RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444266 / FA RK 26-357
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1976 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
wonend in zonder bekende woon- of verblijfplaats,
advocaat mr. J. Nederlof uit Tilburg.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 22 januari 2026;
de oproeping in de Staatscourant van 3 februari 2026;
het proces-verbaal van de zitting van 11 februari 2026;
de oproeping in de Staatscourant van 20 februari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft in eerste instantie plaatsgevonden op 11 februari 2026 bij de [accommodatie] te [plaats] . Bij die zitting is betrokkene, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen. De rechtbank heeft daarop de zaak aangehouden, waarbij de rechtbank kortheidshalve verwijst naar het proces-verbaal van de zitting van 11 februari 2026.
Op 24 maart 2026 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak voortgezet tijdens zitting met gesloten deuren bij de [accommodatie] te [plaats] . Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord;
- de officier van justitie;
- de advocaat van betrokkene;
- de behandelaar, de heer [persoon] .
Hoewel daartoe correct opgeroepen, te weten via de Staatscourant, is betrokkene opnieuw niet bij de zitting verschenen.
2. Wat vaststaat
Betrokkene heeft geen bekende woon- of verblijfplaats. Haar laatst bekende BRP-adres betreft een adres in [plaats] , gelegen binnen het arrondissement van deze rechtbank.
Betrokkene is voor beide zittingen opgeroepen via de Staatscourant, maar niet is verschenen.
3. Het verzoek
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden met de volgende vormen van verplichte zorg:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
4. De standpunten
De officier van justitie voert, samengevat, het volgende aan. Vanuit het Openbaar Ministerie is er contact geweest met Bemoeizorg. Bemoeizorg gaf te kennen geen contact meer met betrokkene te hebben gehad. Ook zijn er geen recente politiemutaties. De officier van justitie kan het standpunt van de advocaat over de doelmatigheid van de machtiging volgen. Het verzoek zal niet worden ingetrokken, omdat het een aangehouden zaak betreft. De officier verzoekt de rechtbank op het verzoek te beslissen.
De behandelaar verklaart, samengevat, als volgt. Met betrokkene is er in de afgelopen periode geen contact geweest. Niet bekend is waar betrokkene momenteel verblijft en of zij überhaupt nog in Nederland is. Betrokkene is volledig uit contact. Dit maakt dat een zorgmachtiging niet uitgevoerd kan worden en daarmee niet doelmatig is. Zodra betrokkene weer op de radar verschijnt, kan worden gehandeld naar bevind van zaken. Er kan op dat moment een nieuwe zorgmachtiging worden aangevraagd.
De advocaat voert, samengevat, aan dat hij geen contact met betrokkene heeft gehad. Ook voor hem is onbekend waar betrokkene nu is. De huidige situatie maakt dat een zorgmachtiging niet doelmatig is, omdat de zorgmachtiging niet ten uitvoer kan worden gelegd. Primair dient het verzoek dan ook te worden afgewezen, wijzend naar artikel 2:1 Wvggz. Subsidiair, dient te gelden dat de stukken inmiddels verouderd zijn. Daar moet rekening mee te worden gehouden. Uiterst subsidiair zou de rechtbank de zorgmachtiging kunnen verlenen voor een zeer korte periode, om te bezien of betrokkene daarmee in beeld komt en zij door een psychiater kan worden gezien.
5. De beoordeling
De rechtbank zal het verzoek afwijzen en overweegt daartoe als volgt.
Hoewel betrokkene correct via de Staatscourant is opgeroepen en zij strikt genomen geacht wordt daar kennis van te nemen, is zij tweemaal niet bij de zitting verschenen. Noch de advocaat noch de zorgaanbieder hebben contact met betrokkene kunnen krijgen. Zij is niet in beeld en onduidelijk is waar zij momenteel verblijft. Ook is de vraag of betrokkene zich nog in Nederland bevindt. Onduidelijk is bovendien of en wanneer betrokkene terug in beeld komt. De behandelaar verklaart dat, al zou een zorgmachtiging worden verleend, deze niet ten uitvoer kan worden gelegd.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet inhoudelijk toe aan een beoordeling voor en doelen van verplichte zorg in de zin van de wet. Zolang betrokkene volledig uit beeld is kan haar geen verplichte zorg worden geboden, wat maakt dat de zorgmachtiging niet uitvoerbaar is. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen en volgt daarin het primaire standpunt van de advocaat.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 door mr. De Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. Vos, als griffier en op schrift gesteld op 1 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.