RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-142457-25
vonnis van de meervoudige kamer van 23 april 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2009 te [plaats]
wonende te [woonadres]
raadsman mr. PA. Groenhuis, advocaat te Breda
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 9 april 2026, waarbij de officier van justitie, mr. I. van Hemert, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 8 mei 2025 een gewapende overval heeft gepleegd dan wel heeft geprobeerd te plegen op de Action (feit 1) en dat verdachte op diezelfde dag een vuurwapen in zijn bezit heeft gehad (feit 2).
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de afpersing onder bedreiging van een vuurwapen, zoals tenlastegelegd onder feit 1 primair heeft gepleegd, en dat hij een vuurwapen in zijn bezit heeft gehad, zoals tenlastegelegd onder feit 2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is ten aanzien van feit 1 van mening dat geen sprake is van een voltooid delict, omdat verdachte met het verkregen geld de kassa niet is gepasseerd. Met inachtneming van de bekennende verklaring van verdachte kan wel de subsidiair tenlastegelegde poging tot diefstal met geweld bewezen worden verklaard.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het voorhanden hebben van het vuurwapen, zoals tenlastegelegd onder feit 2, wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
Bewijsoverweging feit 1
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van een voltooide afpersing, zoals primair is tenlastegelegd, en overweegt in dit kader als volgt.
Van afgifte van enig goed kan worden gesproken indien door die afgifte de afgever de beschikking over het afgegevene verliest (vgl. HR 13 juni 1995, NJ 1995/635). De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte medewerkers van de Action onder bedreiging van een vuurwapen heeft gedwongen tot het afgeven van briefgeld aan hem. Verdachte had dat geld in zijn hand vast en probeerde het vervolgens in zijn tas te stoppen. De medewerkers van de Action hebben door het afgeven van het briefgeld aan verdachte de beschikking hierover verloren. Aldus is dat geld ter beschikking van verdachte gekomen. Door de gedwongen afgifte van het geld aan verdachte is sprake van een voltooide afpersing.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de afpersing, zoals onder feit 1 primair ten laste is gelegd, dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 8 mei 2025 te [plaats] , met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] en een medewerker van de Action heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan voornoemde Action, door meermalen
- opzettelijk dreigend een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer] en een medewerker en omstanders te richten en/of gericht te houden, en
- daarbij opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer] te zeggen "doe de kassa open, doe de kassa open, je hebt nog drie seconden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2
op 8 mei 2025 te [plaats] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Zoraki, type 917, kaliber 9 millimeter P.A.K. zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 120 dagen, waarvan 63 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van twee jaar, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Daarnaast vordert de officier van justitie om aan verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met het opleggen van de straf zoals geëist door de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een winkel van de Action. Hierbij heeft hij een vuurwapen gericht op medewerkers en klanten, waarbij hij de medewerkers heeft gedwongen tot de afgifte van geld. Verdachte is vervolgens in de Action overmeesterd door een klant en een medewerker van de Action, waarna hij op heterdaad is aangehouden.
Het spreekt voor zich dat de overval voor de medewerkers en de klanten een uitermate beangstigende en traumatische ervaring moet zijn geweest, zeker omdat ook een vuurwapen is getoond. Uit de aangifte van medewerker [slachtoffer] blijkt ook dat zij heeft gevreesd voor haar leven. De ervaring is dat slachtoffers van dit soort gewelddadige misdrijven nog een lange tijd de nadelige gevolgen daarvan ondervinden. Dit soort overvallen veroorzaken daarnaast ook gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij als geheel. Deze nare gevolgen hebben verdachte er niet van weerhouden om de overval te plegen.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het ongecontroleerde bezit van een wapen brengt onaanvaardbare risico’s met zich en leidt vaak tot ernstige incidenten waarbij de nodige slachtoffers vallen.
De persoon van verdachte
Verdachte was vijftien jaar oud ten tijde van het plegen van de feiten en is ten tijde van het wijzen van dit vonnis zestien jaar oud. Verdachte heeft 57 dagen in voorlopige hechtenis gezeten en de voorlopige hechtenis is vervolgens geschorst onder algemene en bijzondere voorwaarden. Verdachte heeft zich blijkens zijn strafblad van 24 februari 2026 niet eerder schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft acht geslagen op de Pro-Justitia rapportage van 10 november 2025, opgesteld door [psycholoog] . Uit het rapport volgt dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, hechtingsproblematiek met een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en een sociaal emotionele ontwikkelingsachterstand. Verdachte is sociaal ingesteld, maar is kwetsbaar en beïnvloedbaar, heeft een instabiel zelfbeeld, heeft problemen in zelfregulatie, kan situaties moeilijk overzien en handelt vanuit een beperkt sociaal inzicht en onderliggende angsten. Hij handelt vaak zonder inzicht in de gevolgen van zijn keuzes en gedrag en heeft moeite om verantwoordelijkheid te dragen. Deze problematiek was ook aanwezig bij het plegen van de feiten en gesteld kan worden dat er een verband bestaat tussen de gebrekkige ontwikkeling van verdachte en het plegen van de feiten. Er wordt daarom geadviseerd de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank is van oordeel dat de rapportage op deugdelijke wijze tot stand is gekomen
en dat de conclusies worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde
onderbouwing. De rechtbank neemt daarom de conclusies van de psycholoog over
en zal de feiten verminderd aan verdachte toerekenen.
Uit het rapport van de Raad van 2 april 2026 en hetgeen de zittingsvertegenwoordiger van de Raad ter zitting naar voren heeft gebracht, volgt dat de Raad zich kan vinden in de conclusies en aanbevelingen uit het Pro-Justitia rapport. Voorts blijkt dat verdachte een turbulente jeugd heeft gehad waardoor hij weinig stabiliteit heeft meegekregen en veel negatieve ervaringen heeft opgedaan. Er komen op verschillende leefgebieden veel zorgen naar voren, zoals zijn geestelijke gezondheid, vaardigheden en emotieregulatie en agressie. Vanuit het gezin van verdachte kan weinig ondersteuning worden verwacht om het recidiverisico te verminderen. De beschermd wonen omgeving bij [hulpverlening 1] is voor verdachte wel een beschermende factor. Hier ontvangt hij de structuur, nabijheid, dagbesteding en individuele begeleiding die hij nodig heeft. Verdachte heeft door zijn aanhouding en voorlopige hechtenis direct de consequenties van zijn handelen ervaren. Gelet op de ernst van de feiten, maar ook om verdachte ervan te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen, adviseert de Raad een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest, en een voorwaardelijke jeugddetentie. Om de consequenties van zijn handelen nog meer te laten ervaren, adviseert de Raad tevens om aan verdachte een werkstraf op te leggen. De Raad vindt het van belang dat verdachte blijft meewerken aan de hulpverlening die voor hem passend wordt geacht en dat de jeugdreclassering bij hem betrokken blijft. De Raad adviseert daarom om aan verdachte als bijzondere voorwaarden op te leggen zich houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, meewerken aan een plaatsing bij [hulpverlening 1] , dagbesteding, ambulante begeleiding, zinvolle en gestructureerde vrijetijdsbesteding en een behandelverplichting. Gelet op de vele doelen, en om ervoor te zorgen dat de te leren vaardigheden uiteindelijk kunnen landen, adviseert de Raad om een proeftijd van twee jaar op te leggen.
Door de jeugdreclassering is op de zitting aanvullend opgemerkt dat verdachte gedurende zijn schorsing heel meewerkend is geweest. Verdachte woont inmiddels bij een beschermde woongroep van [hulpverlening 1] met zeer strenge kaders. Hij heeft in de buurt altijd begeleiding bij zich. Het plan is om dit geleidelijk af te bouwen, zodat verdachte uiteindelijk een normaal leven kan gaan leiden, zoals naar school gaan en het hebben van een baantje. De schorsingsvoorwaarden en het strenge kader van de woongroep zijn helpend voor verdachte, maar het is belangrijk dat hij gaat leren om zelfstandig juiste keuzes te maken en te leren wie goed is voor hem en wie niet. Hiervoor is nog veel (tijd) nodig. De jeugdreclassering is het eens met het advies van de Raad.
De strafoplegging
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de persoon van verdachte. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat voor de onderhavige feiten in beginsel niets anders passend is dan een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Niet alleen omdat de ernst van de feiten dit vraagt en vanwege het gemak waarmee verdachte met name feit 1 heeft gepleegd, maar juist ook om een preventieve werking te laten uitgaan naar anderen.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de straf zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden is. De rechtbank zal aan verdachte dan ook opleggen een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 63 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank zal hierbij de bijzondere voorwaarden opleggen, zoals geadviseerd door de Raad. Teneinde de ernst van de feiten te benadrukken, zal de rechtbank naast voormelde jeugddetentie ook opleggen een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7. Het beslag
Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende gelasten van het in beslag genomen geldbedrag van € 100,00.
De in beslag genomen pistool en patroonhouder zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en de bewezen verklaarde feiten zijn met betrekking tot deze voorwerpen begaan.
De in beslag genomen tas zal worden verbeurd verklaard nu het onder feit 1 bewezen verklaarde feit met betrekking tot dit voorwerp is begaan.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.5. is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, primair : afpersing;
feit 2 : handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
-veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 120 (honderdtwintig) dagen waarvan 63 (drieënzestig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie conform artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;
- bepaalt dat de voorwaardelijke jeugddetentie niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
* zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en meewerkt aan bezoeken zo vaak als de jeugdreclassering dit nodig acht;* meewerkt aan zijn verblijf bij [hulpverlening 1] of een andere passende woonvoorziening en zich houdt aan de regels en afspraken die de woonvoorziening in samenspraak met zijn jeugdreclassering maakt;* meewerkt aan een dagbesteding zoals [hulpverlening 2] of een soortgelijke plek of een passend schooltraject volgt en zich houdt aan de regels en afspraken die daarbij horen;* meewerkt aan ambulante begeleiding van [hulpverlening 3] of een soortgelijke zorgaanbieder;* meewerkt aan het hebben en behouden van een zinvolle en gestructureerde vrijetijdsbesteding;* meewerkt aan forensische behandeling vanuit Fivoor of een soortgelijke instelling;
- geeft hierbij opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat van rechtswege gelden de voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
-veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 (zestig) uren, te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;
Beslag
- gelast de teruggave aan de rechthebbende het in beslag genomen voorwerp, te weten:
Geld € 100,00 (voorwerpnummer PL2000-2025117752-G2858381);
- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
- verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten:
1 stuk tas (voorwerpnummer PL2000-2025117752-G2858386).
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. van Beelen, voorzitter, mr. W. Toekoen en mr. I. de Graaf, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van J.J. van Dijke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 april 2026.
Mr. De Graaf is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I - De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 8 mei 2025 te [plaats] , met het oogmerk om zich en/of een
ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer]
en/of een of meerdere medewerkers van de Action heeft gedwongen tot de afgifte
van een geldbedrag, toebehorende aan voornoemde Action, door eenmaal of
meermalen
- opzettelijk dreigend een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op het hoofd
en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of medewerkers en/of omstanders te
richten en/of gericht te houden, en
- ( daarbij) opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer] en/of medewerkers te zeggen
"doe de kassa open, doe de kassa open, je hebt nog drie seconden", althans
(telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
( art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 mei 2025 te [plaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan de Action, in elk
geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te
doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld
tegen [slachtoffer] en/of een of meerdere medewerkers van voornoemde Action, te
plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken,
of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- opzettelijk dreigend een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op het hoofd
en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of medewerkers en/of omstanders heeft
gericht en/of gericht heeft gehouden, en
- ( daarbij) opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer] en/of medewerkers heeft
gezegd "doe de kassa open, doe de kassa open, je hebt nog drie seconden", althans
(telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid
1. Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 8 mei 2025 te [plaats]
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een gaspistool, van het merk Zoraki, type 917, kaliber 9 millimeter P.A.K.
zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )