ECLI:NL:RBZWB:2026:3321

ECLI:NL:RBZWB:2026:3321

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 25/1851
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Artikel 37 van de Wet OB. Belanghebbende is de op facturen vermelde omzetbelasting verschuldigd. De vergrijpboete is terecht maar naar een te hoog bedrag opgelegd. De inspecteur heeft niet overtuigend aangetoond dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Wel is overtuigend aangetoond dat sprake is van grove schuld. Het beroep is daarom gegrond.

Uitspraak

3. Auditfile

Uitgangspunt voor de beoordeling van de omzet is de auditfile. Aan de inspecteur is eerst een auditfile met een netto omzet van € 289.335 voor de BV voor het jaar 2018 verstrekt. Later is een tweede versie van de auditfile over 2018 verstrekt met een netto omzet van € 291.608,36 (zie bijlage). Dit laatste bedrag is ook als omzet aangegeven in de aangifte Vennootschapsbelasting 2018.

(…)

5. Verschil tussen eerste en tweede auditfile

Het verschil tussen de eerste en tweede audit file bedraagt € 2.273. Dit verschil betreft een omzetboeking van € 2.272,68 op 31-12-2018 met omschrijving (…)

6. Conclusie ten aanzien van verschuldigde btw

Uit de auditfiles en de verkoopfacturen volgt dat de omzet van € 291.608,36 (= € 289.335 + € 2.273) aansluit bij de administratie van [belanghebbende] BV. De verschuldigde btw die de inspecteur in aanmerking heeft genomen is 21% van € 291.608,36 = € 61.238.

(…)”

De inspecteur heeft het bezwaar met dagtekening 7 maart 2025 (deels) gegrond verklaard en de vergrijpboete verminderd tot € 20.435.

Tot de gedingstukken behoort een projectovereenkomst tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ). In de overeenkomst is opgenomen dat [B.V. 1] van

1 april 2018 tot 30 september 2018 diensten zal verrichten ten behoeve van [B.V. 2] tegen een uurtarief van € 110, exclusief btw. De projectovereenkomst is enkel ondertekend door [B.V. 2] .

[B.V. 2] heeft de facturen via self-billing opgesteld. Daarop staat belanghebbende als leverancier vermeld. De facturen zijn gedateerd van 28 juni 2018 tot en met

18 december 2018 en zien op werkzaamheden die voor [B.V. 2] zijn verricht in de periode van 4 juni 2018 tot en met 16 december 2018.

Bij het verweerschrift heeft de inspecteur een overzicht overgelegd waaruit volgt dat de vermelde omzet op de facturen van [B.V. 2] in totaal € 101.902 bedraagt en dat daarover in totaal € 21.399 aan omzetbelasting is verschuldigd.

Belanghebbende heeft over het jaar 2018 een aangifte vennootschapsbelasting ingediend en een netto omzet van € 291.608 aangegeven.

De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld bij [B.V. 1] naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over (onder meer) de periode van

1 januari 2018 tot en met 31 december 2018. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport van 31 mei 2022. In het controlerapport staat – voor zover relevant – het volgende:

3.7 Verschuivingen

(…)

Het verschil in 2018 dient te worden nageheven.

(…)”

Overwegingen

Is de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag opgelegd?

4. Tussen partijen is niet in geschil dat de omzet van € 187.626 – zoals volgt uit de administratie van belanghebbende (zie 3.8) – juist is. Evenmin is in geschil dat [B.V. 2] in totaal € 101.902 (excl. btw) heeft betaald voor werkzaamheden verricht door de gemachtigde (zie 3.15). Partijen houdt uitsluitend verdeeld of belanghebbende de op deze facturen vermelde omzetbelasting van € 21.399 op aangifte had moeten voldoen.

De inspecteur wijst erop dat belanghebbende in haar administratie een omzet van € 291.608 heeft opgenomen (zie 3.5). Dit bedrag heeft belanghebbende ook aangegeven in haar aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2018. Nu de facturen van [B.V. 2] via

self-billing op naam van belanghebbende zijn gesteld, moet zij de omzetbelasting op aangifte voldoen, aldus de inspecteur. Volgens de inspecteur wordt de omzetbelasting zodoende ook niet dubbel meegenomen. In de aangiften van [B.V. 1] ontbreekt de aansluiting voor de omzet van € 101.902 (zie 3.17) en de eenmanszaak [belanghebbende] heeft geen omzet behaald (zie 3.11).

Belanghebbende voert aan dat [B.V. 1] de omzetbelasting is verschuldigd die op de facturen van [B.V. 2] staat vermeld. Daarnaast voert zij aan dat de bedragen mogelijk dubbel zijn verwerkt bij de eenmanszaak [belanghebbende] of [B.V. 1] .

De rechtbank stelt vast dat [B.V. 1] een projectovereenkomst heeft gesloten met [B.V. 2] (zie 3.13). Op de door [B.V. 2] opgemaakte facturen staat belanghebbende echter vermeld als leverancier (zie 3.14). De bedragen die staan vermeld op de facturen van [B.V. 2] zijn ook opgenomen in de (tweede versie van de) auditbestanden (zie 3.5) en de aangifte vennootschapsbelasting van belanghebbende (zie 3.16). Belanghebbende heeft ter zitting geen verklaring kunnen geven voor de vermelding van haar naam op deze facturen en de verwerking in haar administratie, terwijl de diensten volgens haar door [B.V. 1] zijn verricht. De gemachtigde werkt voor beide vennootschappen, zodat hij de werkzaamheden namens elk van de vennootschappen kan hebben verricht.

De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat mag worden uitgegaan van de gegevens zoals die volgen uit de facturen en financiële administratie (van belanghebbende). De enkele omstandigheid dat [B.V. 1] op de overeenkomst is vermeld, is onvoldoende om ervan uit te gaan dat deze vennootschap de diensten heeft verricht. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende de verschuldigde omzetbelasting op aangifte had moeten voldoen.

Ook indien [B.V. 1] als de feitelijke dienstverlener moet worden aangemerkt, blijft belanghebbende op grond van artikel 37 van de Wet OB de op de [B.V. 2] -facturen vermelde omzetbelasting verschuldigd. Voldoende is dat via self-billing op naam van belanghebbende facturen zijn uitgereikt waarop verschuldigde omzetbelasting is vermeld. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat van een dubbeltelling zoals belanghebbende heeft aangevoerd, geen sprake is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de inspecteur heeft toegelicht dat de eenmanszaak [belanghebbende] nihilaangiften omzetbelasting heeft ingediend. Daarnaast heeft [B.V. 1] de omzet ook niet in haar aangiften omzetbelasting verantwoord. Dit volgt tevens uit het controlerapport dat naar aanleiding van het boekenonderzoek bij [B.V. 1] is opgesteld (zie 3.17).

Voorgaande betekent dat belanghebbende de op de [B.V. 2] -facturen vermelde omzetbelasting van € 21.399 is verschuldigd. De inspecteur heeft de omzetbelasting op de vergoedingen van [B.V. 2] dus terecht in de naheffingsaanslag opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur op grond van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag is opgelegd. De vraag of sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast kan daarom in het midden blijven.

Al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ten aanzien van het handelen van de inspecteur leidt niet tot de conclusie dat enig beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden.

Is de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

De inspecteur heeft op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd van 50% van de belasting die is nageheven. Volgens de inspecteur heeft het (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende ertoe geleid dat te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan (zie 3.6). Subsidiair heeft de inspecteur gesteld dat sprake is van grove schuld en een boete van 25% van de nageheven belasting zou zijn gerechtvaardigd.

De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan het (voorwaardelijk) opzet dan wel grove schuld van belanghebbende is te wijten dat belanghebbende te weinig omzetbelasting op aangifte heeft voldaan.

Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Daarvoor moet vaststaan (i) dat belanghebbende wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Daarom gaat de rechtbank bij de beoordeling van de vergrijpboete uit van de omzetcijfers en de daarover verschuldigde omzetbelasting, zoals vermeld in het controlerapport (zie 3.6).

Facturen van [B.V. 2]

Zoals reeds overwogen onder 4.4 tot en met 4.6 is belanghebbende omzetbelasting verschuldigd over de bedragen die zijn vermeld op de facturen van [B.V. 2] . Belanghebbende heeft deze omzet (€ 101.902) niet in haar aangiften omzetbelasting vermeld.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet overtuigend aangetoond dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet met betrekking tot het niet vermelden van de bedragen op de facturen van [B.V. 2] in de aangiften omzetbelasting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de gemachtigde – die de administratie van belanghebbende verzorgde – kennelijk niet op de hoogte was artikel 37 van de Wet OB en in de veronderstelling verkeerde dat deze facturen bij [B.V. 1] thuishoorden. In het dossier ontbreken aanknopingspunten waaruit volgt dat belanghebbende voor deze facturen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig omzetbelasting op aangifte zou worden voldaan.

Wel is naar het oordeel van de rechtbank overtuigend aangetoond dat het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de verschuldigde omzetbelasting niet is voldaan. Belanghebbende heeft ten onrechte geen omzetbelasting afgedragen over de vermelde bedragen op de facturen van [B.V. 2] , terwijl deze facturen wel op haar naam zijn uitgereikt en de vergoedingen door haar zijn ontvangen. Belanghebbende heeft vergaand nalatig gehandeld door pas later haar administratie uit te besteden aan een deskundige, terwijl zij wist dat haar administratie niet op orde was en niet na te gaan of de verschuldigde omzetbelasting op aangifte moest worden voldaan. Het handelen (en nalaten) van gemachtigde dient aan belanghebbende te worden toegerekend, nu gemachtigde enig aandeelhouder en bestuurder is van belanghebbende (zie 3).

Het voorgaande leidt ertoe dat de vergrijpboete, voor zover deze betrekking heeft op vermelde bedragen op de [B.V. 2] -facturen, dient te worden verminderd tot 25%. De boete is daarom terecht opgelegd voor zover deze ziet op de facturen van [B.V. 2] , maar is wel te hoog. De rechtbank zal hierna toelichten hoe dit (cijfermatig) uitwerkt.

Eerste en tweede kwartaal van 2018

Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat sprake voorwaardelijk opzet met betrekking tot de aangiften omzetbelasting over het eerste en tweede kwartaal van 2018. De rechtbank acht buiten redelijke twijfel dat het aan het (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan. Belanghebbende heeft over deze kwartalen nihilaangiften ingediend, terwijl zij wist dat omzet was behaald en omzetbelasting was verschuldigd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de gemachtigde de administratie voerde en facturen opstelde van de door belanghebbende verrichtte werkzaamheden. In zoverre is de boete daarom terecht.

De rechtbank constateert dat de inspecteur een factuur van [B.V. 2] gedateerd

28 juni 2018 in de boetegrondslag over het tweede kwartaal van 2018 heeft betrokken. Zoals hiervoor overwogen, is met betrekking tot de facturen van [B.V. 2] sprake van grove schuld. Dit betekent dat de boete over dat kwartaal dient te worden gematigd met € 208. Voor het overige blijft de boete voor zover de boetegrondslag ziet op het eerste en tweede kwartaal van 2018 in stand.

Derde en vierde kwartaal van 2018

Vast staat dat belanghebbende aangiften omzetbelasting heeft ingediend naar bedragen van € 5.055 (Q3) en € 11.550 (Q4) (zie 3.2). Uit het controlerapport – en dus uit de financiële administratie van belanghebbende – volgen hogere bedragen aan omzetbelasting van € 13.013 (Q3) en € 35.081 (Q4) (zie 3.6) dan vermeld in de aangiften omzetbelasting.

Voor zover de bedragen uit het controlerapport betrekking hebben op de facturen van [B.V. 2] is sprake van grove schuld. De rechtbank overweegt dat voor de overige bedragen – die (ook) niet in de aangiften omzetbelasting zijn vermeld – ook sprake is van grove schuld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende wel aangiften omzetbelasting heeft gedaan naar te betalen bedragen en de verschillen tussen de aangiften en de administratie met name worden veroorzaakt door de facturen van [B.V. 2] . De rechtbank acht niet overtuigend aangetoond dat belanghebbende willens en wetens bedragen niet op aangifte heeft voldaan. Wel is sprake van grove schuld, aangezien de bedragen rechtstreeks uit de (later) opgemaakte administratie volgen en het ernstig nalatig is van belanghebbende dat zij haar administratie niet op orde had. Dit betekent dat de vergrijpboete voor zover de boetegrondslag ziet op het derde en vierde kwartaal van 2018 dient te worden gematigd met € 7.872.

Het voorgaande betekent dat de boete met € 8.080 wordt verminderd naar € 12.355. De rechtbank acht deze boete passend en geboden. Tot slot moet bij beoordeling van de boete rekening worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De in aanmerking te nemen termijn is aangevangen met de toezending van het concept-controlerapport bij brief van 14 april 2021 en eindigt met deze uitspraak. Dat betekent dat afgerond vijf jaar en één maand zijn verstreken. De redelijke termijn is als uitgangspunt twee jaar, waardoor de redelijke termijn is overschreden met 2 jaar en één maand. De boete wordt daarom verder gematigd met 20% tot € 9.884.

Belastingrente

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikking. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de vergrijpboete tot € 9.884. De naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking blijven in stand.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Wel krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend met betrekking tot de boetebeschikking;

vermindert de vergrijpboete tot € 9.884;

bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 385 aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van

mr. D. Damen, griffier, op 24 april 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026043011 V-N Vandaag 2026/901 FutD 2026-0813 NDFR Nieuws 2026/756
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand