ECLI:NL:RBZWB:2026:3359

ECLI:NL:RBZWB:2026:3359

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer 12094162 VV EXPL 26-13 (E)
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Kort geding, huur bedrijfspand (hotel). Vordering tot ontruiming afgewezen. Hoogte huurachterstand komt niet vast te staan. Belangenafweging. Te veel onzekerheid dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomsten wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Middelburg

Zaaknummer: 12094162 VV EXPL 26-13

Vonnis in kort geding van 22 april 2026

in de zaak van

1. [eiser 1] B.V.,

voorheen genaamd [bedrijf] B.V.,

te [plaats 1] ,2. [eiser 2],

te [plaats 2] ,

eisende partijen,

hierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2],

gemachtigde: [gemachtigde],

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 3] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. P.H.A. van Namen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 februari 2026 met producties 1 tot en met 6;- de producties 1 tot en met 7 van [gedaagde] ;- de aantekeningen van de griffier van de op 27 maart 2026 gehouden mondelinge behandeling, inclusief de door mr. Van Namen overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen.

2. De feiten

[eiser 1] heeft per 1 april 2024 aan [gedaagde] verhuurd een bedrijfspand aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats 4] waarin een hotel is gevestigd. De huurprijs bedraagt € 6.799,27 (inclusief btw) per maand inclusief een voorschot van € 1.140,- voor gas/elektra.

[eiser 2] heeft per 1 april 2024 aan [gedaagde] verhuurd een bedrijfspand aan de [adres 3] te [plaats 4] waarin een hotel is gevestigd. De huurprijs bedraagt

€ 2.102,92 (inclusief btw) per maand inclusief een voorschot van € 280,- voor gas/elektra.

Bij verstekvonnissen van 5 november 2025 is [gedaagde] veroordeeld om aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen respectievelijk € 8.396,90 en € 5.402,46 aan huurachterstand en niet betaalde afrekeningen gas/elektra.

[gedaagde] heeft de huur over de maanden december 2025, januari 2026 en februari 2026 niet aan [eiser 1] betaald. De huur over de maanden november 2025, december 2025, januari 2026 en februari 2026 heeft [gedaagde] niet aan [eiser 2] voldaan.

3. Het geschil

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen bij vonnis samengevat - na vermindering van eis uitvoerbaar bij voorraad:

Ten aanzien van [eiser 1] :

[gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het pand aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats 4] binnen 48 uur na betekening van het vonnis;

[gedaagde] te veroordelen om aan [eiser 1] te betalen € 20.397,81 aan huurachterstand en [gedaagde] ook te veroordelen om aan [eiser 1] te betalen € 6.799,27 per maand aan huur vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de ontruiming;

Ten aanzien van [eiser 2] :

[gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het pand aan de [adres 3] te [plaats 4] binnen 48 uur na betekening van het vonnis;

[gedaagde] te veroordelen om aan [eiser 2] te betalen € 8.411,68 aan huurachterstand en [gedaagde] ook te veroordelen om aan [eiser 2] te betalen € 2.102,92 per maand aan huur vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de ontruiming;

Ten aanzien van [eiser 1] en [eiser 2] :

- [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure en de eventueel te maken ontruimingskosten.

[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] ernstig en structureel tekort schiet in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomsten. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat zij een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen.

[gedaagde] voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Toetsingskader

Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als de eisende partij zoveel spoed bij die vordering heeft dat de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft te worden afgewacht. Daarnaast dient te worden beoordeeld of de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure in dit geval de ontbinding van de huurovereenkomsten wordt toegewezen. Verder moet het belang dat de eisende partij heeft bij toewijzing van de vordering worden afgewogen tegen de gevolgen hiervan voor de gedaagde partij. In een kortgedingprocedure is geen plaats voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

Spoedeisend belang

[eiser 1] en [eiser 2] hebben het spoedeisend belang bij hun vorderingen voldoende aannemelijk gemaakt. [gedaagde] komt zijn betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomsten niet na en er is sprake van een (oplopende) huurachterstand.

Huurachterstand

Tijdens de mondelinge behandeling is door [gedaagde] aangevoerd dat [eiser 1] de huurkorting niet heeft toegepast die is opgenomen in artikel 14 van de huurovereenkomst. Volgens [gedaagde] is de gevorderde huurachterstand dan ook te hoog. [eiser 1] stelt weliswaar dat deze huurkorting is verrekend met de huurprijs maar heeft dit standpunt niet nader onderbouwd. De onderliggende huurfacturen zijn niet in het geding gebracht. Omdat de gevorderde huurbedragen over de maanden december 2025 en januari 2026 even hoog zijn, komt niet vast te staan dat [eiser 1] de overeengekomen huurkorting juist heeft toegepast in haar huurprijsberekening. Onduidelijk is dan ook of de hoogte van de gevorderde huurachterstand klopt.

Daar komt bij dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat de gehuurde bedrijfspanden gebreken hebben. Hierover is geruime tijd door [gedaagde] geklaagd maar dit heeft niet geleid tot het herstel van de gebreken. Dit laatste wordt door [eiser 1] en [eiser 2] ontkend. Zij stellen dat de onderhoudsklachten zijn verholpen en dit blijkt volgens hen uit het feit dat [gedaagde] de afgelopen maanden niet meer over de gebreken heeft geklaagd. Dit standpunt wordt door de kantonrechter niet gevolgd. In reactie op een e-mail van [gedaagde] van 20 november 2025 met als onderwerp ‘lekkage linnenkamer en hotelkamers’ schrijft [eiser 2] : ‘Eerst je schuld betalen dan wordt er pas iets gedaan!!’. Uit deze mededeling kan niet de conclusie worden getrokken dat alle gebreken zijn verholpen. [gedaagde] heeft uit dit bericht wel mogen afleiden dat het niet (langer) zinvol was om klachten over gebreken te blijven melden. De gemachtigde van [gedaagde] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat - gelet op de gebreken - een beroep op huurprijsvermindering door [gedaagde] zal worden gedaan in de bodemprocedure.

Op dit moment staat dan ook onvoldoende vast dat in een bodemprocedure de thans gevorderde huurachterstand dienovereenkomstig zal worden toegewezen.

Belangenafweging

[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat [gedaagde] zijn betalingsverplichtingen stelselmatig niet nakomt waardoor de huurachterstand steeds verder zal oplopen. Daarnaast verwachten [eiser 1] en [eiser 2] dat ze - gezien de financiële positie van [gedaagde] - uiteindelijk hun vorderingen niet kunnen incasseren. Om de schade zoveel mogelijk te beperken, hebben [eiser 1] en [eiser 2] belang bij de ontruiming van de bedrijfspanden op korte termijn. Daartegenover staat het belang van [gedaagde] om de exploitatie van het hotel voort te kunnen zetten. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij juist nu, bij de start van het toeristenseizoen meer inkomen kan gaan genereren om zijn financiën op orde te krijgen. Het nu staken van de exploitatie van het hotel zou ervoor zorgen dat [gedaagde] in het geheel geen inkomsten meer heeft en zijn financiële problemen nog groter worden. Ook [eiser 1] en [eiser 2] zijn hier niet bij gebaat. De kantonrechter is van oordeel dat het belang van [gedaagde] bij voortzetting van de exploitatie van het hotel thans zwaarder weegt dan het belang van [eiser 1] en [eiser 2] bij ontruiming van de bedrijfspanden.

Conclusie

Hetgeen hiervoor is overwogen zorgt ervoor dat er op dit moment te veel onzekerheid bestaat of in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomsten zal worden uitgesproken. Dit betekent dat daar in deze procedure niet op vooruit kan worden gelopen door [gedaagde] al tot ontruiming van de bedrijfspanden te veroordelen. De vorderingen worden dan ook afgewezen.

Proceskosten

[eiser 1] en [eiser 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

577,00

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

721,00

5. De beslissing

De kantonrechter

wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] af;

veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand