Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-349238-25 en 02-153064-25 (gevoegd)
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 april 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1969 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] [adres] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [verblijfplaats] ,
raadsman mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. H.E. Thijssen-de Haze en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2. De tenlastelegging
De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
parketnummer 02-349238-25
feit 1: in de periode van 4 mei 2025 tot en met 23 december 2025 zijn voormalig partner [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) heeft belaagd;
feit 2: op 23 december 2025 in Tilburg politieambtenaar [benadeelde 2] heeft bedreigd;
parketnummer 02-153064-25
op 19 mei 2025 in Tilburg [benadeelde 3] heeft bedreigd.
3. De voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Feit 1 onder parketnummer 02-349238-25 ziet op een belaging, wat een klachtdelict is in de zin van artikel 164 Sv. Ondanks het ontbreken van een klacht in het dossier, acht de rechtbank de officier van justitie wel ontvankelijk in de vervolging, omdat vaststaat dat klachtgerechtigde, zijnde [benadeelde 1] , tijdig haar wens tot vervolging van verdachte uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt (vgl. ECLI:NL:HR:2023:13). In haar aangifte van 23 mei 2025 staat namelijk onder meer: “Ik wil dat zijn gedrag naar mij stopt en als dat niet anders kan dan door aangifte te doen om strafvervolging te krijgen tegen hem, dan doe ik aangifte.”
Aangezien er ook voor het overige geen redenen zijn die tot niet-ontvankelijkheid zouden moeten leiden, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en gaat bij feit 1 onder parketnummer 02-349238-25 voor de periode van belaging uit van 10 mei 2025 tot en met 23 december 2025.
Het standpunt van de verdediging
parketnummer 02-349238-25
Feit 1: belaging
De verdediging voert geen bewijsverweer met betrekking tot feit 1, maar vraagt de rechtbank wel oog te hebben voor de context waarin dit feit zich afspeelde. Daarmee wordt gedoeld op de beperkingen bij zowel verdachte als [benadeelde 1] , op de (onbedoelde) signalen van [benadeelde 1] die door verdachte verkeerd zijn opgevat en op de intentie van verdachte, te weten het behouden van een vriendschap en dus niet het afdwingen van een liefdesrelatie.
Feit 2: bedreiging
De verdediging bepleit vrijspraak van feit 2, omdat de overtuiging ontbreekt dat verdachte dit feit heeft begaan. Verdachte ontkent dat hij een politieambtenaar tijdens een verhoor op 23 december 2025 heeft bedreigd en ook de bij dat verhoor aanwezige advocaat van verdachte heeft dit niet opgemerkt. Bovendien is het verhoor destijds gewoon doorgegaan, wat erg vreemd zou zijn na een bedreiging van een van de verhoorders.
parketnummer 02-153064-25
De verdediging voert geen bewijsverweer.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld, zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
parketnummer 02-349238-25
Feit 1: belaging
Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 4 mei 2025 tot en met 23 december 2025 [benadeelde 1] heeft belaagd. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn verschillende factoren van belang. Het gaat daarbij om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Verdachte en [benadeelde 1] hadden in het verleden zo’n anderhalf jaar een liefdesrelatie met elkaar. Deze relatie is in september 2024 beëindigd. Volgens [benadeelde 1] bleef verdachte haar hierna opzoeken en via sociale media berichten sturen en heeft zij naar eigen zeggen in november 2024 aangifte gedaan van belaging. Op 27 november 2024 vond er een eerste stopgesprek plaats tussen verdachte en de politie. Ook na dit stopgesprek bleef verdachte [benadeelde 1] op verschillende manieren benaderen. Op 4 mei 2025 vond er een tweede stopgesprek plaats tussen verdachte en de politie. Ook toen bleef verdachte contact zoeken met [benadeelde 1] . Hierna heeft [benadeelde 1] op 23 mei 2025 aangifte gedaan van belaging.
Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte zeker na het tweede stopgesprek moeten weten dat [benadeelde 1] geen contact meer met hem wilde, ongeacht de door de verdediging geschetste context. De gedragingen van verdachte richting [benadeelde 1] kunnen vanaf 4 mei 2025 dan ook als wederrechtelijk worden aangemerkt.
Het tweede stopgesprek heeft verdachte er – net zo min als het eerste stopgesprek – niet van weerhouden om [benadeelde 1] opnieuw op verschillende manieren te benaderen. Zo heeft hij haar op 10, 13, 14 en 15 mei 2025 e-mailberichten gestuurd. Daarnaast heeft [benadeelde 1] brieven, enveloppen en spullen op haar woonadres ontvangen die van verdachte afkomstig zijn. Slechts voor een deel van deze brieven, enveloppen of spullen volgt uit het dossier wanneer deze bij [benadeelde 1] zijn bezorgd. Uitsluitend het deel dat qua datum in de ten laste gelegde periode valt, kan worden meegenomen bij de beoordeling of verdachte zich in die periode schuldig heeft gemaakt aan belaging van [benadeelde 1] . Het gaat dan om voornoemde e-mailberichten en de brieven van 19 mei 2025, 28 augustus 2025 en 7 september 2025 en om een op 19 juni 2025 bezorgde envelop, ketting en tijdschrift met daarin een geschreven tekst.
Mede in het licht van de twee eerdere stopgesprekken is de rechtbank van oordeel dat de aard en frequentie van de hiervoor genoemde benaderingsmomenten maken dat in de periode van 10 mei 2025 tot en met 7 september 2025 sprake is geweest van belaging van [benadeelde 1] . Verdachte heeft in die periode wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1] met het oogmerk haar te dwingen iets te doen of te dulden, namelijk het opnemen van contact met verdachte dan wel de eenzijdige benadering vanuit verdachte te aanvaarden.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde 1] heeft belaagd op de wijze zoals onder 4.4 wordt omschreven.
Feit 2: bedreiging
Bij het verhoor van verdachte op 23 december 2025 waren de politieambtenaren [benadeelde 2] en [naam] aanwezig. Volgens de aangifte van [benadeelde 2] op diezelfde dag heeft verdachte hem tijdens dit verhoor bedreigd. [naam] bevestigt dit in het op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen. Daarmee is er voldoende wettig bewijs.
De rechtbank acht dit bewijs ook overtuigend. [benadeelde 2] heeft op 8 april 2026 bij de rechter-commissaris een plausibele verklaring gegeven waarom het verhoor destijds is voortgezet ondanks de bedreiging door verdachte en waarom hij de bedreigende uitingen van verdachte niet in het proces-verbaal van verhoor heeft opgenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen en acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte politieambtenaar [benadeelde 2] heeft bedreigd op de wijze zoals onder 4.4 wordt omschreven.
parketnummer 02-153064-25
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde 3] heeft bedreigd op de wijze zoals onder 4.4 wordt omschreven, op basis van de aangifte van [benadeelde 3] en de verklaring van getuige A.W.M. Maes.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
parketnummer 02-349238-25
1in de periode van 10 mei 2025 tot en met 7 september 2025 te Tilburg, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 1] , zijnde zijn ex-partner, door- meermalen brieven te sturen naar die [benadeelde 1] voornoemd en/of- meermalen e-mailberichten te sturen naar die [benadeelde 1] voornoemd en/of- eenmaal een tijdschrift in de brievenbus van die [benadeelde 1] voornoemd te doen,
met het oogmerk die [benadeelde 1] voornoemd te dwingen iets te doen en/of te dulden;
2op 23 december 2025 te Tilburg [benadeelde 2] , agent bij de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 2] voornoemd dreigend de woorden toe te voegen: "Ik ga ervoor zorgen dat jij de kerstdagen niet meer zou halen en daarbij zal ik zorgen dat ik zelf een alibi heb.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
parketnummer 02-153064-25
op 19 mei 2025 te Tilburg [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 3] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga jullie opblazen, ik gaiedereen afmaken" en "ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een taakstraf van 180 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Tot slot vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een dadelijk uitvoerbare maatregel op grond van artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met betrekking tot [benadeelde 1] en een gebiedsverbod voor de straat waarin [benadeelde 1] woont.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om de oplegging van een straf waarbij verdachte zo snel mogelijk vrijkomt uit detentie en daardoor zijn huurwoning kan behouden. Voor de bepaling van de hoogte van de straf is relevant dat het in het geval van verdachte geen belaging betrof om een liefdesrelatie af te dwingen en dat aan hem voor de bedreiging van de beveiliger eerder een voorwaardelijk sepot is opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van zo’n vier maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner [benadeelde 1] , door haar op verschillende manieren te benaderen, terwijl zij dit niet wilde. Ondanks twee stopgesprekken met de politie is hij hiermee doorgegaan. Door zo te handelen heeft verdachte – ongeacht zijn intentie – een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1] en bij haar gevoelens van angst en onrust veroorzaakt, zo blijkt uit haar aangifte. Verdachte heeft bij deze gevolgen voor [benadeelde 1] kennelijk niet stilgestaan of zich hier simpelweg niet om bekommerd.
Zelfs tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis heeft verdachte op 2 januari 2026 de woning van [benadeelde 1] nog opgezocht en daar een hard voorwerp tegen het raam gegooid. Daarmee heeft hij een op dat moment geldend contactverbod met [benadeelde 1] en gebiedsverbod in de straat van haar woning overtreden. Ook tijdens de zitting op 17 april 2026 lijkt het nog altijd niet helemaal tot verdachte doorgedrongen te zijn dat ook het eenzijdig sturen van brieven of e-mailberichten naar [benadeelde 1] ongewenst én kwalijk was. Hij verklaarde wel brieven aan [benadeelde 1] te hebben gegeven om hun vriendschap te behouden, maar had naar eigen zeggen ‘geen contact’ met haar, omdat zij in het geheel niet op hem reageerde. Uit dit gedrag van [benadeelde 1] blijkt volgens de rechtbank eens te meer dat zij geen contact met verdachte wilde. Desondanks is verdachte doorgegaan met het zoeken van contact. Verdachte bagatelliseert zijn eigen handelen, ook ter zitting, en ziet niet in waarom dit gedrag beangstigend zou kunnen zijn voor [benadeelde 1] . Dit gebrek aan inzicht ziet de rechtbank als zorgelijk.
Daarnaast heeft verdachte op twee verschillende momenten doodsbedreigingen geuit richting achtereenvolgens een beveiliger bij een locatie van Novadic-Kentron en een politieambtenaar, wat getuigt van een gebrek aan respect voor (het openbaar) gezag. Het is voorstelbaar dat daardoor het veiligheidsgevoel van die personen is aangetast, zoals ook wordt bevestigd in de schriftelijke slachtofferverklaring van beveiliger [benadeelde 3] . Beveiligers en politieambtenaren moeten kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met bedreigingen. Dit geldt eens te meer, omdat hun werk het doorgaans niet toelaat dat zij zich distantiëren van situaties waarin zulke bedreigingen zich zouden kunnen voordoen.
Dat aan verdachte voor de bedreiging van de beveiliger eerder een voorwaardelijk sepot is opgelegd, doet aan de ernst van dit delict niet af. Ten aanzien van deze bedreiging toonde verdachte zich ter zitting wel meer schuldbewust. Hij verklaarde onder meer dat het wel gebeurd kan zijn, omdat hij vanwege zijn behoefte aan methadon geprikkeld was en dat hij inmiddels beseft dat dergelijk gedrag niet door de beugel kan. De bedreiging van de politieambtenaar blijft verdachte ontkennen.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 2 maart 2026, waaruit blijkt dat hij veelvuldig en voor diverse feiten eerder is veroordeeld.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 8 april 2026. Hieruit volgt dat de reclassering het recidiverisico bij verdachte inschat als gemiddeld. Verdachte neemt beperkt verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en zegt geen contact met [benadeelde 1] te hebben gezocht met de intentie haar lastig te vallen. Hij ontkent of minimaliseert zijn betrokkenheid bij de incidenten en ontkent tevens de dreigende uitspraken te hebben gedaan die aan hem worden toegeschreven. Tegelijkertijd is hij, ook na twee stopgesprekken, toch op verschillende manieren contact blijven zoeken met [benadeelde 1] . De reclassering heeft de indruk dat de boosheid en het ongenoegen van verdachte jegens [benadeelde 1] getemperd lijkt te zijn, maar dat betekent niet dat daarmee ook het risico op grensoverschrijdend gedrag jegens haar verdwenen is. De reclassering baseert zicht daarbij op de uitgebreide justitiële voorgeschiedenis van verdachte, zijn ontkennende houding en zijn gemoedstoestand waarin hij bij tijd en wijle woedeaanvallen heeft en daardoor de controle over zichzelf verliest en verbaal agressief kan reageren. Daarnaast is het probleembesef gering en legt hij het ontstaan van problemen bij anderen. Omdat verdachte zelf psychologische ondersteuning wenst, zou reclasseringstoezicht van toegevoegde waarde kunnen zijn, met de aantekening dat het afbreukrisico niet kan worden uitgevlakt. In het verleden is immers gebleken dat verdachte eerder opgelegde toezichts- of zorgtrajecten niet positief heeft afgesloten. Bovendien kan met reclasseringstoezicht alleen de veiligheid van [benadeelde 1] niet worden gewaarborgd. Bij een veroordeling adviseert de reclassering de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een contactverbod met [benadeelde 1] en een gebiedsverbod voor de straat waarin [benadeelde 1] woont.
Ter zitting is gebleken dat verdachte bereid is om zich aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden te houden en gaf hij ook aan dat hij geen contact meer met [benadeelde 1] wil. Over zijn persoonlijke omstandigheden heeft hij toegelicht dat hij nog steeds over zijn huurwoning beschikt en dat hij sinds ongeveer een half jaar een vriendin heeft.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf een passende strafrechtelijke reactie is. Voor de bepaling van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Ook houdt de rechtbank rekening met de houding van verdachte ten opzichte van de bewezenverklaarde feiten.
Hoewel voor de belaging een kortere periode en een geringer aantal manieren van het benaderen van [benadeelde 1] bewezen wordt verklaard dan ten laste is gelegd, is de rechtbank alles afwegende van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is. De rechtbank legt verdachte daarom een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. Ook legt de rechtbank verdachte een taakstraf van 180 uren op. De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten wordt in mindering gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van twee uur per dag.
Deze deels voorwaardelijke straf en bijbehorende bijzondere voorwaarden hebben tot doel om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst wederom schuldig zal maken aan strafbare feiten en om hem te helpen een stabiel en delictvrij leven te leiden, waarbij zijn middelengebruik onder controle is.
De op te leggen maatregel
Evenals de reclassering is de rechtbank bezorgd over het risico op grensoverschrijdend gedrag van verdachte jegens [benadeelde 1] . Twee stopgesprekken met de politie hebben verdachte er niet van weerhouden om contact met haar op te nemen en zelfs tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis heeft verdachte haar opgezocht, wat in strijd was met een op dat moment geldend contactverbod en gebiedsverbod voor de straat waarin zij woont. Daarbij komt dat verdachte niet goed lijkt in te zien dat het door hem benaderen van [benadeelde 1] ongewenst én kwalijk is.
Op grond van artikel 38v Sr legt de rechtbank daarom ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid. De maatregel houdt in een verbod om contact op te nemen, te zoeken of te hebben met [benadeelde 1] en een verbod om zich in de straat waarin zij woont, de [straat] in Tilburg, te begeven. De rechtbank acht oplegging van deze maatregel voor de duur van twee jaar noodzakelijk en proportioneel, gelet op de hiervoor beschreven zorgen. Voor elke keer dat verdachte zich niet aan deze maatregel houdt, wordt hem twee weken vervangende hechtenis opgelegd, met een maximum van zes maanden.
Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [benadeelde 1] wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
7. De vordering van de benadeelde partij
parketnummer 02-153064-25
De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert een schadevergoeding van € 750,- voor de bedreiging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Volgens de benadeelde partij heeft hij immateriële schade geleden doordat hij tijdens zijn werk als beveiliger door verdachte met de dood is bedreigd en dit impact op zijn werk en privéleven heeft gehad.
De verdediging betwist de vordering, omdat onvoldoende is onderbouwd dat de gestelde immateriële schade verband houdt met de bedreiging. Volgens de verdediging moet de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de benadeelde partij heeft bedreigd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Anders dan de verdediging ziet de rechtbank voldoende causaal verband tussen de bedreiging en de naar aanleiding daarvan door de benadeelde partij gestelde gevolgen. Verdachte heeft de benadeelde partij niet alleen persoonlijk met de dood heeft bedreigd, maar heeft ook gezegd dat hij iedereen op ging blazen. Na deze laatstgenoemde dreigende uitspraak heeft verdachte een voorwerp voor de deur van de desbetreffende locatie van Novadic-Kentron neergelegd, dit voorwerp kort daarna weer opgepakt en onder een geparkeerde auto van een collega van de benadeelde partij gelegd. De benadeelde partij heeft deze omstandigheid, waarbij hij dacht dat het voorwerp een bom was, volgens zijn schriftelijke slachtofferverklaring dusdanig serieus opgevat dat hij direct het noodnummer 112 heeft gebeld, waarna de Explosieven Opruimingsdienst Defensie is verwittigd. Dat een dergelijke gebeurtenis zelfs voor een beveiliger impact heeft op zijn werk en privéleven, acht de rechtbank voldoende aannemelijk.
De immateriële schade zal de rechtbank naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 500,-, gelet op de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
De rechtbank wijst het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schadevergoeding af.
De rechtbank vermeerdert het toe te wijzen schadebedrag met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2025, de datum waarop het bewezenverklaarde feit plaatsvond, tot aan de dag der voldoening.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning verzorgt en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 63, 285 en 285b Sr, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
parketnummer 02-349238-25
feit 1: belaging;
feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
parketnummer 02-153064-25
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* meldplicht bij reclassering
dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen twee werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Verslavingsreclassering Novadic-Kentron op het adres Jan Wierhof 14 te Tilburg;
* ambulante behandeling
dat verdachte zich gedurende de proeftijd of een gedeelte daarvan laat behandelen door Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk na intake en indicatie. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en agressiebeheersing. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- de van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van twee uur per dag;
Maatregel
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van twee jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde 1] , geboren op [geboortedag 2] 1994;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon, te weten de hiervoor genoemde [benadeelde 1] ;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van twee jaren zich niet zal ophouden in de straat [straat] in Tilburg;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon, te weten de hiervoor genoemde [benadeelde 1] ;
Benadeelde partij
parketnummer 02-153064-25
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van € 500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] , € 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling vijf dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, en mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is vervroegd uitgesproken ter openbare zitting op 24 april 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
parketnummer 02-349238-25
1hij in of omstreeks de periode van 4 mei 2025 tot en met 23 december 2025 teTilburg,althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijkinbreuk heeft gemaaktop eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 1] , zijnde zijn expartner,door- veelvuldig, althans meermalen brieven en/of kaarten te sturen naar die [benadeelde 1]voornoemd en/of- veelvuldig, althans meermalen, althans eenmaal een zakje met daarin een miniparfum te sturen naar die [benadeelde 1] voornoemd en/of- veelvuldig, althans meermalen email-berichten te sturen naar die [benadeelde 1]voornoemd en/of- veelvuldig, althans meermalen, althans eenmaal sleutels en/of sleutelhangersen/of tijdschriften te sturen en/of in de brievenbus van die [benadeelde 1] voornoemd tedoen en/of- veelvuldig, althans meermalen, althans eenmaal zich op te houden vóór en/of inde onmiddellijke nabijheid van de woning van die [benadeelde 1] voornoemd en/of- veelvuldig, althans meermalen, althans eenmaal aan te bellen bij die [benadeelde 1]voornoemd en/of- veelvuldig, althans meermalen, althans eenmaal (via politie) bedreigingen te uitenaan het adres van die [benadeelde 1] voornoemd, met het oogmerk die [benadeelde 1] voornoemd,te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2hij op of omstreeks 23 december 2025 te Tilburg, [benadeelde 2] , agent bij depolitie Eenheid Zeeland-West-Brabant heeft bedreigd met enig misdrijf tegen hetleven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 2] voornoemddreigend de woorden toe te voegen: "Ik ga ervoor zorgen dat jij de kerstdagen nietmeer zou halen en daarbij zal ik zorgen dat ik zelf een alibi heb.", althans woordenvan gelijke dreigende aard of strekking;( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
parketnummer 02-153064-25
hij op of omstreeks 19 mei 2025 te Tilburg[benadeelde 3] heeft bedreigdmet enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door die [benadeelde 3] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga jullie opblazen, ik gaiedereen afmaken" en/of "ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigendeaard of strekking;( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )