Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-046316-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 april 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1991 te [geboorteplaats] (Roemenië),
wonende aan [woonadres] ,
raadsvrouw mr. P.D.M. van Oers, advocaat te Roosendaal.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. K. Simpelaar en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: op 8 februari 2024 heeft geprobeerd om [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) te doden dan wel dat hij hem zwaar heeft mishandeld;
feit 2: op 6 februari 2024 zijn zoon [slachtoffer] heeft mishandeld.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht op grond van het dossier het onder feit 1 primair en onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van feit 1, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte het letsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht. Indien de rechtbank wel bewezen acht dat verdachte verantwoordelijk is voor het letsel van [slachtoffer] , wordt aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel. Om diezelfde reden moet verdachte ook worden vrijgesproken van feit 2.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Inleiding
Op 8 februari 2024 om 09:30 uur meldde verdachte zich samen met zijn zoontje [slachtoffer] bij de eerste hulp van het [ziekenhuis 1] in [plaats 1] . [slachtoffer] was toen zes maanden oud. Bij [slachtoffer] werd ernstig letsel geconstateerd: hij had blauwe plekken op zijn gezicht en in zijn nek, een striem in zijn nek, blauwe plekken op zijn schouder en een subarachnoïdale bloeding. Dit is een acute bloeding in de ruimte tussen de hersenvliezen. Er was daarnaast sprake van verminderd bewustzijn, [slachtoffer] was slap en zag grauw. [slachtoffer] werd met spoed overgebracht naar het [ziekenhuis 2] in [plaats 2] en werd opgenomen op de Intensive Care. Daar bleek [slachtoffer] bloedingen in beide ogen te hebben en een verminderde motoriek aan zijn rechterarm- en been. Volgens één van de ambulancebroeders was het neurologisch trauma van [slachtoffer] dermate ernstig dat de kans reëel was dat hij het niet ging redden.
Naar aanleiding van het aangetroffen letsel bij [slachtoffer] is er een strafrechtelijk onderzoek gestart, waarbij de vader van [slachtoffer] als verdachte is aangemerkt.
Letsel van [slachtoffer]
Er is forensisch medisch onderzoek gedaan naar het letsel van [slachtoffer] . Uit het rapport van drs. [naam 1] en drs. [naam 2] blijkt dat [slachtoffer] het volgende letsel had:
- bloeduitstortingen in het gelaat, bij de oren en aan de hals;
- bloedingen onder het harde hersenvlies en;
- netvliesbloedingen.
Ook was er bij [slachtoffer] sprake van bewustzijnsverlaging, epileptische aanvallen en bewustzijnsstoornissen.
Volgens de forensische artsen is het beschreven letsel zeer veel waarschijnlijker (bewijskracht tussen 10.000 en 1.000.000) onder de hypothese van een krachtsinwerking dan onder de hypothese van een medische oorzaak. Ook is het beschreven letsel veel waarschijnlijker (bewijskracht tussen 100 en 10.000) onder de hypothese van een niet-accidentele krachtsinwerking dan de hypothese van accidentele krachtsinwerking. Met andere woorden: de hypothese dat het letsel is toegebracht is veel waarschijnlijker dan de hypothese dat het letsel is ontstaan door een ongeluk.
Wanneer is het letsel ontstaan?
Om te kunnen bepalen wanneer het letsel is ontstaan, moet volgens de deskundigen worden gekeken naar het laatste moment van normaal functioneren. Klinische verschijnselen treden vrijwel direct na het toebrengen in.
Vaststaat dat op het moment dat de moeder van [slachtoffer] , [getuige 1] , op 8 februari 2024 om 07:30 uur naar haar werk ging, er niets aan de hand was met [slachtoffer] . Verdachte was vanaf dat moment alleen thuis met [slachtoffer] . Om 08:57 uur heeft verdachte [getuige 1] gebeld, omdat het niet goed ging met [slachtoffer] : hij kon niet goed
ademen en reageerde niet meer. Het letsel moet dus binnen dit tijdsbestek zijn ontstaan.
Heeft verdachte dit letsel toegebracht?
Verdachte ontkent dat hij op 8 februari 2024 letsel heeft toegebracht bij [slachtoffer] . Wel heeft verdachte op de zitting erkend dat hij [slachtoffer] op 6 februari 2024 bij de nek heeft vastgepakt. Volgens verdachte is dit de oorzaak van de striem in de nek van [slachtoffer] . Volgens verdachte is het andere letsel van [slachtoffer] spontaan ontstaan, heeft dit letsel een medische oorzaak of heeft [slachtoffer] dit letsel bij zichzelf toegebracht.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van verdachte over het ontstaan van het letsel als ongeloofwaardig en onaannemelijk terzijde moeten worden geschoven. Deze scenario’s worden namelijk weerlegd door de conclusies van de forensische artsen. In dit forensisch-medisch rapport worden deze scenario’s meegewogen, onderzocht en uitgesloten. Bovendien zijn deze door verdachte genoemde scenario’s niet onderbouwd en worden deze door niets of niemand ondersteund. Verdachte heeft ook nog gewezen op een ziekenhuisopname van [slachtoffer] in Roemenië. [slachtoffer] was toen ongeveer drie maanden oud en had volgens verdachte bloed bij zijn ontlasting. Het is de rechtbank niet gebleken van enig verband tussen het hebben van bloed in de ontlasting met een leeftijd van drie maanden en het onderhavige letsel ongeveer drie maanden later. Gelet hierop wordt het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om medische stukken over [slachtoffer] uit Roemenië op te vragen teneinde een contra-expertise te laten uitvoeren waarbij deze medische informatie wordt meegenomen, afgewezen.
Tussenconclusie
Gelet op het bovenstaande, concludeert de rechtbank dat het letsel bij [slachtoffer] is ontstaan als gevolg van een krachtsinwerking en dat het is toegebracht. Gelet op het feit dat [getuige 1] om 07.30 uur naar haar werk is gegaan en zij door verdachte om 08.57 uur op de hoogte is gebracht van de klinische verschijnselen bij [slachtoffer] , terwijl verdachte in de tussentijd als enige bij en met [slachtoffer] was, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte degene is geweest die het letsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht. De rechtbank kan niet precies vaststellen welke geweldshandelingen verdachte heeft verricht bij [slachtoffer] , maar zij kan wel buiten redelijke twijfel vaststellen dat het verdachte is geweest die ernstig geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] .
Feit 1 primair: poging tot doodslag?
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de door verdachte toegepaste geweldshandelingen gekwalificeerd kunnen worden als een poging tot doodslag. Hiervoor moet worden vastgesteld dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .
Uit het dossier blijkt niet dat verdachte vol opzet had om [slachtoffer] te doden. Voor voorwaardelijk opzet geldt dat sprake moet zijn van een bewuste aanvaarding door verdachte van de aanmerkelijke kans op het gevolg. De beantwoording van de vraag of de gedraging van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel onduidelijk is gebleven welke geweldshandelingen verdachte precies heeft verricht, wijst het letsel van [slachtoffer] volgens het LOEF-rapport op het uitoefenen van stomp uitwendig geweld op het hoofd, samendrukkend geweld (wurging) of het krachtig schudden. De rechtbank is van oordeel dat de kans aanmerkelijk is dat een baby van zes maanden oud als gevolg van stomp uitwendig geweld op het hoofd of door de baby te wurgen of door het krachtig schudden, komt te overlijden en dat dit bij eenieder – maar zeker bij ouders – als bekend mag worden verondersteld. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat een babylichaam in het algemeen en het hoofdje en nekje van zeer jonge kinderen in het bijzonder zeer kwetsbaar zijn. Bij [slachtoffer] was sprake van verschillende soorten letsels op verschillende plekken en was het dusdanig ernstig dat het niet zeker was of [slachtoffer] het zou gaan redden. Verdachte heeft dus meerdere keren en op verschillende plekken fors letsel toegebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarmee naar uiterlijke verschijningsvorm bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] daardoor kwam te overlijden.
Bij dit soort forse geweldshandelingen moet sprake zijn van contra-indicaties om te kunnen zeggen dat verdachte de kans op de dood níet bewust heeft aanvaard. Van dergelijke contra-indicaties is niet gebleken. Verdachte heeft geen openheid van zaken kunnen of willen geven over wat er precies is gebeurd, zodat daarmee ook geen rekening kan worden gehouden.
Conclusie
De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2: mishandeling?
Zoals hierboven weergegeven, heeft verdachte op de zitting erkend dat hij [slachtoffer] op 6 februari 2024 bij de nek heeft vastgepakt. Daarbij wees verdachte naar de hals. Dat dit vastpakken van de nek/hals met kracht is geweest en dat verdachte ook in de nek van [slachtoffer] heeft geknepen, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het geconstateerde letsel en de Whatsappberichten in de telefoons van verdachte en [getuige 1] van 6 februari 2024.
In de chat tussen verdachte en zijn vrouw van 09.39 uur vraagt hij om vergeving voor wat hij de jongen heeft aangedaan. Verdachte zegt hierin dat hij [slachtoffer] “te hard kneep”.
[getuige 1] benoemt dat verdachte [slachtoffer] “raar heeft gegrepen”.
Het met kracht vastpakken en knijpen in de nek is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank acht daarnaast wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] op 6 februari 2024 tegen zijn gezicht heeft geslagen/gestompt. Uit de foto’s en screenshots van video’s in het dossier van [slachtoffer] op 6 en 7 februari 2024 blijkt dat hij op die dagen oogletsel had, namelijk rode/blauwe verkleuringen rondom het linkeroog. Ook [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) heeft op een foto gezien dat [slachtoffer] een opgezwollen gezicht en een blauw oog had. [slachtoffer] leek daarbij volgens [getuige 2] op een bokser. Dat [getuige 2] dit op 6 februari 2024 heeft waargenomen, leidt de rechtbank af uit de verklaring van [getuige 2] dat [getuige 1] de dag dat hij de foto zag met [slachtoffer] naar het ziekenhuis is gegaan en dat zij een zalf zou hebben gekregen. Uit de telefoongegevens van [getuige 1] volgt dat zij op 6 februari het volgende bericht naar [getuige 2] heeft gestuurd: “ja, alles is prima, de dokter heeft ons wat crèmes gegeven voor zijn gezicht en nek”.
Concluderend gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte [slachtoffer] op of omstreeks 6 februari 2024 heeft mishandeld door met kracht zijn nek vast te pakken en in de nek te knijpen en door tegen zijn gezicht te slaan/stompen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Feit 1
op 8 februari 2024 te [plaats 3] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2023 van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht,
- heeft vastgepakt/vastgehouden/geknepen en/of
- hevig door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer geschud en/of
- tegen een oppervlak heeft geslagen en/of gestoten en/of
- hard op/tegen zijn hoofd heeft geslagen/gestompt en/of
- anderszins hevig geweld en/of een forse krachtsinwerking op/tegen zijn hoofd en/of lichaam heeft uitgeoefend, waardoor een of meer bloedingen in de hersenen en/of in de netvliezen van beide oogbollen en/of onder het harde hersenvlies en/of hersenletsel en/of acceleratie-deceleratie trauma is/zijn ontstaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
op of omstreeks 6 februari 2024 te [plaats 3] [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 2023, heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, met kracht, [slachtoffer] :
- bij/om/in de nek vast te pakken en te knijpen, en/of
- tegen het gezicht te slaan en/of te stompen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vijf jaar.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij de strafbepaling rekening te houden met de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen, heeft een baan en een woning. [slachtoffer] is uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld van Jeugdzorg. In afwachting van de uitkomst van deze zaak zal het familierechtelijke traject nader vorm krijgen. Dit traject ligt nu al geruime tijd stil. Bovendien is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Verzocht wordt aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 8 februari 2024 schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op zijn zoontje [slachtoffer] . Dit was niet de eerste keer dat verdachte geweld heeft gebruikt richting [slachtoffer] . Verdachte heeft [slachtoffer] namelijk twee dagen daarvoor, op 6 februari 2024, mishandeld. [slachtoffer] was op deze momenten zes maanden oud. Door de geweldshandelingen van verdachte heeft [slachtoffer] ernstig letsel opgelopen en heeft verdachte de gezondheid en het leven van [slachtoffer] in gevaar gebracht. [slachtoffer] is in comateuze toestand binnengebracht in het ziekenhuis en uiteindelijk opgenomen geweest op de intensive care. Dat het uitgeoefende geweld niet tot een fatale afloop heeft geleid, is niet aan het handelen van verdachte te danken geweest maar aan adequaat medisch ingrijpen.
De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij zo gewelddadig heeft gehandeld richting een jonge en weerloze baby die volledig afhankelijk is van zijn ouders op elk aspect van het leven. Juist bij zijn vader had [slachtoffer] veilig moeten zijn. Zorgwekkend is dat verdachte op geen enkele manier verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen op 8 februari 2024. Verdachte blijft ontkennen dat hij bij [slachtoffer] letsel heeft toegebracht en beweert dat hij niets fout heeft gedaan. Dit, terwijl de schreeuw om antwoorden enorm groot is. Het blijft dan ook onduidelijk wat verdachte ertoe heeft gebracht om te komen tot het plegen van de strafbare feiten en wat er in hem is omgegaan.
De persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 20 februari 2026 blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland en Roemenië is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Over verdachte is een rapport door de reclassering opgemaakt. Uit dit rapport van 7 april 2026 volgt dat verdachte zijn leven op orde heeft. Hij heeft een vaste baan, een koopwoning en er zijn geen schulden. Verdachte beschrijft zichzelf als een goede vader. De reclassering acht toezicht en behandelverplichting passend. Verdachte toont geen berouw voor zijn daden en neemt geen verantwoordelijkheid. Dit terwijl verdachte en zijn partner opnieuw een kinderwens hebben. De omstandigheid dat [slachtoffer] uit huis is geplaatst, wordt gezien als een beschermende factor. [slachtoffer] staat onder toezicht van Jeugdzorg en verblijft bij een pleeggezin. Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en andere voorwaarden het gedrag betreffende.
De straf
Gelet op de ernst van – met name - het primaire feit, kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de hoogte van die gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank ziet vanwege de ontkennende houding van verdachte geen meerwaarde in het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. Zij zal dan ook volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf van vier jaar passend en geboden.
De redelijke termijn
De rechtbank overweegt dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn is in dit geval aangevangen op 28 februari 2024, de dag van het eerste verhoor van verdachte.
Als uitgangspunt geldt dat de zaak moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank overweegt dat het vonnis dus gereed had moeten zijn op 28 februari 2026. Nu het vonnis wordt uitgesproken op 24 april 2026, is de redelijke termijn overschreden met iets minder dan twee maanden. De rechtbank volstaat met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt hieraan geen verdere gevolgen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 45, 57, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: poging tot doodslag;
feit 2: mishandeling begaan tegen zijn kind;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter, mr. P.E. van Althuis en mr. C.R.R. Loeve, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 april 2026.
Mr. P.E. van Althuis is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 8 februari 2024 te [plaats 3] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2023) van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht,
- heeft vastgepakt/vastgehouden/geknepen en/of
- hevig door elkaar en/of heen en weer en/of op en neer geschud en/of
- tegen een oppervlak heeft geslagen en/of gestoten en/of
- hard op/tegen zijn hoofd heeft geslagen/gestompt en/of
- anderszins hevig geweld en/of een forse krachtsinwerking op/tegen zijn hoofd en/of lichaam heeft uitgeoefend,
waardoor een of meer bloedingen/bloeduitstortingen in de hersenen en/of in de netvliezen van beide oogbollen en/of onder het harde hersenvlies en/of hersenletsel en/of acceleratie-deceleratie trauma is/zijn ontstaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 februari 2024 te [plaats 3] , aan [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2023 opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel en/of een bloedingen/bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies en/of retinabloedingen en/of puntbloedingen en/of oogletsel en/of bloeduitstortingen in het gelaat/nek/hals, in elk geval op het lichaam) heeft toegebracht, door die [slachtoffer] opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met kracht:
- vast te pakken/vast te houden en/of te knijpen en/of
- hevig door elkaar te en/of het en/of te storen en/of
- hard op/tegen zijn hoofd te slaan/stompen en/of
- anderszins hevig geweld en/of een forse krachtsinwerking op/tegen zijn hoofd en/of lichaam uit te oefenen,
zulks terwijl het misdrijf werd begaan tegen zijn, verdachtes, kind;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 6 februari 2024 te [plaats 3] [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 2023, heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, met kracht, [slachtoffer] :
- bij/om/in de nek vast te pakken en/of te knijpen, en/of
- op/tegen het hoofd/gezicht, althans het lichaam, te slaan en/of te stompen;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht )