegaan. Met de ene hand had hij haar zo vastgeklemd dat zij niet weg kon. Met zijn andere hand is hij naar beneden gegaan en is hij vervolgens met zijn vinger haar vagina binnengedrongen. Aangeefster bleef zeggen dat ze dit niet wilde en [getuige 2] heeft toen volgens haar gezegd “volgens mij wil iemand dit niet, moet je niet ophouden?” Toen [getuige 1] naar de wc ging, heeft aangeefster met haar elleboog een duw in de buik van verdachte gegeven. Hij liet toen los. Aangeefster is achter [getuige 1] aangelopen en heeft haar huilend verteld dat verdachte aan haar had gezeten. Daarna is aangeefster op een ander matras gaan liggen, zodat ze niet meer naast verdachte lag.
De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Zij heeft bij het informatieve gesprek zeden en tijdens haar verhoor bij de politie consistent (grotendeels) hetzelfde verhaal verteld.
Steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster op meerdere onderdelen wordt ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Uit beide getuigenverklaringen volgt dat aangeefster en verdachte naast elkaar hebben gelegen. Uit de verklaring van [getuige 2] volgt dat verdachte en aangeefster hebben gezoend en dat verdachte ook tegen hem heeft gezegd dat zij hebben gezoend. Ook volgt uit zijn verklaring dat hij aangeefster iets heeft horen zeggen in de trant van “ik wil dit niet, je moet stoppen”. Verder heeft hij verklaard dat hij toen heeft gezegd “Is het gezellig?” Uit de verklaring van [getuige 1] volgt dat [getuige 2] tegen verdachte en aangeefster zou hebben gezegd “niet stiekem vieze dingetjes doen he”. Hoewel de verklaringen van aangeefster, [getuige 2] en [getuige 1] wisselend zijn over wat [getuige 2] precies heeft gezegd, volgt uit alle verklaringen wel dat hij iets heeft gezegd in reactie op het contact tussen aangeefster en verdachte en dat uit zijn reactie blijkt dat hij de indruk had dat er sprake was van intiem contact tussen hen. Verder volgt uit de verklaring van [getuige 1] (tegenover de politie) dat aangeefster en zijzelf samen naar de wc zijn gegaan en dat aangeefster toen huilde. Tot slot hebben [getuige 1] en [getuige 2] allebei verklaard dat er daarna van slaapplek is gewisseld.
Uit het voorgaande volgt dat de verklaring van aangeefster op belangrijke onderdelen steun vindt in de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . Wat zij hebben verklaard, staat naar het oordeel van de rechtbank niet in een te ver verwijderd verband tot de verklaring van aangeefster.
Verklaring verdachte
Tegenover de verklaringen van aangeefster en het hiervoor genoemde steunbewijs, staat de verklaring van verdachte dat aangeefster en hijzelf op geen enkel moment naast elkaar hebben gelegen en dat er tussen hen helemaal niets (seksueels) is gebeurd. Gelet op de verklaringen van aangeefster en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , acht de rechtbank deze verklaring ongeloofwaardig.
Conclusie
Gelet op de verklaring van aangeefster en het hiervoor genoemde steunbewijs in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster door middel van geweld, namelijk door haar vast te pakken en vast te houden, heeft gedwongen tot het ondergaan van het seksueel binnendringen van haar lichaam met zijn vinger en het dulden van ontuchtige handelingen door haar te zoenen en haar borsten te betasten.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1op 25 februari 2024 te [plaats] , gemeente Borsele, door geweld, [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , hebbende verdachte zijn vinger in de vagina van die [aangeefster] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld uit het vastpakken en vasthouden van die [aangeefster] en ondanks protesten van die [aangeefster] onverhoeds duwen/brengen van zijn vinger in de vagina van die [aangeefster] ;
2op 25 februari 2024 te [plaats] , gemeente Borsele, door geweld, [aangeefster] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, hebbende verdachte die [aangeefster] gezoend en de borsten van die [aangeefster] betast en bestaande dat geweld uithet onverhoeds zoenen van die [aangeefster] en het vastpakken en vasthouden van die [aangeefster] en vervolgens onverhoeds betasten van de borsten van die [aangeefster] .
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de strafoplegging.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting en aanranding van aangeefster. Ten tijde van de feiten waren zij goede vrienden van elkaar. Toen zij beiden bij een gezamenlijke vriendin logeerden, heeft hij aangeefster onder dwang gezoend, haar borsten betast en zijn vinger in haar vagina gebracht. Verdachte heeft door zo te handelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke delicten daarvan later ernstige nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de stukken die bij de vordering tot schadevergoeding zijn gevoegd, blijkt dat dit nu al het geval is: uit het verslag van de psycholoog bij wie aangeefster onder behandeling is, volgt dat zij na het incident onder andere last heeft van concentratieproblemen, piekeren, gevoelens van onveiligheid, slaapproblemen en paniekaanvallen. Ook uit de namens aangeefster afgelegde slachtofferverklaring blijkt hoeveel impact de feiten hebben gehad op haar.
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de feiten sprake is van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht. De verschillende bewezen verklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen hangen (ook met betrekking tot het 'wilsbesluit') zo nauw met elkaar samen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet of slechts enigszins uiteenloopt.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij woont bij zijn ouders, werkt als hovenier en gaat een dag per week naar school. Hij wil een opleiding volgen tot leidinggevend voorman.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de jonge leeftijd van verdachte. Hij was net 18 jaar ten tijde van de feiten. Hoewel formeel gezien geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn omdat nog geen twee jaar zijn verstreken sinds het eerste verhoor van verdachte, houdt de rechtbank wel rekening met het aanzienlijke tijdsverloop sinds de strafbare feiten.
Gelet op de aard en ernst van de feiten, de persoon van verdachte, de hiervoor genoemde omstandigheden en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Met het voorwaardelijk strafdeel beoogt de rechtbank verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 15.257,40 voor feit 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat is bewezen dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade als gevolg van dit onrechtmatig handelen te vergoeden.
De materiele schade, bestaande uit de reiskosten voor behandeling bij de psycholoog (een bedrag van € 200,64), is voldoende onderbouwd en niet betwist. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom toewijzen.
Op grond van vaste rechtspraak betreffen reiskosten voor bezoeken aan het politiebureau voor het doen van aangifte geen rechtstreekse materiële schade als gevolg van een strafbaar feit en komen deze kosten dus niet in aanmerking voor vergoeding. De rechtbank zal dit deel van de vordering (een bedrag van € 56,76) dan ook afwijzen.
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 15.000,= aan immateriële schadevergoeding gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van het toe te kennen bedrag acht geslagen op de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de gevolgen voor de benadeelde partij zoals is gebleken uit de onderbouwing van de vordering. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal, waarbij de rechtbank van oordeel is dat de verkrachting valt onder de categorie ‘tamelijk ernstig’, waarvoor een bandbreedte van € 2.500,= tot € 7.500,= wordt genoemd. Alles afwegend acht rechtbank vergoeding van een bedrag van € 3.000,= billijk.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank dus toewijsbaar tot een bedrag van € 3.200,64, waarvan € 200,64 materiële schade en € 3.000,= immateriële schade.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vaststaan, omdat (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ook zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen, vanaf het tijdstip dat de schade is ontstaan. Voor wat betreft de immateriële schade is dat het moment waarop het feit werd gepleegd, te weten 25 februari 2024. Ten aanzien van de materiële schade geldt dat de schade op verschillende momenten is ontstaan in de periode van 25 september 2024 tot en met 29 juli 2025. De rechtbank zal de wettelijke rente schattenderwijs toewijzen met ingang van 1 maart 2025, een datum gelegen in het midden van die periode.
De rechtbank zal verder de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
voortgezette handeling van:
feit 2: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, en
feit 1: verkrachting;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden, waarvan 3 (drie) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Benadeelde partij
T.a.v. feit 1 en 2
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 3.200,64, waarvan € 3.000,= aan immateriële schade en € 200,64 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 25 februari 2024 voor wat betreft de immateriële schade en vanaf 1 maart 2025 voor wat betreft de materiële schade, tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten van en naar de politie (een bedrag van € 56,76) af;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering (tot immateriële schadevergoeding) niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] , € 3.200,64 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 25 februari 2024 voor wat betreft de immateriële schade en vanaf 1 maart 2025 voor wat betreft de materiële schade, tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 32 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter,
en mr. G.H. Nomes en mr. B. Akdikan, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 april 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1hij op of omstreeks 25 februari 2024 te [plaats] , gemeente Borseledoor geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een anderefeitelijkheid,[aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meerhandelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueelbinnendringen van het lichaam van die [aangeefster] ,hebbende verdachte zijn vinger(s) in de vagina van die [aangeefster]geduwd/gebracht en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/ofbedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid uit het vastpakken en/ofvasthouden van die [aangeefster] en/of ondanks protesten van die [aangeefster]onverhoeds duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] ;
( art 242 Wetboek van Strafrecht )
2hij op of omstreeks 25 februari 2024 te [plaats] , gemeente Borsele,door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een anderefeitelijkheid,[aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een ofmeer ontuchtige handelingen, hebbende verdachte die [aangeefster] gezoenden/of de borsten van die [aangeefster] betast en bestaande dat geweld en/of dieandere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid uithet onverhoeds zoenen van die [aangeefster] en/of het vastpakken en/ofvasthouden van die [aangeefster] en/of vervolgens onverhoeds betasten van deborsten van die [aangeefster] ;
( art 246 Wetboek van Strafrecht )