ECLI:NL:RBZWB:2026:3306

ECLI:NL:RBZWB:2026:3306

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 02-330079-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Minderjarige verdachte veroordeeld voor (medeplegen) brandstichting aan een woning door middel van het plaatsen van vuurwerkbommen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd

Zittingsplaats: Breda

parketnummers: 02-330079-24, 02-050402-25 (TTZ GEV)

vonnis van de meervoudige kamer van 23 april 2026

in de strafzaak tegen de minderjarige

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats]

wonende te [woonadres]

raadsman mr. P.C. Schouten, advocaat te Breda

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 9 april 2026, waarbij de officier van justitie, mr. I. van Hemert, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 12 oktober 2024 in [plaats 1] samen met een of meer anderen een ontploffing heeft veroorzaakt in/bij een woning (02-330079-24) en dat hij op dezelfde dag in [plaats 2] illegaal vuurwerk in zijn bezit had (02-050402-25).

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen. De verdediging refereert zich eveneens aan het oordeel van de rechtbank betreffende het in bezit hebben van illegaal vuurwerk.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.

Bewijsoverweging 02-330079-24

Levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel?

De vraag die moet worden beantwoord, is of door de ontploffing en de daaruit ontstane brand in dit specifieke geval en onder de onderhavige feiten en omstandigheden, naast gevaar voor goederen, ook levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, zoals bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht. Zodanig gevaar kan aangenomen worden als uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Aan de voorzijde van de woning gelegen aan [adres ] , bij de voordeur, zijn twee vuurwerkbommen tot ontploffing gebracht, bestaande uit meerdere cobra’s met daaraan meerdere bevestigde flessen wasbenzine. Door de ontploffing is in de gang bij de voordeur van de woning brand ontstaan. De doorloopmat bij de voordeur, een vloeistof die de hal inliep en het voordeurkozijn stonden in brand. Aan de binnenzijde van de voordeur was een grote zwarte roetvlek te zien. Ten tijde van de ontploffing waren aangeefster en haar twee kinderen in de woning aanwezig. Aangeefster zat op de bank in de woonkamer. De woonkamer bevindt zich direct naast de gang en de bank stond tegen de muur die aan de gang grenst. De zoon van aangeefster bevond zich in de kamer boven de voordeur en de dochter van aangeefster was beneden in een kamer onder de woonkamer.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat het afsteken van een vuurwerkbom die bestaat uit zwaar illegaal vuurwerk met daaraan vastgemaakt een fles met brandversnellende vloeistof een grote explosieve kracht heeft en potentieel veel schade kan aanrichten voor goederen en personen die zich in de directe omgeving van de ontploffing bevinden. Het optreden van levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel is dan ook een te voorzien gevolg wanneer een dergelijke vuurwerkbom tot ontploffing wordt gebracht in de nabijheid van een woning waarin zich personen bevinden. Dit gevaar is hier ook daadwerkelijk ontstaan. Door de ontploffing is immers brand in de gang bij de voordeur van de woning ontstaan, die had kunnen overslaan naar plekken in de woning waar aangeefster en haar twee kinderen zich bevonden, zeker nu er gebruik is gemaakt van een brandversnellende vloeistof. Aangeefster bevond zich zelfs op enkele meters van de brand. De rechtbank is daarmee van oordeel dat sprake was van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige drie bewoners.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

02-330079-24

op 12 oktober 2024 te [plaats 1] , gemeente Altena, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door:

meerdere cobra’s, met daaraan meerdere bevestigde flessen wasbenzine, aan te steken en tegen de voordeur aan de voorzijde van een woning (aan de [adres ] ) te zetten ten gevolge waarvan een ontploffing en een brand in/aan een woning (gelegen aan de [adres ] ) is ontstaan, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten een woning (aan de [adres ] ) en

- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten

[aangeefster] en overige in de woning aanwezige personen, te duchten was;

02-050402-25

op 12 oktober 2024, te [plaats 2] , gemeente Altena, opzettelijk vuurwerk, te weten 45 nitraten en 2 Cobra Zessen, voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 122 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van één jaar, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Daarnaast vordert de officier van justitie om aan verdachte een werkstraf van 200 uren op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, de positieve proceshouding van verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en het advies van de Raad waaruit blijkt dat de inzet van hulpverlening prevaleert boven het opleggen van een jeugddetentie.

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met een of meer anderen schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing door het afsteken van twee vuurwerkbommen tegen de voordeur van een woning. Daardoor is schade ontstaan aan de voordeur en de hal van de woning. Verdachte mag van geluk spreken dat dit de enige schade is die mede als gevolg van zijn handelen is ontstaan. Het had heel anders kunnen aflopen wanneer het aangeefster niet was gelukt om de brand zo snel te blussen.

Het teweegbrengen van ontploffingen is tegenwoordig aan de orde van de dag en heeft vaak tot doel om personen te intimideren. Het is een groot en toenemend maatschappelijk probleem. Dergelijke feiten raken niet alleen aan de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Het teweegbrengen van een ontploffing bij/in een woning is een zeer ernstig feit. Niet alleen vanwege de schade die wordt aangericht aan en in de woning, waarbij er spullen onherstelbaar en onvervangbaar worden vernield, maar ook doordat het gevoel van veiligheid van de bewoners blijvend en in vergaande mate wordt aangetast, zoals aangeefster in haar slachtofferverklaring ter terechtzitting zeer treffend heeft verwoord. Zij en haar kinderen hebben tot op de dag last van angsten en gevoelens van onveiligheid. Het heeft bovendien een grote impact op het gehele gezin gehad.

Verdachte heeft het feit gepleegd omdat hij naar eigen zeggen al jarenlang werd gepest, bedreigd en afgeperst door [de zoon van aangeefster] , die ook in de woning aanwezig was. Verdachte wilde hem intimideren om ervoor te zorgen dat de bedreigingen en afpersingen nu eindelijk eens zouden stoppen. Als hiervan daadwerkelijk sprake was en hij in een daad van wanhoop heeft gehandeld, dan gaat deze reactie naar het oordeel van de rechtbank alle proporties te buiten. Verdachte heeft kennelijk geen moment stilgestaan bij de gevolgen die een dergelijke daad zou kunnen hebben. De rechtbank is tevens van oordeel dat er geen sprake is van handelen in een opwelling. Verdachte heeft immers langer met de gedachte rond gelopen om een vuurwerkbom bij de woning af te steken en heeft dan ook de kans gehad om zich te bedenken, hetgeen hij niet heeft gedaan.

Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee Cobra’s en 45 nitraten, zijnde professioneel vuurwerk waarvan het particulier gebruik zonder vergunning verboden is. Het vuurwerk was opgeslagen in de schuur van verdachte nabij de woning, met alle risico’s van dien voor de personen en goederen in de omgeving. Door zijn handelwijze heeft verdachte aanzienlijke veiligheidsrisico’s genomen.

De persoon van verdachte

Verdachte was zestien jaar oud ten tijde van het plegen van de feiten en is ten tijde van het wijzen van dit vonnis zeventien jaar oud. Verdachte heeft twee dagen in voorlopige hechtenis gezeten en deze hechtenis is vervolgens geschorst onder algemene en bijzondere voorwaarden, waaronder een periode van (maximaal) zes maanden huisarrest. Verdachte is volgens zijn strafblad van 24 februari 2026 niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

Uit het rapport van de Raad van 2 april 2026 volgt dat verdachte zich er inmiddels van bewust is dat wat hij heeft gedaan niet kan en dat hij anders had moeten handelen. Verdachte heeft ook ingezien dat er iets moest veranderen in zijn leven en hij heeft hier de afgelopen anderhalf jaar hard aan gewerkt met behulp van begeleiding en therapie. Verdachte heeft zijn leven inmiddels positief ingericht. Hij werkt fulltime, heeft een vriendin en hij heeft toekomstplannen. Ook heeft hij afstand gedaan van zijn antisociale contacten. Deze positieve wending dient volgens de Raad niet te worden doorkruist door het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Om ervoor te zorgen dat verdachte zijn positieve lijn voortzet en de kans op recidive te verkleinen, vindt de Raad voortzetting van hulpverlening en toezicht van de jeugdreclassering hierop nodig. Om te benadrukken dat wat verdachte heeft gedaan echt niet kan en dat dit handelen consequenties heeft, adviseert de Raad om aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden het blijven meewerken aan hulpverlening, het meewerken aan aanvullende hulpverlening en een meldplicht. De zittingsvertegenwoordiger van de Raad heeft hier op zitting aan toegevoegd dat volstaan kan worden met een proeftijd van één jaar, omdat verdachte al anderhalf jaar erg hard aan zichzelf heeft gewerkt en zich goed aan de voorwaarden heeft gehouden.

De jeugdreclassering heeft op zitting aangegeven de positieve lijn van verdachte ook te hebben waargenomen. Daarbij is gezien dat verdachte hard aan zichzelf heeft gewerkt. Verdachte heeft aangegeven te willen toewerken naar zelfstandig wonen met behulp van ambulante begeleiding. De jeugdreclassering wil hem hier de komende periode in bijstaan. De jeugdreclassering kan zich vinden in het advies van de Raad.

De strafoplegging

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de persoon van verdachte.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de, weliswaar beperkte, overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank is van oordeel dat voor feiten als de onderhavige in beginsel niets anders passend is dan een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Niet alleen omdat de ernst van deze feiten dit vraagt en vanwege het gemak waarmee verdachte de feiten heeft gepleegd, maar juist ook om een preventieve werking te laten uitgaan naar anderen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de straf zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden is. De rechtbank zal aan verdachte dan ook opleggen een jeugddetentie voor de duur van 122 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar. De rechtbank zal hierbij de bijzondere voorwaarden opleggen, zoals geadviseerd door de Raad. Teneinde de ernst van de feiten te benadrukken, zal de rechtbank naast een grotendeels voorwaardelijke jeugddetentie ook een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen van 200 uren.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7. De benadeelde partij

De rechtbank overweegt dat een benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon (vgl. Hoge Raad 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465).

De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte het feit (parketnummer 02-330079-24) heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partijen en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

[aangeefster]

De benadeelde partij [aangeefster] vordert voor het feit met parketnummer 02-330079-24 een schadevergoeding van € 7.605,00 bestaande uit € 150,- materiële schade en € 7.500,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Materieel

Het materiële schadebedrag van € 105,- bestaat uit therapiekosten. De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Deze schadepost is door de verdediging gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven dit deel van de vordering nader te onderbouwen, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

Immaterieel

De benadeelde partij is ’s avonds laat, in haar eigen woning, geconfronteerd met een enorme explosie, doordat tegen haar voordeur, binnen enkele meters van de plek waar zij zat, vuurwerkbommen tot ontploffing zijn gebracht, waarna er brand aan de voordeur en in de hal van de woning is ontstaan. Op dat moment waren ook haar twee kinderen thuis en ontstond een enorm beangstigende en chaotische situatie. Dit heeft een enorme impact gehad op de benadeelde partij waar zij tot op de dag van vandaag last van heeft. Nog steeds heeft zij angst dat dit opnieuw zal gebeuren. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending, zoals hiervoor benoemd, meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon dient te worden aangenomen. Gelet op alle omstandigheden en rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 3.500,- billijk.

De rechtbank zal dat bedrag daarom toewijzen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, zodat de benadeelde dit deel bij de burgerlijke rechter kan voorleggen.

[benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert voor het feit met parketnummer 02-330079-24 een schadevergoeding van € 5.051,99 bestaande uit € 51,99 materiële schade en € 5.000,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Materieel

De materiële schade van € 51,99 bestaat uit aanschafkosten van een beveiligingscamera. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en komen de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegekend.

Immaterieel

De benadeelde partij heeft gesteld dat hij thuis kwam vlak nadat de ontploffing had plaatsgevonden en brand in en aan zijn woning was ontstaan. De benadeelde partij trof zijn gezin aldaar angstig en in paniek aan. Deze situatie heeft bij de benadeelde partij geleid tot boosheid, verdriet en spanningen thuis. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het een grote impact op de benadeelde partij moet hebben gehad om zijn gezin in een dergelijke situatie aan te treffen, is de rechtbank van oordeel dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij niet zo voor de hand liggen dat zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de benadeelde partij op het moment van de ontploffing zelf niet thuis was. Ook de directe gevolgen voor zijn vrouw en kinderen die op het moment van de ontploffing wel thuis waren, en waarmee de benadeelde partij werd geconfronteerd, maken dit oordeel niet anders. Nu psychisch letsel evenmin kan worden vastgesteld, komt de rechtbank niet tot het toekennen van een immateriële schadevergoeding aan de benadeelde partij. De rechtbank zal de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van de vordering, zodat de benadeelde dit deel bij de burgerlijke rechter kan voorleggen.

[benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert voor het feit met parketnummer 02-330079-24 een schadevergoeding van € 7.500,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde is ’s avonds laat, in zijn woning, geconfronteerd met een enorme explosie, doordat tegen de voordeur vuurwerkbommen tot ontploffing zijn gebracht, waarna er brand aan de voordeur en in de hal van de woning is ontstaan. De benadeelde partij bevond zich op dat moment in zijn slaapkamer welke zich boven de voordeur bevindt. Direct na de knallen is de benadeelde partij naar beneden gerend en trof hij zijn moeder in paniek aan, terwijl zij de brand probeerde te blussen. Deze situatie heeft een enorme impact op hem gehad. Hij heeft er angsten aan over gehouden en de ontploffing is nog steeds een emotioneel beladen onderwerp voor hem. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending, zoals hiervoor benoemd, meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon dient te worden aangenomen. Gelet op alle omstandigheden en rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 3.500,- billijk.

De rechtbank zal dat bedrag daarom toewijzen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, zodat de benadeelde dit deel bij de burgerlijke rechter kan voorleggen.

[benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert voor het feit met parketnummer 02-330079-24 een schadevergoeding van € 5.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde is ’s avonds laat, in haar woning, geconfronteerd met een enorme explosie, doordat tegen de voordeur vuurwerkbommen tot ontploffing zijn gebracht, waarna er brand aan de voordeur en in de hal van de woning is ontstaan. De benadeelde partij bevond zich op dat moment in de woning en trof haar moeder na de explosie in paniek aan terwijl zij de brand probeerde te blussen. Deze situatie heeft een enorme impact op haar gehad. Zij is tot op de dag van vandaag schrikachtig en gevoelens van angst en onveiligheid overheersen. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending, zoals hiervoor benoemd, meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Gelet op alle omstandigheden en rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 3.500,- billijk.

De rechtbank zal dat bedrag daarom toewijzen. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, zodat de benadeelde dit deel bij de burgerlijke rechter kan voorleggen.

Schadevergoedingsmaatregel, wettelijke rente en hoofdelijkheid

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toegewezen bedragen toewijzen vanaf 12 oktober 2024.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Gelet op de toepassing van het jeugdstrafrecht zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit feit samen met een of meer anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht allen aansprakelijk zijn voor de gehele schade. De rechtbank zal daarom de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald en andersom.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en artikel 1.2.4 Vuurwerkbesluit zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

02-330079-24: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

02-050402-25: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

-veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 122 (honderdtweeëntwintig) dagen waarvan 120 (honderdtwintig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 (één) jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie conform artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- bepaalt dat de voorwaardelijke jeugddetentie niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

* mee blijft werken aan de hulpverlening vanuit [stichting] , zolang deze volgens de jeugdreclassering is geïndiceerd;* meewerkt aan aanvullende hulpverlening, als de jeugdreclassering deze nodig acht;* zich gedurende een door Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, afdeling jeugdreclassering, te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- geeft hierbij opdracht aan de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat van rechtswege gelden de voorwaarden:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

-veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 200 (tweehonderd) uren te vervangen door 100 (honderd) dagen jeugddetentie;

Benadeelde partijen inzake 02-330079-24:

[aangeefster]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van

€ 3.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[aangeefster] , € 3.500,00 aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[benadeelde partij 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

van € 51,99 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 1] € 51,99 aan materiële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[benadeelde partij 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

van € 3.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 2] € 3.500,00 aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[benadeelde partij 3]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

van € 3.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 3] € 3.500,00 aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Graaf, voorzitter, mr. W. Toekoen en mr. E.A. van Beelen, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van J.J. van Dijke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 april 2026.

Mr. De Graaf is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I - De tenlastelegging

02-330079-24

hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te [plaats 1] , gemeente Altena,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht door:

een of meerdere cobra’s, althans zwaar vuurwerk, met een daaraan een of meerdere

bevestigde flessen wasbenzine, althans een brandbare/ brandversnellende stof, in

elk geval (een) stof(fen)/voorwerp(en) en/of een combinatie van

stoffen/voorwerpen die tot ontploffing kunnen komen,

met open vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken en/of tot ontbranding te

brengen en tegen de (voor)deur aan de voorzijde van een woning (aan

de [adres ] ) te gooien en/of tegen/bij die (voor)deur/woning te

plaatsen/zetten

ten gevolge waarvan een ontploffing en/of een brand in/bij/aan een woning

(gelegen aan de [adres ] ) is ontstaan, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten een woning (aan de [adres ]

) en/of de zich in de woning en/of zich in de nabijheid van die woning

bevindende goederen, en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten

[aangeefster] en/of overige in of rondom de woning aanwezige perso(o)n(en),

te duchten was;

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van

Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

02-050402-25

hij op of omstreeks 12 oktober 2024, te [plaats 2] , gemeente Altena, al dan niet

opzettelijk vuurwerk, te weten 45 nitraten en/of 2 Cobra Zessen, althans een

hoeveelheid vuurwerk (lijst III), buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4,

2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 van het Vuurwerkbesluit, voorhanden heeft gehad;

( art 1.2.4 lid 1 Vuurwerkbesluit )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?