Hoofdstuk 3 Activiteiten bij waterkeringen
Afdeling 3.1 Activiteiten bij waterkeringen
Paragraaf 3.1.1 Algemeen
Artikel 3.1 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.
Artikel 3.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een primaire waterkering of regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskeringen, of in de daarbij behorende beschermingszone A bij een primaire waterkering of beschermingszone A bij een regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskeringen;
a. handelingen te verrichten;
b. werken te behouden; of
c. vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.
(…)
Paragraaf 3.1.5 Beweiden
Artikel 3.19 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het weiden van alle soorten dieren in de beschermingszone A bij een primaire waterkering of beschermingszone A bij een regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskeringen en op het weiden met schapen en geiten in de primaire waterkering of regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskeringen.
Artikel 3.20 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
Het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, geldt niet voor het weiden van alle soorten dieren in de beschermingszone A bij een primaire waterkering of beschermingszone A bij een regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskeringen en op het weiden met schapen en geiten in de primaire waterkering of regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskeringen.
Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 6.1 Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 6.1.1 Overgangsbepalingen algemeen
Artikel 6.1 Overgangsrecht omgevingsvergunningen
(…)
2. Voor al hetgeen vóór inwerkingtreding van deze Waterschapsverordening zonder vergunning rechtmatig tot stand is gebracht en/of wordt uitgevoerd, wordt geacht een vergunning ingevolge deze Waterschapsverordening te zijn verleend. Vanaf het moment van vervanging, wijziging of verwijdering van het object en/of de handeling, moet voldaan worden aan de geldende regels van de onderhavige Waterschapsverordening.
(…)
De Beleidsregels voor Waterkering, Waterkwantiteit en Grondwater Omgevingswet
15.2.7.Kwaliteit van de grasmat
Voor de sterkte, stabiliteit en veiligheid van de waterkeringen is een goede grasmat op taluds en de kruin vereist. Een goede grasmat is in staat een aanzienlijke golfbelasting te weerstaan en vormt daarmee een belangrijk onderdeel van de sterkte van de waterkering. De sterkte van de grasmat wordt bepaald door de soortendiversiteit, een goede en diepe doorworteling en het ontbreken van kale plekken. De erosiebestendigheid van de grasmat moet kunnen worden gegarandeerd voor aanvang van het gesloten seizoen. Beschadigde grasmatgedeelten moeten ingezaaid worden vóór 1 september met graszaad “Natuurdijk II” (of gelijkwaardig) of er moeten geschikte graszoden aangebracht worden op aangevulde en zorgvuldig verdichte grond met nagenoeg dezelfde samenstelling als de oorspronkelijke grond.
Beweiding
Beweiding op de regionale en primaire waterkering is niet toegestaan, met uitzondering van dieren die zijn aangewezen in paragraaf 3.1.5 van de Waterschapsverordening.
De praktijk heeft uitgewezen dat beweiding met dieren (met uitzondering van schapen en geiten) dermate schadelijk is voor de grasmat dat een goede staat niet te garanderen is. Dit geldt eveneens voor de instandhouding van het dijkprofiel. Dit is zowel van toepassing voor intensief als extensief gebruik. Om deze reden geldt een totaalverbod. Voor specifiek aangelegde klimaatrobuuste, verheelde keringen zijn uitzonderingen mogelijk, in gevallen waarbij de grasmat niet meer maatgevend is voor de waterveiligheid, omdat bij het ontwerp van deze kering al rekening is gehouden met beweiding door groot vee.